Zondag 20. Vraag en antwoord 53

                      VAN GOD DEN HEILIGEN GEEST


                            EN ONZE HEILIGMAKING

                                         ZONDAG 20

                                    Vraag en antwoord 53

 

        Psalm      35 : 1

        Psalm      31 : 15

        Psalm      51 : 6,7

        G.d.H.           : 9

        Psalm    119 : 9

        Johannes       14 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons cate­chis­muson­derwijs, vindt u in Johannes 14 : 15 -17

 

Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.

En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Troos­ter geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid;

Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.

 

Voor vanavond zondag 20, vraag en antwoord 53, daar wordt ge­vraagd:

 

53. Vr. Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?

Antw. Eerstelijk dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten andere dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn welda­den deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwig­lijk blijve.

 

We beginnen nu aan een ander gedeelte van de catechismus, gelief­de gemeente: Van God den Heiligen Geest en onze heiligmaking. Het is merk­waardig dat er maar één zondag spreekt over de Heili­ge Geest. Ja, dat het zelfs maar één vraag en ant­woord is: Wat gelooft gij van den Heiligen Geest? Dan gaat in onze catechismus, even­als in de twaalf Arti­kelen, het stuk over de kennis van God de Heilige Geest vooraf aan de heils­weldaden.

Dat is misschien heel merkwaardig. Ik heb me er ook weleens in verdiept en me afgevraagd waarom die heilswelda­den van: de alge­mene Christelijke Kerk, de vergeving der zonden, de weder­opstan­ding des vleses en het eeuwige leven, waar­om die heilsweldaden niet genoemd worden bij dat gedeelte van de cate­chismus, waar gehandeld wordt over de Heere Jezus Christus.

Het valt op dat er dus eerst gesproken wordt over de Heilige Geest. Toch is het heel schriftuurlijk dat dit vooraf gaat. Want zo heeft de Heere Jezus het ook gezegd en zo hebben we het ook gelezen: "Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb" (Joh.14:26).

En op een andere plaats heeft de Heere Jezus Zelf gezegd van de Heilige Geest: "Hij zal van Zichzelven niet spreken, Hij zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen" (Joh.­16:13-14). En de Heere Jezus heeft ook gezegd: "En gij zult de waar­heid verstaan, en de waar­heid zal u vrij­maken" (Joh.8:32).

De kennis van God de Heilige Geest is dus heel belang­rijk. Het begint er mee, want er is geen geestelijk leven, geen begin zelfs van geeste­lijk leven, zon­der de Heilige Geest. Men zegt weleens en dat is een zeer juiste uitdrukking: Hij is de Eerste Die wer­kt, bedoeld wordt de eerste Per­soon van de drie­nige God en Hij is de Laatste Die gekend wordt als Persoon. De cate­chis­mus besteedt nu dus een zondag aan de Heili­ge Geest, naar aanlei­ding van de twaalf Arti­kelen des geloofs.

Dan wil ik nog even opmerken dat er in de twaalf Artikelen eigen­lijk weinig ge­zegd wordt. Er staat niet meer dan: Ik geloof in den Heili­gen Geest.

Het zal u mis­schien weleens opgevallen zijn dat de ge­loofsbe­lijde­nis van Nicéa uitgebreider spreekt. Daar wordt beleden: Ik geloof in den Heiligen Geest, Die Heere is en levend maakt, Die van den Vader en den Zoon uitgaat, Die tezamen met den Vader en den Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, Die gesproken heeft door de Profeten.

Zo is het ook met de belijdenis van Athanasius, ook deze spreekt uitvoeriger over God, den Heiligen Geest, dan onze twaalf Artike­len. Ik zeg u dat, opdat u het zelf ook eens na kunt zien, want daar zult u misschien nut van hebben.

In de meeste catechismusboekjes staat boven zondag 20: Van God den Heiligen Geest en onze heiligma­king. Dat wil dan meteen zeggen dat de cate­chismus nog niet in het stuk van de dankbaarheid gekomen is. Maar we zouden wel kunnen zeggen dat de catechismus reeds begint te neigen naar het stuk der dank­baarheid, wanneer het gaat over God den Heiligen Geest en onze heiligma­king.

Er is in de catechismus ook al gewezen op het ont­vangen van de Heilige Geest. Wij zijn het in vraag en antwoord 49 al tegengeko­men, dat de Heere Jezus Chris­tus Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Chris­tus is, zittende ter rechter­hand Gods, en niet wat op de aarde is.

