Zondag 18. Vraag en antwoord 49

                                         ZONDAG 18

                                    Vraag en antwoord 49

 

        Psalm  122 : 2

        Psalm    37 : 6

        Psalm    31 : 16,19

        Psalm  103 : 6

        Psalm  136 : 1,22

        1 Joh.      2 : 1-17

 

Onze tekstwoorden voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in 1 Johannes 2 : 1 - 2

 

Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zon­digt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voor­spraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaar­dige;

En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zon­den der gehele wereld.

 

Aan de beurt van behandeling is zondag 18, vraag en antwoord 49

 

49. Vr. Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

Antw. Ten eerste dat Hij in den hemel voor het aange­zicht Zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen. Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zitten­de ter rech­terhand Gods, en niet wat op de aarde is.

 

Het gaat dus nog steeds over dat wonderbare geloof, geliefde ge­meente. Ik zeg: dat wonderbare geloof, dat verwoord is in de twaalf Artike­len des geloofs. Ik geloof! Wat is het geloof dan toch een ont­zag­wek­kende kracht, dat geloof door de Heilige Geest gewerkt.

Door het geloof wordt de Kerk gerechtvaardigd. Door het geloof, we hoeven Hebreën 11 maar op te slaan, worden zelfs de machten der hel over­wonnen. Door het geloof, zegt Johannes op een andere plaats, wordt zelfs de wereld overwonnen (1 Joh.5:4,5). Door het geloof, lezen we in de Schrift, wordt het Koninkrijk der heme­len ingenomen (Matt.11:12).

Door het geloof... Jezus Zelf heeft gezegd: "En een iegelijk, die leeft", dat is zo onge­veer hetzelfde als een iegelijk die gelooft, "Een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwig­heid. Gelooft gij dat?", heeft de Heere Jezus gevraagd aan Mart­ha. En Martha heeft kunnen zeggen: "Ja Heere, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de we­reld komen zou" (Joh.­ 11:26-27).

Ik geloof! Wat is dat een geweldige zaak. Dat is dan hetzelfde als: ik leef en ik zàl leven op grond van het leven van de Heere Chris­tus. Daar komt het eigenlijk ook op neer, wan­neer er gesproken wordt over de hemel­vaart van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.

Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Dat is een geweldige zaak voor het geloof.

Wat nut ons, zo wordt de vraag gesteld. Zoals er ook gevraagd is: Wat nut ons de opstanding van Christus? Zo wordt er ook nu ge­vraagd: Wat nut het ons dat Hij weggegaan is? Dat is een beetje een eigenaardige vraag, want scheiden doet toch immers lijden? Toch is dat een schriftuurlijke vraag, want Jezus Zelf had immers al gezegd: "Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden. En wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden!" (Joh.16:7,13). Dat merken we ook in de cate­chismus en in het onder­wijs dat de cate­chismus ons geeft.

Wij zijn nu zo ongeveer gekomen aan het laatste arti­kel van het belijden aangaande de Heere Jezus Chris­tus. En dan komt de derde Persoon in het zicht: de Heilige Geest. De Heilige geest als Persoon. Dat komt ook in al in het zicht, wanneer de catechismus vraa­gt: Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Ten eerste dat Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidma­ten, ook tot Zich zal nemen. Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Chri­stus is, zitten­de ter rechter­hand Gods, en niet wat op de aarde is.

Wat nut? Ik heb het al vaker gezegd, geliefde gemeen­te, dat het nut groter is dan de troost. Want om de troost van deze zaken te heb­ben, och, dan moet het geloof ook wasdom kennen.

Wat nut, dat wil zeggen dat de hemelvaart van de Heere Jezus Christus tot nut is geweest van de gehele Kerk. We zouden kun­nen zeggen: "Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot" (Ps.115:7 ber.).

Dan worden er in onze catechismus drie zaken opge­somd. De cate­chismus spreekt van: Ten eerste, ten tweede en ten derde. Dat doet de catechismus opdat wij het van buiten zouden kunnen leren. Maar Calvijn zegt van alle dingen, die wij van buiten leren, dat het zaken zijn die in het hart moeten overgaan.

Ten eerste dat Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is.

Ten andere dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand heb­ben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidma­ten, ook tot Zich zal nemen.

Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegen­pand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zitten­de ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.

Als ik nu een iets andere volgorde aan­houd, dat gaat het over drie zaken. Door de hemelvaart van Christus hebben wij:

 

      1. Een Pand in de hemel.

      2. Een Voorspraak in de hemel.

      3. Een Tegenpand op de aarde.

 

Laten we die volgorde maar aanhouden.

Een Pand in de hemel. U weet toch wel wat er met een pand be­doeld wordt? Wanneer er vroeger een verbond gesloten werd, dan werd er om het verbond te bevestigen, iets in tweeën ge­deeld. We lezen het van Abraham, dat hij de offer­dieren in tweeën sneed en het ene deel tegenover het andere legde (Gen.­ 15:10).

Later is in gebruik gekomen, wanneer men een verbond sloot met elkaar, dat men dan een muntstuk door­brak, waarbij de een het ene deel kreeg en de ander het overige deel. Als er op die manier een verbond gesloten was tussen twee personen, dan kon men altijd die stukjes munt tegen elkaar aanschuiven, om te zien of het paste. Daar is nooit bedrog mee te plegen, ge­meente. Breek maar een gulden doormid­den en breek er nog maar honderd of duizend door­midden, er zijn altijd maar twee halve gul­dens die ècht bij elkaar pas­sen. Iets van dat gebruik leeft nog voort in ons­ taal­ge­bruik, als twee perso­nen die nauw aan elkaar ver­bon­den zijn, elkaars weder­helft genoemd worden. Dáár moeten wij aan denken als het er over gaat dat wij een Pand in de hemel hebben.

Wat nut ons de hemel­vaart van Christus? Dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich nemen zal. Daarin komt al iets open­baar van de zalige ver­wach­ting van de levende Kerk. De verwachting van de wederopstan­ding des vleses, wat later uitvoeri­ger behandeld zal worden in de twaalf Artikelen.

De catechismus laat ons zien dat er nù al iets in zicht komt van het nieuwe, van het eeuwige leven. Dat niet alleen de ziel bij de dood van Gods kinderen terstond tot haar Zalig­maker genomen zal wor­den; maar wat in zondag 1 al besloten lag, dat ook het lichaam van Gods Kerk ge­kocht is, niet door goud en niet door zilver, maar door dat kostelijke bloed van Jezus Chris­tus. Waarom ook dat lichaam dat gekocht is, zal vrijge­maakt worden van de verderfenis.

Is dat belangrijk? Of dat belang­rijk is! Ik heb bij de vorige catechis­muspreek gewezen op het gebed van Christus: "Vader, Ik wil (sub­stantieel), dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heer­lijkheid mogen aan­schouwen" (Joh.­17:24).

Dan gaat het om die heerlijke zaak, die zijn wortels heeft in het gehele belijden van de wederoprichting aller dingen. Dat Jezus Christus niet alleen de schuld en de zonden ver­nielt, maar ook alle gevolgen daarvan. Zelfs de door­werking van de zonde in het vlees en de doorwer­king van de zonde in deze we­reld.

Zoals er eens de zalige verwachting was voor Noach, toen de aarde gezuiverd was door het water des oor­deels, dat God niet laat varen het werk Zijner handen, maar het aardrijk vernieuwde. Zo is er ook een realis­tische verwachting voor de nieuwtes­ta­mentische kerk. De eerste wereld kon nog gereinigd worden door water, maar deze we­reld, letterlijk mate­rieel, kàn niet meer gereinigd worden door water. Zover is het verderf doorgedron­gen, mate­rieel zelfs. Het is schande en goddeloos­heid voor God, dat moet niet worden voorbij­ge­gaan, dat deze wereld nog slechts gelouterd kan wor­den door vuur. "En de elemen­ten brandende zullen versmelten" (2 Petr.3:12), zegt de Schrift. De Schrift is zeer wijs, verstandig makende, ook wat die dingen betreft.

En zoals er voor Noach verwachting was, zo verwacht ook de nieuwtestamentische kerk: "naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke ge­rechtigheid woont" (2 Petr.3:13). Die Kerk, dat zijn zij, die in de Ark des Verbonds, Jezus Christus zijn inge­gaan. Dat is het Godgeheiligd zaad dat het geze­gende aardrijk beërven zal, om in der eeu­wigheid voor Gods aangezicht te leven, wanneer alle dingen weder opge­richt zullen zijn.

