Zondag 19. Vraag en antwoord 50 - 51

                                         ZONDAG 19

                               Vraag en antwoord 50 en 51

 

        Psalm   122 : 1

        Psalm     98 : 3

        Psalm     97 : 1,5

        Psalm   115 : 5

        Psalm   103 : 3

        Efeze        1 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­mus­on­derwijs, vindt u in Efeze 1 : 19 - 23

 

En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht,

Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter­hand in den hemel;

Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heer­schap­pij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;

En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;

Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult. 

 

Vandaag is aan de beurt van behandeling zondag 19, vraag en antwoord 50 en 51

 

50. Vr. Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechter­hand Gods?

Antw. Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door Wien de Vader alle ding regeert.

51. Vr. Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijk­heid van ons Hoofd Christus?

Antw. Eerstelijk dat Hij door Zijn Heiligen Geest in ons, Zijn lidmaten, de hemelse gaven uitgiet. Daarna dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

 

Het is een merkwaardig hoofdstuk, Efeze 1, geliefde gemeente. Het is een merkwaardig hoofdstuk, want u hebt het misschien zelf ook al gemerkt, dat er in vers 3 een lofzegging begint. Als je dan een paar tekst­woor­den uit dat hele hoofdstuk wilt nemen, dan lukt het haast niet, omdat het één lof­zegging is van het derde vers tot het drie­ntwintigste vers. Waarin alles bezongen wordt wat er te bezin­gen is, van de verkie­zende liefde van de Vader, van de verlossen­de liefde van de Zoon en van de toepas­sende liefde van de Heilige Geest.

U moet dit hoofdstuk zelf nog maar eens nalezen en er maar eens mee op de knieën komen. We hebben daar vanavond een klein gedeelte uitgeno­men, als gron­dslag voor ons catechismusonderwijs over de verho­ging van de Heere Jezus Christus. En is de vernederde Christus al tot zoveel nut geweest voor de Kerk, van hoeveel nut is niet de verhoogde Chris­tus, Die aan de rechter­hand des Vaders is gezeten?

Daarom vraagt de catechismus: Waarom wordt daarbij gezet: Zitten­de ter rechterhand Gods? U begrijpt dat het nog steeds over de twaalf Arti­kelen des geloofs gaat. Daar is beleden dat de Heere Jezus opgevaren is ten hemel en daarna volgt de betref­fende zin: zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders; vanwaar Hij komen zal om te oor­delen de levenden en de doden.

Als u dan wilt weten hoe de catechis­mus daarover spre­ekt, dan loopt het in vraag en antwoord 50 over het feit, in vraag en ant­woord 51 over het nut en in vraag en antwoord 52 over de troost.

U bent dat wel vaker tegengekomen dat de catechis­mus ingaat op het feit, op de zaak als zodanig; daarna dat de catechismus ingaat op het nut van de zaak en dat de catechismus later nog heel praktisch ingaat op de troost van de zaak. Zo is er ook een verband tus­sen vraag en antwoord 50, 51 en 52.

Als ik dan deze keer vraag en antwoord 50 en 51 bij elkaar gehou­den heb, dan heb ik daar een reden voor. Want als hier gevraagd wordt: Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods? Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door Wien de Vader alle ding regeert. Dan is dat een vraag en een ant­woord die straks uitvoeriger aan de orde zullen komen in de cate­chismus, wanneer het gaat over: Ik geloof een heilige apostolische Christelij­ke Kerk, de gemeenschap der heiligen. Daar zal dan nog nader onder­wezen worden dat Jezus Christus het Hoofd is van Zijn Kerk, Die Zijn Kerk vergadert, beschermt en onder­houdt.

En wat betreft vraag en antwoord 51: Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? Dat is ook een zaak die straks nader aan de orde zal komen, wanneer het namelijk gaat over de vraag: Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?

We hebben deze keer dus twee vragen en twee ant­woorden, die later uitvoeriger in de catechismus aan de orde zullen komen.

Toch willen we daar ook nù reeds over spreken. Waar­om wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods? Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzel­ven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christe­lijke Kerk, door Wien de Vader alle ding regeert.

