Zondag 19. Vraag en antwoord 52

                                         ZONDAG 19

                                    Vraag en antwoord 52

 

        Psalm      74 : 17,18

        Psalm      61 : 7

        Psalm      98 : 3,4

        Avondz.        : 4,5

        Psalm        9 : 8,9

        Openb.      1 : 1-19

 

Onze tekstwoorden voor vanavond, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Openbaring 1 : 7 - 8

 

Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslach­ten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.

Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Al­machtige.

 

Vraag en antwoord 52 van de Heidelbergse Catechismus

 

52. Vr. Wat troost u de wederkomst van Christus om te oorde­len de levenden en de doden?

Antw. Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwacht, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

 

Vanavond gaat het dus over de wederkomst, geliefde gemeente. Ditmaal een zeer ernstig onderwerp: de weder­komst van de Heere Christus.

We zullen dit gaan behandelen aan de hand van de volgende punten:

 

      1. Hoe de Kerk ver­wacht.

      2. Wie de Kerk ver­wacht.

      3. Wat de Kerk ver­wacht.

 

We vragen ons af, of de verwachting van de wederkomst van de Heere Chri­stus wel een levende zaak is.

Als we dat lezen in de catechismus niet alleen, maar ook in de Openbaring van Johan­nes, waar hij schrijft: "Ik ben de Alfa en de Omé­ga, het Begin en het Einde, zegt de Heere", dan zeggen we: wat dierbaar, dat Hij de Alfa en de Oméga is, niet­waar?

En als we daarna lezen: "Die is, en Die was, en Die komen zal", dan zeggen we misschien: wat zalig dat Christus de gezegende Zoon van God ìs, Die ook was. Wat zalig dat Hij niet alleen was tijdens Zijn omwande­ling op aarde, maar dat Hij ook nu nog is. Maar dan staat er ook bij: "Die komen zal".

Hebt u uw ogen niet uitgewreven, of bent u al zo gewend aan de taal van de catechismus, als er staat: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de leven­den en de doden? Is dat ook wer­kelijk een troost voor ons, dat Christus wederko­men zal, om te oordelen de leven­den en de doden? Dit is een confronta­tie gemeen­te, een con­fron­tatie met de wederkomst van Christus. Hoe is onze ziel eigenlijk ge­steld ten aanzien van die dier­bare Zalig­maker?

Wat troost u de wederkomst van Christus? Ursinus en Olevianus hebben gevraagd: Wat troost het u? En zij zelf heb­ben daar ook een antwoord op gehad.

Als we deze catechismus leggen naast artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dan kon ook Guido de Brès daar spreken van troost. Als hij spreekt over de wederkomst van de Heere Christus, dan kan hij zeg­gen: Daarom ver­wachten wij dien groten dag met een groot verlangen.

Wat troost u de wederkomst van Christus om te oorde­len de leven­den en de doden? We hebben het gelezen in Openbaring, dat Jezus wederkomen zal en dat "alle oog Hem zal zien, ook degenen, die Hem door­stoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen".

Het gaat er om dat de christelijke gemeente niet gelijk zou moeten zijn, als in de dagen van Petrus, toen men de weder­komst loochende en gezegd heeft: "Waar blijft Zijn dag?" Het is al zo dikwijls gezegd, dat Jezus we­derkomen zal. Jezus heeft Zèlf gezegd, dat Hij weder­komt. En we lezen ook in Openba­ring 22: "Verze­gel de woorden der profetie dezes boeks niet" (Openb.22:10). Dat wil zeg­gen, dat er ook over die laatste dingen gepreekt moet worden en zelfs regelmatig gepreekt moet wor­den.

"Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij". Jezus heeft niet alleen gezegd: "Zie, Ik kom", maar Hij heeft ook gezegd: "En ziet, Ik kom haastig­lijk". En het geloof heeft het nagezegd: "Ja, kom, Heere Jezus!" Kom haastiglijk.