Over dat leven behoeven we niet te fantaseren, de apos­tel leert ons: "Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, maar wij zullen Hem gelijk wezen" (1 Joh.­3:2).

Zo is er een zalige verwachting voor de Kerk, ook aangaande het vlees. We komen daar soms heel weinig aan toe, om ook nog met ons vlees te rekenen. Hoe orthodoxer wij zijn en hoe overgeestelijk wij soms zijn, ik noem het maar bij zijn naam, hoe minder wij het er af brengen, als het gaat over ons vlees.

Dat is ook geen wonder, want één van de zaken die met vlees bedoeld wordt, is ons bestaan, ons zondebe­staan waarvan Paulus ook klaagt: "Maar ik ben vlese­lijk, verkocht onder de zon­de" (Rom.­ 7:14). Dat is het vlees, waarvan we lezen dat: "vlees en bloed het Ko­ninkrijk Gods niet be­rven kunnen" (1 Kor.15:50).

Maar dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat betekent dit: dat Jezus Christus ten hemel gevaren is. Het Woord is vlees geworden, dat betekent toch echt niet, dat het Woord zondig vlees geworden is, maar dat geeft de geschapen substantie aan, "Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons ge­woond" (Joh.1:14). Dat betekent dat Jezus Christus onze sub­stantie deel­achtig geworden is. Dat Hij de broe­deren in alles gelijk geworden is. Dat Hij ons vlees en bloed heeft aangenomen, zoals God ons geschapen had als vlees en bloed.

Weet u nu wat het grote wonder is? Dat vlees mishaagt God de Vader niet. God de Vader, Die engelen gescha­pen heeft, zielen, onlichamelijke wezens. Het is Zijn behagen geweest om ook mensen te scheppen van vlees en bloed. En na de schep­ping heeft Hij ge­zegd: "En ziet, het was zeer goed" (Gen.1:31). Daar heeft God nooit berouw van gehad. Dat zal ook doorgaan.

Zo is het een vaste zaak in de Schri­ft en in de cate­chis­mus, dat Jezus Christus ten hemel gevaren is, substan­tieel.

Nu hebben we in een vorige catechis­mus gezien dat Jezus Chris­tus daar lichamelijk aanwezig is. ­Jezus van Nazareth, de Zoon van Maria, het Woord dat vlees geworden is en onder ons heeft ge­woond, staat voor Gods aange­zicht.

Nu vraagt de catechismus: Wat nut ons de hemel­vaart van Christus? Dan gaat het om dat grote wonder dat Jezus Christus, als de tweede Adam, Die nìet gevallen is, maar Die staande gebleven is in de plaats van de eerste Adam, Die gerechtigheid en het eeuwige leven verwor­ven heeft in lijdelijke gerechtigheid en in dade­lijke gerechtig­heid, dat deze Jezus Christus door de hemel is ontvan­gen.

Nu gaat de catechismus ons vragen: Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Dat Hij een Pand is, dat Hij voor het aangezicht van de Vader ons Pand is. Dat wil zeggen: Hij is de Bruidegom en er is ook nog een Bruidskerk op aarde. En zo zeker als het is ge­schied, dat Jezus Christus ten hemel is gevaren, zo zeker is het ook dat de Bruidskerk eenmaal bij Jezus Christus zijn zal.

Zo wordt hier gesproken, o zalige troost, dat wij ons vlees in de hemel hebben. Dat wil zeggen, niet alleen het vlees van Jezus is in de hemel, maar wie gelooft mag het nazeggen, dat wij ons vlees in de hemel heb­ben tot een zeker pand. Want dan is Christus daarin het Hoofd. Maar zoals het hoofd niet zonder het lichaam kan, en het lichaam niet zonder zijn lidmaten, zo ligt daarin besloten wat de letter­lijke betekenis is, voor hen die geloven, van het Woord: "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gege­ven hebt" (Joh.17:24).