Wel, geliefde gemeente, wat er dan nu aan de orde moet komen dat is, wat het betekent, dat de Heere Jezus zit ter rechter­hand Gods. Dan moet er voor gewaarschuwd worden, dat wij niet mense­lijk zouden denken over God de Vader. We heb­ben zeer menselijk gesproken over de Heere Jezus en dat kon, want Hij is mens gewor­den. Zoals Nicéa dat vol verwondering belijdt: "Die een mens geworden is". Zo hebben wij op verschil­len­de plaatsen heel mense­lijk gesproken over de Heere Jezus.

Maar nu is het van belang dat wij er in on­derwezen worden dat we niet menselijk en niet vlese­lijk over God de Vader zouden spreken of denken. Als er ge­sproken wordt over 'zittende ter rech­ter­hand Gods des almachtigen Vaders', dan wordt u ge­waarschuwd om God de almachtige Vader niet voor te stellen al­sof Hij vlees en bloed geworden is. Van de Zoon wordt gezegd: "Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij heb­ben Zijn heer­lijkheid aan­schouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Va­der), vol van genade en waarheid" (Joh.1:14).

Maar van God de Vader moet gezegd worden: "Mij zal geen mens zien, en leven" (Ex.33:20). En wat de Heere Jezus gezegd heeft tegen de Samaritaanse vrouw: "God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aan­bidden in geest en waarheid" (Joh.4:24). God de Vader is dus niet aanschouwelijk, is niet te zien, "Mij zal nie­mand zien en leven".

Waarom wordt er dan tòch gesproken over de rechter­hand Gods? En niet alleen in de twaalf Artikelen, maar we vinden dat ook in de Schrift, dat er gesproken wordt over de rechterhand Gods.

Laat ik heel duidelijk zeggen: wan­neer hier gesproken wordt over Jezus, zittende ter rechterhand Gods des Vaders, dan moeten wij daar geen voorstelling van hebben alsof er twee tronen zouden zijn en alsof er twee zichtbare Personen zou­den zijn. God onderwijst de mens weleens in menselijke beelden, maar het is niet zo dat God een mens is. God komt de zwakheid, de grovigheid van ons ver­stand te hulp. En dan spre­ekt God soms in beeldspraak over Zich­zelf, alsof Hij handen heeft, alsof Hij voeten heeft en alsof Hij ogen heeft. God de Vader openbaart Zich in zulk een beeldspraak.

Wanneer het dan gaat over Gods rechterhand, dan heeft dat een vrij eenvoudige betekenis. Wat is ie­mands rechterhand eigenlijk? Mijn vader heeft het weleens van mij gezegd: 'dat is mijn rechterhand', dat is beel­dspraak. Om dan te weten wat er bedoeld wordt met die rechterhand Gods, dan kan ik het u wel zeg­gen in de regels van een Psalm­vers:

 

      Gods rechterhand is hoog verheven;

      Des HEEREN sterke rechterhand

      Doet door haar daân de wereld beven,

      Houdt door haar kracht Gods volk in stand (Ps.­118:8 ber.).

 

De rechterhand Gods, wat wil dat zeggen? Dit, o god­delo­zen, vreest! Want dat is de hand die Farao heeft neerge­sla­gen, dat is de hand die elke goddeloze zal verdoen als schuim van deze aarde.

Maar verheugt u, o volk Gods! Die rechterhand Gods is ook de troostende hand, de beschermen­de hand, de hand die ons leidt door dit leven.

Wanneer de catechismus en de twaalf Artikelen spreken over: Zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Va­ders, dan betekent dat in zeer verheven zin, het­zelfde wat mijn vader ooit eens gezegd heeft van mij: hij is mijn rechter­hand. Zo, in een zeer verhe­ven zin geldt het van de Heere Jezus Christus, dat de Vader zegt: dit is Mijn Zoon, zit aan Mijn rechter­hand. Dan wil dat zeg­gen dat God de Vader de wereld regeert door Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus.