 

Wat het leerstuk betreft over het hoe van de weder­komst, daarvan heeft de Heere Jezus duidelijk geleerd dat Hij zichtbaar weder­komt. We lezen dat al direkt, wanneer de discipelen Jezus begeleid hebben bij Zijn hemel­vaart, dat zij dan aangesproken worden door "twee mannen, in witte kleding. Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenva­ren" (Hand.­1:10-11).

We staan voor een ontzaglijk feit, gemeente. Hetzij dat onze harten verbonden zijn met liefdeban­den aan de Heere Jezus Christus, hetzij dat wij vijan­den van Jezus Christus zijn. We staan voor een ont­zaglijk feit en dan bedoel ik dit: wij zijn geen aan­schouwers ge­weest van Zijn geboorte, wij zijn geen aanschouwers geweest, letterlijk, van Zijn lijden, wij zijn geen aan­schouwers geweest, letterlijk, van de hemelvaart van de Heere Christus. Maar dan zal er een zaak gebeuren, die wij allen zullen zien, we zullen er allemaal bij zijn. We zullen eerst uit de doden opgewekt worden en dan zal Jezus komen, opdat alle oog Hem zal zien: "Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook dege­nen, die Hem doorstoken heb­ben; en alle geslach­ten der aarde zullen over Hem rouw bedrij­ven". Wat troost u dat?

Och, het is geen wonder, als het gaat over de wederkomst van Christus dat er alleen in ter­men van troost gedacht kan worden, als er veel levende liefde aanwezig is in het hart.

Wat troost u de wederkomst van Christus? Ik denk dat u het wel weet, maar het is mis­schien nuttig om het nog een keer te zeggen, dat alle doden eenmaal op zullen staan in de jongste dag. Artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en Openbaring 20 zeggen hoe dat zal zijn: dan zullen de boeken geopend wor­den. En met dat geopend worden van de boeken wordt bedoeld, zo staat het in artikel 37 van de Neder­landse Geloofs­belijdenis, dat de consciëntiën zullen opengaan.

Dan zal het ter­stond beslist zijn, in het hart en in het geweten al, wie wij zijn. Dan zal er terstond de aller­groot­ste blijd­schap zijn wanneer we Christus Jezus toebe­horen òf er zal terstond de aller­grootste smart zijn, zoals er nog nooit geweest is in deze wereld, wanneer we Chris­tus niet toebe­horen. Dan zullen de boeken geo­pend worden, dan zal het geweten opengaan, dan zal het hart gaan spreken.

Dan zal er ook een groot verschil zijn tussen de scha­pen en de bokken, zoals de Heere Jezus Zelf in een gelijkenis ge­sproken heeft (Matt.25:31-33). De ene schare zal bidden: "Ja, kom, Heere Jezus, kom haastig­lijk!", en de andere schare zal bidden "tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit" (Openb­.6:16).

Dan zullen alle mensen hun koning gelijkvor­mig zijn. Die het kwade gedaan hebben, we zullen maar niet buiten de oevers van de heilige Schrift treden, maar laat het ons mogen zeggen met de woor­den van de Schrift dat is al huivering­wekkend genoeg: die het kwade gedaan hebben, "Zullen ontwaken, tot versmaad­heden, en tot eeuwige afgrijzing" (Dan.12:2).

Maar dan zullen allen die Christus toebeho­ren verheer­lijkt worden, zij zullen de verheerlijkte Christus ge­lijk­vormig wezen. Daarvan heeft de apostel ook ge­sproken: "En het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, maar wij zullen Hem gelijk wezen" (1 Joh.­3:2).

En dan zal Jezus verschijnen op de wolken des hemels, "dan zal alle oog Hem zien, ook degenen, die Hem door­stoken hebben". Ook degenen, die Hem liefhebben. Maar het zal een vreselijke dag zijn voor de goddeloze. De gedachte zelfs, zegt Guido de Brès: de gedachtenis van dit oordeel is met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de bozen en goddelozen. Maar hij heeft er bij geschreven: De gedachtenis van dit oordeel is zeer wenselijk en troostelijk voor de vromen en uitverkore­nen (NGB art.37). Daarom verwach­ten zij die dag met grote blijd­schap.