Ditmaal gaat het dus over de Heilige Geest, en dan heb ik al gezegd gemeente, dat het heel merkwaardig is dat er maar één zondag, maar één vraag en maar één ant­woord gewijd is aan de Heilige Geest. Maar dan moe­ten we toch zien dat het werk van de Heilige Geest stra­ks nog vaker aan de orde komt in zondag 21, 23 en 25 en in het gehe­le stuk der dank­baarheid tot aan het woor­deke 'amen' toe.

Wat de Heilige Geest betreft, heeft de Heere Jezus het duidelijk uitgesproken tot de discipelen: "Ik ga heen om u plaats te bereiden. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven" (Joh.14:2,16).  Daardoor wor­den de discipelen onderricht in het Wezen van de Heilige Geest. "Hij zal u een anderen Troos­ter geven, opdat Hij bij u blijve in der eeu­wig­heid". Ik heb u dat hele hoofdstuk voorgele­zen, want wat geeft Jo­hannes 14 ons ontza­glijk veel heilig on­derwijs, ge­lief­de ge­meen­te. Waarin? In het wezen van de drie­ënige God: Vader, Zoon en Heilige Geest.

Het is vooral Johannes 14 waaruit we veel kunnen leren, als de Heilige Geest het toe­past aan het hart, Wie de Heilige Geest Zelf is. Dat Hij de derde Per­soon is van het Godde­lijk Wezen, Die van de Vader en de Zoon uitgaat, en Die gezonden wordt door de Vader en de Zoon om bij u te blijven, zegt de Heere Jezus, tot in der eeu­wigheid.

De Heilige Geest als Persoon, in Zijn Wezen. Er kan zoveel onkun­de zijn omtrent de Heilige Geest. We lezen zelfs in het Nieuwe Testament over mensen die tot geloof gekomen zijn, waaraan Paulus vraagt: "Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heiligen Geest is" (Hand.19:2).

Dat is heel merk­waar­dig, want als onze ogen geopend worden voor de Heilige Geest, dan lezen we daar toch immers al over in het Oude Testament. De Heilige Geest is geen ver­borgen zaak geweest, ook niet voor de oudtestamenti­sche Kerk. Ik wil slechts wijzen op David die zegt: "Neem Uw Heiligen Geest niet van mij" (Ps.­51:13), zoals wij ook gezongen hebben.

De Heilige Geest schijnt dus wel heel belangrijk te zijn, daar schi­jnt dus alles mee te staan of te vallen. Het schijnt dus wel het staan of het vallen te zijn in ons persoon­lijk leven. Ja, het schijnt zelfs wel het staan en het vallen te zijn van de gehele Kerk. Ik geloof ook dat dit zo is.

In dat opzicht is het zo geweldig mooi gerang­schikt in onze twaalf Artike­len des geloofs, dat er eerst gespro­ken wordt over de Heilige Geest en daarna komt dat artikel aan de orde over een heilige, algemene Christelijke Kerk. Want de Heilige Geest is het staan of vallen van het persoon­lijk leven, maar ook van de Kerk.

Dan wil ik niet moeilijk en niet duur doen, maar dat ligt eigenlijk al besloten in de naam van de Heilige Geest. De Heilige Geest wordt met veel namen aan­geduid in de Schrift. Die namen van de Heilige Geest zijn altijd functioneel. Er zijn zóveel namen voor de Heilige Geest, dat de kinderen op cate­chisatie weleens vragen of er ver­schil is in bijvoorbeeld de Geest des Vaders en de Geest des Zoons. Of in de Geest des oordeels en de Geest der genade en der gebeden. Het kan mis­schien wel nuttig zijn om er op te wijzen dat er maar één Geest is, namelijk de Heilige Geest.

Maar om ons te onderwijzen Wie die Geest is en wat Hij doet, heeft de Heere in Zijn wijs­heid die Heilige Geest vele namen gegeven. Zo wordt Hij op de ene plaats genoemd: de Geest des Vaders, op een andere plaats wordt Hij genoemd: Geest des Zoons. Daar ligt onder­wijs in besloten. Op een andere plaats wordt Hij Geest des levens genoemd. In Romeinen 8, heils­bevindelijk, wordt Hij ge­noemd: de Geest der aanneming tot kinde­ren.

Want laat Johan­nes 14 het Wezen van de Heilige Geest verkondi­gen, in Romeinen 8 wordt de Heilige Geest in Zijn toepassing, in Zijn werk getekend, zoals Paulus Hem mocht ervaren in zijn leven. Mochten wij daar toch geen vreemdeling van zijn!

De Heilige Geest draagt dus verschillende namen. En nu is er een verband tussen de naam van de Heili­ge Geest en de Kerk. De naam van de Heilige Geest geeft zeer nauw de relatie aan van de Heilige Geest tot de Kerk. Dat zeg ik niet om het moeilijk of ingewikkeld te ma­ken, maar de Kerk heet in het grieks 'ecclesia'. Dat betekent samenroeping, dat is de gemeenschap der heiligen, zoals het de volgende keer genoemd zal wor­den.