Dat is van een bij­zondere actualiteit geworden, nadat het woord Vlees is geworden. Dan gaat het over: "De Zoon des mensen", zoals Hij ge­noemd wordt. Dan gaat het niet meer alleen over de Zoon van God, maar ook over de Zoon van Maria. Het Woord dat Vlees is gewor­den, Wat onder het hart van Maria ge­dragen werd. Die Jezus, Die in Beth­lehem geboren is, Die Jezus, Die in Nazareth ge­woond heeft, Die Jezus, Die ingeschreven werd in de bur­gerlijke stand van Rome, Die Jezus zit aan de rechter­hand Gods, des Vaders.

Deze Jezus, van Wie wij ook beleden hebben in de voor­gaande zondag, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben. Dat is zo'n geweldige realiteit na de hemelvaart, een Jezus van vlees en bloed, door Wie wij ons vlees en bloed tot een zeker pand hebben. Dìe Jezus Christus is zittende ter rechter­hand Gods, des almachtigen Vaders.

Dan wil dat zeggen dat de Vernederde van Beth­lehem, de Man van smarten van Golgótha, dat Hìj Heere der heeren is gewor­den en Koning der konin­gen. God de Heere regeert, dat kunnen we zeg­gen van de Heere Jezus Christus, beeft gij volkeren en eert Hem.

Wat een ontroerende gedachte is dat gemeente, dat Hij genoemd wordt, 'de Zoon des mensen'. En dat wordt Hij spe­ciaal genoemd in het boek Daniël (Dan.7:13). Zoon des mensen, zo noemt Hij Zich­zelf ook speciaal in de Evangeliën, wan­neer Hij aanduidt Zijn Ko­ning­schap en Zijn macht om gericht te houden. Johan­nes 5, meer zal ik er niet van aanhalen: "Want de Vader heeft Hem macht gege­ven, ook gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is" (Joh.­ 5:27). Jezus Christus heeft dat Zelf ge­tuigd.

Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods? Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christe­lijke Kerk, door Wien de Vader alle ding re­geert. Het is heel kostelijk uitgedrukt ge­meente, dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zich­zelven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk.

Er is weleens iemand in een bepaalde functie nodig en wanneer je dan solliciteert, dan zeggen ze dat je maar bewij­zen moet wat je waard bent. In die zin moeten we dit ook lezen, dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelf daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk.

Weet u wat dat inhoudt? Dat het geen loze titel is, maar werkelijk­heid. Dat Hij niet alleen Hoofd heet, maar dat Hij ook Hoofd ìs. Dat Hij niet alleen Koning genoemd wordt, maar dat Hij Koning ìs en dat Hij Zichzelf bewijst in deze wereld. Niet alleen in de hemel, maar ook in deze wereld.

Het kan heel duidelijk zijn voor het geloof uit het boek Openbaring, dat Chris­tus Zichzelf bewijst als het Hoofd Zijner Kerk. Dat Hij de geschiede­nis schrijft hier op aarde. Dat Christus daar­om ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door Wien de Vader alle ding regeert.

Dit is de kostelijke zaak, de kostelijke werke­lijkheid, dat Jezus Christus, Die Borg geworden is, Die Midde­laar geworden is, Die niet alleen gestorven en begra­ven is, maar Die ook opgestaan is, Die ook ten hemel gevaren is nadat Hij het werk des Va­ders heeft vol­bracht, dat Hij daarmede de macht gekre­gen heeft. De macht van de Vader 'de jure' en 'de facto', dat betekent rechtens en feitelijk, om dan ook metterdaad de Kerk te rege­ren, die Hij Zelf ge­kocht heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dier­baar bloed.

Dat betekent, dat de Kerk niet alleen duur gekocht is en dat ze niet alleen duur betaald is, maar dat ze daar­door ook eigendom gewor­den is van Christus Jezus, (zondag 1). En Jezus Chris­tus heeft gezegd: "In de wereld zult gij ver­druk­king heb­ben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwon­nen" (Joh.­16:33).

Dan gaat het er om dat Jezus Christus het Hoofd is van Zijn Chris­telij­ke Kerk, en wat Hij zo duur betaald heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dier­baar bloed, dat zal Hij ook vasthou­den, geliefde ge­meente, twijfel daar niet aan. "En niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken" (Joh.10:28).