Wie was Guido de Brès eigenlijk? Hij was een man die verdrukt en vervolgd werd. Een man die bele­ving had van alles, wat geschreven staat in het boek Openba­ring: van bittere vervolging en van bittere vijand­schap. Guido de Brès heeft zelfs zijn leven moeten geven, vanwe­ge het getuigenis van de Heere Jezus Christus.

Daarvan vind ik ook iets terug in het antwoord op onze vraag: Wat troost u de wederkomst van Chris­tus om te oorde­len de levenden en de doden? Dat ik in alle droefenis en vervol­ging met opgerichten hoofde even Den­zelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods ge­richt ge­steld en al den vloek van mij wegge­nomen heeft, tot een Rechter uit den hemel ver­wacht. Dan krijgt de Kerk daar onderwijs van Olevianus en Ursi­nus, hoe zij de komst van de Heere Christus zullen ver­wachten temidden van de tekenen der tijden, temid­den van de grote afval, van de grote beproeving en ook van de vervolging.

Want Paulus heeft toch reeds aan Timótheüs geschre­ven: "Allen, die godza­liglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen ver­volgd worden" (2 Tim.3:12). Dat geldt ook voor onze tijd. En dat de Kerk zo weinig ver­volgd wordt, dat er zo'n ge­brek is aan ver­vol­ging, dat komt naar mijn me­ning, omdat er zo'n ge­brek is aan vreze Gods. In de regel is onze vreze Gods niet groot genoeg meer om de erger­nis van de wereld op te wekken.

Als er dan ergens een hard oordeel in besloten ligt, dan ligt dat wel in het feit, dat de Kerk meer wereld­ge­lijkvormig is, dan wereld­vreemd. Zo­doende is er niet zoveel droefenis en niet zoveel vervol­ging voor die Kerk, die zo laag bij de grond leeft.

Maar wanneer we verwaardigd worden om meer vreze Gods aan de dag te leggen, in ons dagelijks leven op school, in de fabriek, of op kantoor, dan zullen we de vervol­ging wel tegenkomen. Ik ga er nu niet verder op in, maar daar zou nog veel meer van te zeggen zijn. Want als je een beetje christen bent, dan wordt je al aar­dig uitgeslo­ten, nog niet uit de gehele maatschap­pij, maar laten we toch maar zeggen, wèl uit het bete­re laagje, wat ons beroep betreft, wat het werk betreft en al die dingen meer.

Wat troost u de wederkomst van Christus om te oorde­len de leven­den en de doden? Kijk, dan zegt de cate­chis­mus eigenlijk hetzelfde wat Petrus ook zegt. Wan­neer we dan een beetje vervolgd worden in deze we­reld, dan zegt de heilige apostel: "Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende" (1 Petr.3:17).

En als de catechismus ons leert dat ik in alle droefe­nis met opge­richten hoofde even Denzelfde verwacht... Dan wijst de catechismus ons terug naar dierbare woorden, die de Zaligmaker Zelf ge­sproken heeft in Lukas 21 vers 28: "Als nu deze dingen beginnen te ge­schieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is". Dan is er een situatie te ver­wach­ten in het leven, het boek Openbarin­g licht ons daar­over in, van beproeving en van ver­druk­king, waardoor de Kerk zal moeten rijpen om de weder­komst van Christus te leren verwachten.

Dat heeft de Heere Christus gezegd en dat geldt voor de ge­schiede­nisperioden wanneer de vervol­gingen hevig zullen zijn, maar dat heeft de Heere Christus ook gezegd voor het persoonlijke leven, wan­neer één van Zijn kinderen lijdt, dat wij ons hoof­d op­waarts zouden heffen, dat we het met een opge­richt hoofd zouden dragen. De Heere Jezus heeft gezegd: "Als nu deze dingen beginnen te geschieden", wanneer alles zich toe gaat spitsen in de wereld, wanneer alles zich misschien toe gaat spitsen in ons per­soonlijk leven: "zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlos­sing nabij is".