Als de catechismus dan spreekt, dat wij ons vlees in de hemel hebben tot een zeker pand, en dat Hij als het Hoofd, ons, als Zijn lidmaten, ook tot Zich nemen zal, dan betekent dat vastheid en zekerheid voor het aangevochten geloof. Wat er met Jezus Chris­tus is geschied, daarin zal ook de ganse Kerk delen. Eenmaal zal zij bij Christus zijn, ook sub­stan­tieel.

Daarom wordt hier niet gesproken dat het vlees van Jezus in de hemel is, maar omdat Zijn vlees, omdat het vlees­geworden Woord in de hemel is, daarom hebben wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand!

Begrijpt u er iets van? Dat de ene helft al boven is en dat er geen rust zal zijn in schepping en herschep­ping, totdat ook de wederhelft zal zijn, waar die ene helft Jezus Christus is. Het zal niet feilen, dat waar de Bruidegom is, dat daar ook eenmaal de Bruid zal zijn. Wat een zalige zaak, veracht dat niet gemeen­te!

Wordt hierin niet overgeestelijk, alsof het alleen maar op onze zielen aan zal komen. Het komt hier op aan dat Jezus Christus Zijn Kerk, niet slechts de zielen van Zijn Kerk, maar ziel èn lichaam van Zijn Kerk, zo on­uit­spreke­lijk heeft liefgehad. Dat Hij niet alleen Zijn ziel heeft uit­gestort in de dood om onze zielen van het verderf vrij te maken, maar dat Hij ook Zijn li­chaam aan het vloekhout des kruises heeft laten nagelen, opdat er nou net niks achter zou blijven gemeen­te, van de Kerk die zalig wordt.

Geen enkel lid­maat zal achterblijven, maar ik mag ook zeg­gen, geen ledema­ten van die Kerk, die door Jezus Chris­tus ge­kocht is, zullen achterblijven. In het lijden van Zijn ziel en in het lijden van Zijn li­chaam, ver­wierf Hij een nieuw schep­sel, opdat Hij dat nieuwe schep­sel eenmaal: "Zichzelven heerlijk zou voorstellen" (Ef.5:27).

Opdat alles hersteld zou zijn, wat te herstellen was hier op aarde. Opdat ook de laatste vijand te niet gedaan zou worden, opdat God zou zijn alles en in allen. Opdat de zaligmaking van de Kerk zo compleet, zo volledig zal zijn, dat alsdan ook de Zoon onderwor­pen zal zijn.

Christus, een zeker Pand! Ik heb het u gezegd, een pand en een tegenpand, dat is eigenlijk een gebroken zaak, iets dat doormidden gebroken is. En zo, inder­daad, geliefde gemeente, zo kun je het ook voelen in je hart, dat er iets in je leven gebroken is, wat nu nooit meer gelukkig is, want helft en wederhelft horen bij elkaar.

Wat een zalige zaak dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich nemen zal.

 

Dan wordt er ook gesproken wat Jezus Christus doet in het Vader­huis. Daar in het Vaderhuis is Hij een Voorspraak, zegt de catechis­mus. Hij is een Voor­spre­ker voor het aan­gezicht des Vaders.

Wat een heerlijke zaak ligt daarin verklaard. Wat een kostelij­ke zaak! Want nu kunnen we zeggen: "Mijn kinderkens, indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Chris­tus, den Recht­vaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden". Dan is het niet alleen een pand, een zwijgend pand, maar het is een voor­spre­kend pand voor het aange­zicht van de Vader.

Wat een kostelijke zaak gemeente! Hebt u hier op aarde weleens iemand gehad, die u gedragen heeft in het gebed? Dat is ook een kostelijke zaak, maar er ligt geen waarde in om verhoord te worden. Maar nu gaat het over Jezus Christus, Die een Voor­spraak is voor Zijn Kerk. Geen apostel, geen heilige, maar Jezus Chri­s­tus Zelf. Dat betekent dat deze Voor­spraak kan zeggen: "Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt. Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort" (Joh.­ 11:41-42).

Wat kostelijk om zo'n Voorspraak te hebben bij de Vader, Die alle dag voor het aangezicht des Vaders is en kan zeggen: "Vader, Ik wist dat Gij Mij altijd hoor­t­".