 

Dan heeft dat nòg een strekking: eerste­lijk dat Hij door Zijn Heili­gen Geest in ons, Zijn lidma­ten, de he­mel­se gaven uitgiet. Ik zal daar later ook nog op terugko­men, maar laat ik dan nu alvast mogen zeggen dat is door Zijn Heilige Geest: "In Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden" (Ef.­1:13), ik wijs terug naar de Schrift. Dat we die zalige troost mogen heb­ben, dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaard.

Dan gaat het er over dat er geen afval der heiligen is, omdat Chris­tus Zich nooit zal laten ontroven, wat Hij Zelf heeft gekocht en betaald. Het gaat om die zalige vastheid en om die zalige geborgen­heid van de Kerk in Christus Jezus. Wat er ook op af mag ko­men, ze liggen veilig veran­kerd, niet in zichzelf, maar in Christus Jezus.

Ze blijven echter wel ìn deze wereld. Luther heeft van de levende Kerk gezegd: dat ze geen weideschapen zijn, maar slachtschapen. En ik hoor het Paulus zeggen in een van zijn brieven: "Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting" (Rom.8:36).

Maar geen nood, geen nood! De christen is in deze wereld, zoals we dat zo schoon lezen in de Christenreis van Bunyan, op weg tussen de leeuwen door. Dat is een tekening van de christen, zoals hij aan twee zijden aangevallen wordt. Christen moet tussen twee leeuwen door, wie zou het durven?

Maar wat is dan het geweldige wonder? Bunyan laat ons de achter­grond van de dingen zien, zoals Bunyan ook heel fijntjes Christus en de christen kan tekenen. Zoals Buny­an heel fijntjes kan tekenen, Wie er nu eigenlijk regeert in deze we­reld. Die leeu­wen lagen aan de ketting, wist u dat? Hebt u dat verhaal weleens gele­zen? Ze lagen aan de ketting te brullen en ze stonden aan de ketting te trekken naar twee kanten, maar er was een opening waar christen tussendoor kon. Hoe smal was die opening? Hoe nauw is de deur naar het Koninkrijk Gods? Zo smal, slechts een naakte zondaar kan er doorheen. Zo nauw, slecht een uitgekle­de zondaar kan er tussen­door zonder verscheurd te worden.

Om maar in dit beeld te blijven, het is Jezus Christus Die de kettin­gen in deze wereld heeft nagemeten. En het geloof mag weten, al voel je de hete adem van de leeuwen op je lijf, dat er geen ring teveel aan die ketting zit. God heeft ze gemeten en afgemeten. Dat bedoelt ook Lu­ther: Al grijnst de open hel ons aan. En geloof maar dat iedere christen van tijd tot tijd, al is hij geen refor­mator, er ook iets van leert:

 

      En grijnsd' ook d' open hel ons aan,

      Met al haar duizend­tallen,

      Toch zal geen vrees ons ne­der­slaan,

      Toch doen wij 't krij­gslied schallen!

      Hoe ook de satan woedt,

      Wij staan hem, voet voor voet,

      Wij tarten zijn geweld!

      Zijn vonnis is geveld!

      Eén woord reeds doet hem vallen!

 

Dan gaat het er om dat de Vader, door Jezus Christus het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, alle ding regeert en de kettingen afmeet in deze wereld, waaruit de leeuwen nog niet verdreven zijn en waarin de satan nog rond­gaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden.

Er zijn zo van die situaties, van die leeuwensituaties in het leven, dat je weleens na zit te denken wat er allemaal gebeu­ren kan. En als een mens dan in het ongeloof terecht­komt, en ook Gods kind komt in het ongeloof terecht, dan gaan we zitten peinzen over alles wat er wel gebeu­ren kan. Wat kan er dan ook nog vreselijk veel gebeuren hè, in deze wereld.

Maat weet u, waar het dan op aankomt? Dat laat Gods Woord in Efeze 1 en in de catechismus ons even­ zien. Er kan heel veel gebeu­ren, maar wie in God en in Christus geborgen is, die kan niks méér gebeuren, dan God toelaat. Die kan niks méér ge­beuren, dan Jezus Christus toelaat in deze we­reld. Want Hij heeft gezegd: "Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen" (Joh.16:33).