Wat troost u de wederkomst van de Heere Christus? Waarom moet een christen vaak het hoofd buigen, geliefde gemeente? Waarom zouden we naar de grond moeten kijken, waarom zouden we met recht het hoofd moeten buigen? Dat zou eigenlijk moeten zijn, vanwege de zonde en schuld en vanwege het onge­loof. Maar in de verwachting van de weder­komst van Christus, mag het geloof het hoofd opheffen. Dan zingen we in die Psalm: "Wij ste­ken 't hoofd omhoog, en zullen 'd eerkroon dragen" (Ps.89:8 ber.).

Mij is bekend van een predikant die reeds jaren in het ambt stond, dat hij die Psalm nog nooit had laten zingen. Hij was al zeker 15 jaar predikant, pas toen leerde hij die volgende regels: "Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen". Toen pas kreeg hij vrij­moedig­heid om dat te zingen.

Als het nu gaat over de wederkomst van de Heere Christus: Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even Denzelfde verwacht..

.

      Het duurt niet lang meer,

      tot de tijd van Chris­tus aan zal breken,

      en Hij in grote heer­lijkheid,

      het oordeel uit zal spre­ken.

      Dan komt het lachen duur te staan.

      Als alles zal door vuur vergaan.

      Naar Petrus heeft geschreven.

 

Ik meen dat we het een poosje terug nog gelezen hebben: "Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn" (Jes.29:20). Wan­neer we dan Schriftgelovige en Christgelovige  chri­stenen mogen zijn, dan is er inderdaad een gewel­dige troost.

Wat troost u de wederkomst van Christus? Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgericht hoofd even Denzelfde verwacht. Ik weet het wel, dat er zo'n angst kan zijn als we naar binnen kijken en we denken aan de wederkomst van de Heere Jezus Chris­tus.

Maar er moet nu een vraag beantwoord worden: kennen wij de Heere Jezus Christus? Kennen wij Hem al? Want dan vind ik dit een van de mooiste antwoor­den van de catechismus. Er wordt hier niet geant­woord: Dat ik in alle droefenis en vervolging met opge­richten hoofde de Heere Jezus verwacht. Er wordt hier niet gezegd dat ik Christus verwacht, nee, de Heere Jezus wordt hier niet bij Zijn naam ge­noemd. Maar Hij wordt hier genoemd in de catechis­mus, juist met dìe dingen waar­door Hij zo onuitspreke­lijk geliefd gewor­den is bij arme zondaren. Daarom kan het, dat ik in alle droefenis en vervol­ging met opgericht hoofd even Denzelfde, Die Zich tevo­ren om mijnent­wil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij wegge­nomen heeft, tot een Rechter uit de hemel ver­wacht. Hebt u geproefd wat hier staat?

 

Als ik het houd bij Ursinus en Olevia­nus, dan kennen zij dus Denge­ne Die komen zal om te oorde­len de le­ven­den en de doden. Die kennen zij niet slechts als de Heere Jezus Christus, Die hebben zij ook leren kennen als Richter en als Rech­ter.

Dat zij de Heere Jezus hebben leren kennen, als even Denzelfde, Die Zich tevoren om hunnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van hen weggeno­men heeft, dat bete­kent dus dat zij reeds eerder voor de Rechter verschij­nen moesten, gemeente. Het zal voor Ursinus en voor Olevia­nus niet de eerste keer zijn, dat zij deze Rechter ontmoeten.

Als we deze tekst goed lezen, dan houdt dat ei­genlijk in: 'ik heb er al eens voor gestaan', voor die groene tafel, (u begrijpt dat dit beeldspraak is), voor die rechterstoel. En wie een­maal in dat ge­richt is geweest en daar met geloof op terug mag zien, die hoeft voor de tweede keer niet te vrezen. Maar zit daar misschien de zere plek in ons leven? Dat we Hem zo weinig als even Denzelf­de kennen en herken­nen, omdat we zo weinig kennis aan Jezus Christus heb­ben?

U begrijpt toch wel, wat het antwoord inhoudt? Dat zegt dat ik niet bevreesd behoef te zijn voor Den­zelf­de, Die Zich tevoren om mij­nentwil voor Gods ge­richt gesteld en al de vloek van mij weggeno­men heeft, om Hem tot een Rechter uit de hemel te ver­wachten.