Daar komt nog bij dat deze Voorspraak meteen de Alwetende is, Die weet wat elk van Zijn kinde­ren behoeft. Hij weet wat onze nood is, Hij weet wat wij nodig hebben, Hij weet wàt Hij bidden zal. Een mens moet vaak zeggen: wij weten niet wat wij bidden zul­len. Maar dat is met deze Voorspraak anders, Hij weet wat Hij bidden zal. Hij weet wat wij nodig heb­ben. Het is geen 'misschien­tje', het is zeker­heid! Zijn bloed staat er garant voor, Zijn liefde staat er garant voor.

"Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort". "Vader Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze" (Joh.17:15). Wat een kos­telijke zaak, wanneer de apostel mag zeg­gen: "Wij hebben een Voorspraak bij den Va­der, Jezus Christus, den Rechtvaardige; En Hij is een verzoe­ning voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld".

U weet toch wel, dat daar niet mee bedoeld wo­rdt, de zonde van de gehele wereld, maar dat daar de intentie, de kracht mee bedoeld wordt van de verzoe­ning van Jezus Christus. Dat Hem niets te hoog gaat, dat Hem niets te diep gaat, van wat er te verzoenen is voor Zijn kinderen. Niet alleen voor groten in de genade, ook voor de kleinen in de genade. Johannes spreekt ze vanavond toe: "Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen: wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; En Hij is een ver­zoening voor onze zonden".

Laat ik het dan eens met mijn eigen woorden mogen zeggen, wat de intentie, het oogmerk is van dat tweede ge­deelte van die moeilijke tekst. Dat Jezus Christus een volmaakte verzoe­ning geworden is voor de gehele Kerk, van klein tot groot, maar ook van kleine tot grote zonden van die Kerk.

Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Wat was het zalig toen Hij nog op aarde was. Wat moest men soms ver reizen om tot Hem te gaan. Nu is Hij voor Zijn ganse Kerk tot de Vader gegaan, tot het hart van de Vader gegaan. "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt".

Pand, pand... Wanneer dan in de oudheid, twee mensen elkaar trouw beloofden, dan brak men zo'n gou­den munt in twee stukken. De één had een deel en de ander had een deel. Het is net als ringen, er is altijd sprake van een stel, van twee stuks. Bij de één past de ander en bij de ander past de één.

Wat is nu het pand dat de Kerk heeft? Als dan die ene helft van die Kerk al boven is, Christus Zelf, een Voorspraak bij de Vader gewor­den. Geen gou­den talent, geen gebroken talent, maar de Zoon van God Zelf.

Wat is dan het pand dat de Kerk heeft? Dat tegen­pand hier op aarde is niets minder, dan God Zelf, het is God de Heilige Geest.

 

Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zitten­de ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is. Te weten dat ons Pand in de hemel is, dat is kostelijk, maar om ons daarmee te troos­ten hebben we de andere helft, de wederhelft van dat pand nodig en dat is de Heilige Geest. Zijn naam is Trooster en Hij ìs ook Trooster.

Zo heeft Jezus Zelf gezegd: "Het is u nut, dat Ik weg­ga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen" (Joh.­ 16:7). De Trooster, de Heilige Geest, Die van de Vader en de Zoon uitgaat, opdat we hier op aarde ganselijk getroost zouden zijn.

Nu weet u ook dat die Trooster, de Heilige Geest, wel­eens een Advocaat genoemd wordt. Dat is ook zoiets als een voor­spreker. Maar dan wordt er toch iets heel ánders bedoeld met dat voorspre­ken van de Heilige Geest. Ik kan het u zo wel duidelijk maken. Er zal wel haast niemand in de kerk zijn, die nooit eens dat vree­mde woord gehoord heeft voor de Heilige Geest, de Para­cleet, de 'erbij geroepe­ne'. Zijn werk is de 'para­cle­sia' en de kerk hier op aarde is de 'ecclesi­a'.

Ik ga u nu geen lesje Grieks geven, maar u voelt wel aan, dat eccle­sia en paraclesia totaal in elkaar ingrijpt. Het is pas ecclesia, waar de para­clesia aanwe­zig is. Laat ik het maar zo zeggen gemeente: dáár is de troost, waar de Heilige Geest is en dáár is de Kerk, waar Gods Geest is.

Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zitten­de ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is. Ge­liefde ge­meente, dat is geen moraliseren wat de cate­chismus hier doet. Maar hier wordt de Kerk, die alles heeft in het bloed van Jezus Christus, weer gewezen op de Geest van Jezus Chris­tus.

Er staat hier uitdrukkelijk 'Zijn Geest', dat betekent dat die Geest werkt in de Bruidskerk, de Geest van de Heere Jezus Christus. We komen het dikwijls tegen in de Schrift, dat die zalige zaak van Jezus Christus en de zondaren die Hij gekocht heeft, beschreven wordt als de zaak van Bruid en Bruide­gom. Paulus zegt hiervan: "Deze verbor­genheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Ch­ris­tus en op de Ge­meente" (Ef.5:32).

En als nu de verloving goed is gemeente, want de Kerk is met eerbied gesproken verloofd met Jezus Christus. Ja, laat ik maar mogen zeggen, de Kerk is ondertrouwd en zij heeft pand en tegen­pand. Als dat nu in orde is, dan is de basis van die hele zaak geen moeten, maar mogen. Dan wordt er geen vroom mens gemaakt, maar dan wordt er een hartelijke liefde geboren!

Wanneer de Kerk zichzelf een beetje leert kennen in haar verdor­ven­heid en in haar goddeloosheid, dan komt ze voor een groot won­der te staan: hoe het moge­lijk is dat zo'n volmaakte Bruidegom nu juist zo'n onvolmaakte Bruid werft en liefheeft. Een groter wonder is er niet. "Niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren" (1 Kor.1:26,28).

O gemeente, dat is zo'n wonder! Nu zien we in het natuurlijke leven weleens, wanneer er een grote onge­lijkheid is tussen een bruid en bruide­gom, dat het huwelijk een af­zakken is naar het lagere peil, naar het laagste peil. Maar dat de Kerk door de kracht van die Heili­ge Geest als tegen­pand bewerkt wordt, schept het bege­ren om een welbe­haaglijke Bruid van Jezus Chris­tus te zijn. Wij zijn tot adeldom geroe­pen, geliefde gemeente. Gevallen zon­daars worden tot geestelij­ke adeldom geroepen, ten huwe­lijk met de Zoon van God, Jezus Christus. Dat is geen kleine zaak!

Maar nu is dit de grote zaak, dat de verandering begint van binnen­uit, omdat Hij aan Zijn Bruidskerk Zijn Geest zendt als een tegen­pand. Dat is in ons de krac­ht, de bijbel noemt dat: de dynamis, het dyna­miet, het beginsel, waardoor we niet meer zoeken wat op de aarde is, maar waardoor we gericht worden op dat, wat in de hemel is: Jezus Christus, om Hem meer en meer gelijk­vormig te worden.

Dan zegt Paulus in de brief aan Korinthe: "Dat wij van heerlijk­heid tot heerlijkheid veranderd worden". Ik heb die tekst vaker geciteerd, maar nu gaat het mij hierom, dat we van heerlijkheid tot heer­lijk­heid veran­derd zullen worden. Waar­door? "Als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).

Daarom is het zo'n geweldig iets, om die Geest als tegenpand te mogen hebben. Het is een Geest van heiligmaking. Misschien klinkt het u nog een beetje moraliserend in de oren.

Maar laat ik dan mogen zeg­gen dat de ware heilig­ma­king, ten diepste is in alle gebrek: heerlijkma­king. Het is vervuld te worden van een Ander. De Schrift spre­e­kt zo vaak over dat beeld van bruid en brui­degom. Het gaat om de liefde in dat beeld, gemeente. Dat we door die liefde méér en méér vervuld worden van liefde tot elkaar.

Laat ik het dan eens heel menselijk mogen zeggen: dat Jezus Chris­tus voor het aangezicht des Vaders is, dat betekent dat Hij tot de Vader niet uitgepraat raakt over Zijn Bruid. Maar dat betekent ook: hoe meer Geest van Christus wij hebben als tegen­pand, hoe meer en meer wij vervuld zullen worden, hier in dit leven al, door die alles­beheersende Jezus Christus, in de liefde. AMEN.