U vraagt misschien; waarom is er dan nog een vervolgde Kerk? Waarom dan nog dit en waarom dan nog dat? O, de Heere regeert wel goed hoor, gemeente. De duivel loopt nog wel op vrije voe­ten, maar gevon­nist ìs hij. Zo lezen we het ook in de Sch­ri­ft, omdat hij weet dat hij nog maar een kleine tijd heeft.

Maar laat ik u mogen zeggen, dat de satan méér brult, dan dat hij in werkelijkheid zijn klauwen uitslaat naar de Kerk. Want God ver­hoedt dat. Wan­neer er dan chri­s­tenen in de verdrukking zullen zijn, dan zullen zij er altijd zijn. Maar o, wie Gods kant in het oog mag krijgen, die zal dan ook juist zien in de ge­schiede­nis, dat het bloed der martelaren het zaad der Kerk is.

Dat lezen we ook in de geschiedenis van Israël in Egypte. De duivel en de hel waren er op uit dat volk te vernietigen. Maar hoe meer Farao raasde, hoe meer dat volk verdrukt werd, hoe meer het wies. Dat is het gevolg van de zorg van dat Hoofd aan de rechterhand des Vaders, Die altijd voor ons bidt, Die ook voor ons dankt. De bid­dende en dankende Hogepriester.

Hij schenkt krachten aan de verdrukten, zodat we met elkaar mogen zingen: hun bloed, hun tranen en hun lijden zijn dierbaar in Zijn oog. Dan is dit de vast­heid van de Kerk, dat het water nooit hoger rijst dan dat de Ko­ning van de Kerk toe zal staan.

Dan weten we ook uit Openbaring, dat er niet alleen bange tijden geweest zijn voor de Kerk, maar dat er ook nog zeer bange tijden aan zullen breken. Maar dan moeten we goed zien wat de Schrift er over schrijft.

We lezen dat zo schoon in Openbarin­g 12, daar wordt de Kerk voorgesteld als een vrouw, een vrouw die het jongske gebaard heeft, daar is de Kerk, die Jezus Christus heeft voortgebracht. Dan lezen we in Openba­ring 12 van die vijandschap van de satan, de draak die dat Kind verslinden zou. Maar dan lezen we ook van de overwin­ning: het Kind werd weg­gerukt tot God en Zijn troon.

Dan lezen we ook dat de satan des te meer vergrimde op de vrouw, vergrimde op de levende Kerk, ver­grimde op de overigen van haar zaad. Misschien vraagt u: hoor ik daar ook bij? Dan staat er: "die de geboden Gods bewaren en de getui­genis van Jezus Christus hebben". Dat is de Chris­telijke Kerk, waar Jezus Christus Zich over bewijst het Hoofd te zijn. Die Hij met Zijn macht tegen alle vijan­den beschut en bewaart.

 

Laat ik het heel kort mogen zeggen, dan houden we het maar bij die twee vragen en bij die twee antwoor­den. Als hier gezegd wordt dat Christus daar­om ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelven be­wij­ze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door Wien de Vader alle dingen regeert. Dan betekent het feit dat Hij Hoofd is juist, dat Hij een ge­weldi­ge macht, een geweldi­ge kracht heeft.

We lezen ook elders, dat Jezus Chris­tus het Hoofd is van de vrouw. Dat de gemeente ook is Bruid van Christus en dat Chris­tus ook is de Man, het Hoofd. Pau­lus heeft gezegd met het oog op het huwe­lijk: "Deze verbor­genheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeen­te" (Ef.5:32).

W­anneer er liefde is, liefde tussen twee gevallen mensen op aarde, dan weten we dat als de vrouw aangevallen zal worden, als een ander de vrouw kwaad zou willen doen, dat de man zich dood zou vechten voor zijn vrouw.

Als hier dan staat dat Christus Zichzelf bewijst als het Hoofd van Zijn Christelijke Kerk, dan wil ik u vragen: Hebt u deel aan Chris­tus? Hij heeft Zijn leven gegeven ­voor de Bruidskerk op Golgótha, om haar te reinigen van al haar zonden en schuld. Om haar te vervullen met Zijn Geest.