Weet u waar het dan om gaat? Toen arme zonda­ren in het gericht gekomen zijn voor God de Vader in hun schuld, in hun verwerpe­lijkheid en in hun verdoemelijkheid, toen hebben zij Jezus Chri­s­tus leren kennen als hun Voor­spraak. Om het in aardse termen te zeggen: als hun Advocaat, op Wiens verdien­ste zij zijn vrijgespro­ken.

Maar nu moet u even heel goed opletten, wanneer Jezus Christus wederkomt, dan komt Hij niet als Voor­spreker en als Advocaat maar dan komt Hij als Rechter, Die eenmaal mijn Pleitbezorger is geweest. Is dat u duide­lijk? Dat we Jezus Christus in dit leven leren kennen als Borg, Middelaar en Voorspraak, maar dat Hij in het gericht geen Borg, Middelaar en Voorspraak zal zijn, maar Rechter. Daarom ligt de zaak zo eeuwig zeker, zo eeuwig vast.

Wanneer dan de vraag gesteld wordt: wie is uw Rech­ter? Wie zal uw Rechter zijn, wie zal uw leven eenmaal bekijken, wie zal uw daden eenmaal doorzoeken? Even Denzelfde, Die Zich tevoren om mij­nent­wil voor Gods gericht gesteld heeft en al de vloek van mij weggeno­men heeft. Dan zal dat Lam Gods, Dat de zonde der wereld weg­draagt, de Rechter zijn. Dat Lam Gods zal Rechter zijn van hemel en aarde. Wat is het dan van groot belang voor de eeuwig­heid of wij Hem reeds ken­nen.

Wat troost u de wederkomst van Christus om te oorde­len de leven­den en de doden? Het zal huiveringwek­kend zijn wanneer de Rech­ter ons vreemd zal zijn in die oordeelsdag, wanneer we Hem dan voor het eerst zullen zien. Wat zal dat vrese­lijk zijn, wat zal dat vreselijk zijn, o goddeloze sidder, wanneer dat de eerste kennisma­king zal zijn! Maar wat zal dat zalig zijn, wat zal dat zalig zijn als we dan kunnen zeggen: ja, ik ken Hem! Ik heb Hem al eens eerder meegemaakt en toen heeft Hij Zichzel­f om mijnentwil voor Gods gericht gesteld.

En wat nog meer? Is Christus alleen mijn Advocaat geweest? Heeft Hij gepleit, zoals een aardse advocaat pleit, door goed-te-praten? Nee, Hij heeft àl de vloek van mij weggenomen, en dan zou ik haast zeggen, laten we hier maar lezen: Hij heeft alle vloek van mij over­genomen. Die, even Denzelfde, Die verwacht ik als een Rechter uit de hemel, Die al Zijn en mijn vijan­den in de eeuwige verdoeme­nis werpen zal, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

Is dit niet een beetje een overdreven triomf? Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkoren tot Zich in de hemelse blijdschap en heer­lijkheid nemen zal. Is dat niet een beetje geestelijk hoogmoedig opge­steld? Als we het omdraaien wel. Als we zouden lezen: al mijn en Zijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen zal. Maar let er wel op, dat de zaak van Chris­tus voorop gaat: al Zijn en mijn vijan­den.

Dan gaat het er om wat we ook in de Psalmen lezen: "Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?" (Ps.139:21). Al Zijn en mijn vijan­den, dat wil niet zeggen, dat mijn zaak Christus' zaak geworden is. O neen, maar dat Christus' zaak mìjn zaak geworden is. Al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoeme­nis werpen en mij met alle uitver­korenen tot Zich in de hemelse blijd­schap en heerlijkheid nemen.

Is dat een soort vriendjespolitiek? Neen, wat is dat dan? Men heeft tot Jezus gezegd: "Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U" (Mark.3:32). En wat heeft de Heere Jezus toen gezegd? "Zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moe­der" (Mark.3:35). Dat is bekering, geliefde ge­meente, wan­neer dat ook doorwerkt in onze levens. Dat we Jezus na gaan zeggen: En dit is mijn zuster en dit is mijn broeder, die de wil mijns Vaders doet.

Zo heeft de Kerk een heerlijke verwachting: Hij zal al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis wer­pen. Is dat een hard oor­deel? Mag je dat zomaar uit­spreken tegen elkaar? Ik geloof niet, dat je dat altijd zeggen mag. Maar ik geloof wel, wanneer Christus' zaak de onze wordt, dat we eerlijk toe gaan stemmen in die eeuwige verdoe­menis voor onszelf, maar ook voor een ander. Dan geloof ik werke­lijk dat we, door beke­rende genade, God gelijk gaan geven, niet alleen in ons eigen leven, maar ook in de levens van anderen. Dan lees ik ook dat David zegt: "Sta op, o God! twist Uw twist­zaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze weder­vaart den ganse dag. Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier derge­nen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op" (Ps.74:22-23).

Dan is er in deze wereld iets in de zaak van de Heere Jezus Chris­tus, in het Rechter-zijn van hemel en aar­de, waardoor God Zijn kinderen aan Zijn zijde schaart. Dan zal het ook zo zijn, dat we daar bekwaam voor zullen zijn, voor dat wat Jezus Christus Zelf gezegd heeft: dat de heiligen de wereld zullen oordelen. Bij God vandaan, zal het uit zijn met de bespot­ter, dan zal de tiran een einde hebben. Maar wan­neer Gods kinde­ren dan ook zo nauw met God Zelf verenigd zullen zijn in Christus, dan zal het van hun kant ook uit zijn met de bespot­ter en dan zal de tiran een einde hebben.

Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoeme­nis werpen zal, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal. Is dat niet hoogmoedig? Er staat hier uitver­kore­nen, dat is geen hoogmoedig woord, geliefde gemeente, dat is het allernederigste woord wat er bestaat. Als hier stond: bekeerde mensen, misschien konden we dan nog op ons eigen hart wijzen. Als hier stond: al dengenen die Jezus liefhebben of al dengenen die de Vader liefheb­ben, moge­lijk dat er dan nog enige zondige, goddeloze hoogmoed in ons zou zijn.

Maar wanneer we dat woord­je uitverkorenen recht leren, dan is dat zo'n vernede­rend woord. Mij en alle uitver­korenen, dat wijst alles van onszelf af, opdat niemand roeme. Dat woord legt de eeuwige zalig­heid geheel terug in God. Niet in de eerste plaats in Chris­tus, de verdienende Oorzaak, maar in God de Vader, de verkiezende Oor­zaak, opdat niemand roeme.

Wanneer je dat woordje uitverkorenen mag leren spel­len door gena­de, dan valt zelfs de bevinding weg, dan valt zelfs het geloof weg. Hoewel God alles uitwerkt in een weg van geloof en in een weg van bevinding, maar dan komt de vastheid te liggen in mijn God Zèlf en in Zijn verkiezende liefde. Dat Hìj het geweest is, Die uit de stilte der eeuwigheid, Zichzelf mensen verkoren heeft ten eeuwi­gen leven. Nee, dan is alle hoogmoed ons vreemd!

En als we nu nog eens vragen: Wat troost u de weder­komst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Dan zouden we ook kunnen vragen: verlangt u er naar? Ziet u er naar uit? Want als het  echt een troos­tstuk is, dan zien we er toch ook naar uit, dat het komen zal. Wanneer het werkelijk een troost­stuk is, dan bidt de Geest met de Bruid: Ja, doe het, Heere! Doe het haastiglijk. Ja, kom, Heere Jezus, kom haastig­lijk!

Laten we nog eens proberen op de vraag in te gaan, waarom het zolang duurt voordat Jezus weder­komt. Dan moeten we zeggen dat er veel schuld ligt bij de Kerk. De Kerk is een wijze, dwaze maagd. Ze ver­wacht haar Christus niet in liefde. Zij heeft wel olie in de kruik, maar zij slaapt. Alles wat God doet in Zijn welbeha­gen, doet Hij in de weg van het gebed. Waar klinkt dat gebed van Openbaring 22: "En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! Ja, kom Heere Jezus!" Kom haas­tig­lijk.