Wat dacht u van die Man, van die Bruidegom, Die Zich bewijst als het Hoofd van Zijn Christelijke Kerk, Zijn Bruidskerk, die Hij met Zijn macht tegen alle vijan­den beschut en bewaart?

Als in de natuur een man zich dood zou vechten als zijn vrouw in gevaar zou zijn, wat mag de gemeen­te dan wel van haar Heere Christus verwachten als haar Hoo­fd? Dan is het ook een schrif­tuurlijk beeld van de vrouw die zwak is, de vrouw die hulp nodig heeft, de vrouw die bescherming nodig heeft, de vrouw die troost en veel liefde nodig heeft.

En dat is de realiteit: Jezus Christus heeft een Bruid, die Hij ge­kocht heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dier­baar bloed. Denk dan eens aan dat beeld en aan het woord dat Jezus Christus ge­zegd heeft van Zijn geliefde Bruids­kerk: "En niemand zal ze uit Mijn hand rukken".

Dan gaat het over een stukje zekerheid. Een stukje zekerheid, niet alleen ten aanzien van de zalig­heid, maar dan gaat het ook om een stukje zeker­heid in dìt leven. Dat ons bloed, onze tranen en ons lijden dier­baar zijn in de ogen van de Heere Jezus Christus. Ons kan veel overkomen, maar ons zal nooit méér over­ko­men, dan God in Christus toe zal laten over onze le­vens.

En is het nu ook nog te omschrijven hoeveel of Hij wel toe zal laten en hoeveel of Hij nìet toe zal laten in ons leven? Is daar nu ook nog een om­schrijving van te geven, gemeente? Ik denk het wel! Hij zal alles toela­ten, alles, wat tot geestelijk nut is van Zijn Kerk. Alles wat de Bruidskerk meer en meer zal reini­gen, wat de Bruids­kerk­ meer en meer zal heiligen, maar ook wat de liefde zal ver­meer­deren in Zijn gelief­de Bruid.

Dan lezen we speciaal in Openbaring van véél ver­druk­king. Het zal zo nodig zijn, geliefde gemeente. Ver­drukking, ja veel verdrukking! Want in tijden van voorspoed kunnen we Hem wel mis­sen, dan mag Hij de hemel wel houden, als wij de aarde maar mogen heb­ben.

Openbaring, daar lezen we een klein beetje wat er beslo­ten is over de levende Kerk: veel verdrukking. Maar ook in die bange tijd, in die tijd vol nood, zal nie­mand ze uit Zijn hand kunnen rukken. Maar dan zal er iets nieuws geboren worden in die verdrukking, iets wat de voorspoed niet leert, namelijk: liefde, verlangen, uit­zien. Dat het Hoofd van de Christelijke Kerk ook een­maal de Man zal zijn van de Vrouw die Hij gekocht heeft.

Dan is dit het nut, waarom de Heere Jezus de verdruk­king toe zal laten in de Kerk, omdat er iets nieuws gebo­ren zal worden. Omdat de Bruid meer en meer ver­vuld zal worden met de Geest, met de Heilige Geest, als de Geest van liefde, maar ook als de Geest van ver­lan­gen.

Dan zal de Bruid voorgefluisterd worden door de Heili­ge Geest: toe kind, zeg het maar. "En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! Ja, kom, Heere Jezus!" Kom haastiglijk (Openb.22:17,20). Dat zal de nood moeten leren, geliefde gemeente. We zien het in Open­ba­ring beschreven, in de angsten der tijden. Zo zal het de Kerk aan niets ontbreken, want alle dingen zullen mede­werken ten goede, dengenen, die God liefhebben, die Jezus Christus liefhebben.

Alle dingen zullen medewerken: Verdrukking, be­nauwd­heid, honger, het zwaard of naaktheid. Want niets zal ons scheiden van de liefde van Christus, het zal onze liefde ver­meerderen, we zullen gaan uitzien, we zullen gaan ver­langen. De Geest, Die het voorbidt, zal de Kerk verwaardigen om het na te bidden: Ja kom, Heere Jezus kom haastiglijk!

"En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet". "En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij. Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus!" (Openb.22:17,10,20). AMEN.