Och waarom, waarom vertoeft Hij te komen? Als we het beschou­wen vanuit de Heere Jezus Christus en we zouden vragen: Heere, waarom komt Gij nog niet? Mis­schien mag ik het dan met alle ernst zo zeggen: Jezus heeft nog geduld met de goddeloze. Zo beschrijft Petrus het in zijn brief: "De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen" (2 Petr.­3:9). Jezus weet hoe­velen Hij zal moeten verwijzen naar de eeuwige ramp­zaligheid als Hij wederkomt.

O goddelozen in ons midden, gij die vreemd aan Chris­tus zijt, laat ik het dan met eerbied gesproken zo mogen zeggen, ik zeg het in menselijke taal: Hij aarzelt nog, want Hij wil ùw ziel nog zo graag gena­dig zijn. Maar eenmaal zal Zijn geduld òp zijn, want het getier van de lieden die tegen Hem opstaan, klimt gedu­riglijk op.

Dat Jezus nog niet gekomen is en dat de Kerk zo weinig bidt, dat is aan onze kant gebrek aan liefde, maar aan de kant van Jezus is het juist nog zondaars­liefde dat Hij vertoeft te komen. Hij weet dat gij nog niet bereid zijt en Hij vraagt nog bekering en Hij geeft u nog de tijd tot bekering. "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid" (Hebr.13:8). Jezus wil alles gedaan hebben aan uw ziel, wat er ook maar aan uw ziel te doen is.

Maar de ernst, die ik u wil meegeven, dat is dat eenmaal de maat van genade vol zal zijn, dan zal het uìt zijn. Dan zal ook de maat van onze zonde vol zijn. Dan zal Jezus zeggen: nu zal het met die be­spot­ter gedaan zijn, nu zal het met die man, met die vrou­w, met dat kind uìt zijn. Want Jezus Christus verlangt ook als Bruide­gom naar Zijn Bruid.

Maar waar wacht Hij nog meer op? Hij wacht tot de Bruid ook meer en meer in liefde gereed zal zijn. Maar nu slaapt Zijn volk nog, Zijn Bruidskerk slaapt naast de dwaze maagden. Maar een­maal zal zij op­staan, dan zal Hij Zelf de liefde op­wekken en wakker maken. En dan zal de Geest het voorbidden, dan zal de Kerk het nabid­den: "Ja, kom, Heere Jezus! Kom haastiglijk".

Maar het lijkt wel of het dan pas zover zal komen door harde lessen, in beproeving, misschien in vervolging en in doodsnood. Over de wederkomst denken we mees­tal in relatie tot Jezus Chris­tus, maar het gaat ook om God de Vader in de weder­komst. Om de Vader, Die ook uitziet naar Zijn uitverko­renen, die het hier in de wereld nog zo best naar hun zin hebben, bij de zwij­nen­trog van deze wereld. Hij ziet uit als de Vader naar Zijn verloren zonen en verlo­ren doch­ters. Het gaat alles om Zijn werk, dat Hij begonnen is in Genesis 1 in de hof en dat Hij voleindi­gen zal in de Godsstad van Open­baring 22.

Wat moest er een verlangen zijn, een verlangen en een zuchten van de Kerk: "Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht. Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kin­deren Gods" (Rom.8:22,21), dat is het werk van Chris­tus. Niet in de eerste plaats òns ten goede, al lijkt het zo.

 

Het werk van Christus is in de eerste plaats werk aan Zijn Vader, dat Hij die zuchten­de schepping en het zuch­tende schep­sel weder­brengt naar de verlan­gende Va­der. De drie­nige God, Die aan het begin staat van de wording aller din­gen, is ook de drie­nige God, Die aan het eind staat van de voltooiing aller din­gen.

Het gaat in de eerste plaats om de volzalig­heid van de drieënige God. Maar dat er ook een schare is, die eenmaal zalig zal worden tot in der eeu­wigheid, dat is een zalig uitvloeisel van de alles­om­vattende her­schepping. Die voltooid zal worden door de tweede komst van de Heere Jezus Christus in Zijn wederkomst, opdat Hij het alles zo volmaken zal, dat God zal zijn alles en in allen, in de herschepping.

Dan staat de mens niet in het middelpunt in het zalig­worden, dan staat de mens niet in het middel­punt in het volkomenworden van wat God in den beginne ge­scha­pen heeft. Maar God drieënig staat in het mid­del­punt.

En wanneer Hij dan in het middelpunt zal herstaan door herschep­ping, dàn vangt de eeuwigheid aan! Dan zal er niet meer gejammerd worden, dan zal er ook niet meer gezucht worden. Dan zal het vóórzuchten van de Heilige Geest in de uitverkorenen veranderd worden in vóórzingen. Dat zal vóórprijzen zijn en vóórpsalmen in de uit­ver­korenen. Om het lied van Mozes te zingen en van het Lam: "Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed".

Dan zal alle jammer afgelopen zijn, dan zal ook het zuchten voorbij zijn. Dan zal die schare, die uit de grote verdruk­king komt, zingen: "Ik dank U, HEE­RE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij" (Jes.12:1). "En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal verge­ving van ongerechtigheid heb­ben" (Jes.33:24).

In het middelpunt zal niet staan de gezaligde zondaar, maar de volzalige drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, te prijzen tot in der eeuwigheid. Dat zal dan ook het eeuwigheidswerk zijn, wan­neer de gezaligden ver­lost zullen zijn. Dan zal het alles opgelost zijn in de drie­nige God. Maar dan zullen we toch gebleven zijn, elk van Zijn kinderen, bijzonder en apart indivi­du om God te prij­zen. Maar we zullen ingezet zijn als paarlen in de Midde­laars­kroon, een gemeenschap ­rondom de troon van God en van Zijn heilige engelen.

Dan zullen er nog maar twee plaatsen over zijn, gelief­de gemeente: eeuwig buiten waar duis­ternis zal zijn en het is niet te zeggen hoe duister die duisternis zal zijn. Of eeuwig binnen in het eeuwige licht, het is niet te zeggen hoe licht of dat licht wel zal zijn. Er zullen maar twee plaatsen zijn: een plaats ter ere van God in het zalig worden èn een plaats ter ere van God, de plaats van de ramp­za­ligheid. Want niets zal er buiten vallen, buiten de eer van God. Maar waar zult gìj zijn in de eeuwigheid?

Zal God verheer­lijkt worden in de zaligheid van uw ziel en ook van uw lichaam in de herschepping, of zal God verheer­lijkt worden in uw rampzaligheid? Dat is een zeer belangrijke vraag, geliefde gemeente. Het konink­rijk van God gaat door, maar waar zult gij zijn? In het koninkrijk of buitengeworpen?

Tien maagden: vijf wijs en vijf dwaas. Tien lampen die brandden, doch slechts vijf kruiken gevuld. Vijf maag­den heb­ben wel het feestlicht gezien van buitenaf, toen ze geklopt hebben aan de deur: "Heer, heer, doe ons open!" (Matt.25:11), toen wilden ze wel en toen wilden ze wel graag, maar toen kon de deur niet meer open. Toen heeft Hij geantwoord: "Ik ken u niet" (Matt.25:12).

Vijf binnen in het licht, in de eeuwige aanwezigheid van God. Zalig, die de roep hoort, ook nu: "Ziet, de bruide­gom komt!" Zalig, wiens kruik met olie gevuld is!

Wie werden er gered, geliefde gemeente? Zìj werden gered, die ook gereed waren toen de Bruidegom kwam. Gereed en gered hoort bij elkaar. Het duurt niet lang meer, dan zal het blijken wie wij hebben toebe­hoord. Dan zal Christus wederkomen en dan zal Hij in grote heerlijkheid het oordeel uitspreken. Dan zal Hij Zijn schapen verga­deren ter rechterhand, Hij zal de bokken stellen ter linkerhand.

Zijt gij gereed, zo zult gij ook gered wezen. Maar zijt gij niet gereed als Christus komt, zo zult gij ook niet gered wezen.

Waar, o waar zult gij zijn in de eeuwigheid? AMEN.