De gemeenschap der heiligen is de ecclesia, maar de essentie van die ecclesia ligt niet in de mens, maar in de Heilige Geest. De Heilige Geest is de paracle­sia. In sommige gezangen komen we die naam nog tegen voor de Heilige Geest, de Paracleet. Zo is de Kerk de eccle­sia en zij kan niet zonder de Para­clesia.

Zo is de Heilige Geest zeer belangrijk voor het geheel, maar ook voor het persoonlijke leven. De Heilige Geest, Hij is de Eerste Die werkt, al is Hij de Laatste Die gekend wordt in Zijn Wezen, als Persoon. Van­avond zullen we ons zoveel mogelijk beper­ken tot Wie Hij is.

Dan wil ik toch wel een paar dingen aanha­len uit de belij­denis van Nicéa, die daar uitge­breider over spre­e­kt­. Ik geloof in den Heiligen Geest, Die Heere is en levend maakt, Die van den Vader en den Zoon uitgaat, Die te za­men met den Vader en den Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, Die gesproken heeft door de Profe­ten.

De Heilige Geest is waarachtig God. Als iemand dat nog bewezen wil hebben uit de Schrift, dan lezen we van Petrus dat hij de Heilige Geest belijdt als God. In de geschie­denis van Ananías en Saffira zegt hij: "Gij hebt den men­sen niet gelo­gen, maar Gode" (Hand.­ 5:4), gij hebt tegen de Heilige Geest gelogen.

Het is heel belangrijk dat we de Heilige Geest niet tekort doen. Vooral in de belijdenis van Athanasius vinden we dat Hij van gelijke Godheid is, van gelijke eer en van gelijke eeuwige heerlijk­heid. Hij is ook Heere, Hij is ook almachtig. Er is veel kette­rij in dat opzicht, meest in de angelsaksische lan­den. Waar toch wel enige dwaling is ten aanzien van de Heilige Geest als Persoon.

Het is zeer belangrijk dat we de Heilige Geest belij­den, zoals het Apostolicum de Vader heeft beleden, de Zoon heeft beleden en nu de Heilige Geest belijdt: Ik geloof in den Heiligen Geest. Dan wordt er niet een kracht ge­loofd, dan wordt er niet een werking geloofd, maar het is analoog: Ik geloof de Vader, ik geloof de Zoon, ik geloof ook de Heilige Geest.

Dan zegt de belijdenis van Athanasius zelfs: En in deze Drieheid is niet eerst of laatst, niet meest of minst. Nicéa belijdt dat Hij Heere is en levend maakt. Daarmee schildert Nicéa de Heilige Geest in dezelfde kracht, in dezelfde God­heid als de Heere Jezus Christus, Die doden heeft opgewekt, Die óók Heere is en levend maakt.

Het gaat om de Heilige Geest gemeente, als de Heilige Geest niet het begin was, er zou ganselijk geen begin zijn in het geestelijk leven.

U weet misschien dat het woordje 'Geest' in het Oude Testament hetzelfde is als 'adem'. Zoals de Heere Adam geschapen heeft, geformeerd heeft naar Zijn beeld en Zijn gelijke­nis, en hem de adem ingeblazen heeft, zo is Adam geworden tot een levende adem. Dat was met eerbied gesproken door goddelijke mond-op-mond bea­deming. Zo is het ook in de herschep­ping, dan is de eerste aanra­king waar­door een zondaar levend gemaakt wordt, op een heilige manier gezegd, die goddelij­ke mond-op-mond beademing van de Heilige Geest, Die Heere is en levend maakt.

Het gaat om een ontzaglijk iets: Wat gelooft gij van den Heiligen Geest? Eerstelijk dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. Wan­neer het dan gaat over de levend­making, over het eerste begin van het geestelijk leven, dan is dat niet minder, dan dat God Zelf Zich verenigt met een zondaar in de Heilige Geest.

De catechismus zegt uitdrukkelijk: Dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. Dan houdt de Godheid van de Heilige Geest meteen Zijn eeuwigheid in.

Dan is dit het geweldige van de wedergeboorte, van die herschep­ping, dat wie door de Geest tot leven is gewekt, ook werkelijk deel krijgt aan het eeuwi­ge leven.

Adam, door God Zelf de adem ingebla­zen gekre­gen in de eerste schepping, is gestorven. Maar wie de adem van de Heilige Geest in zich krijgt, wordt eeuwig­heids­mens. Dat nieuwe leven is meteen eeu­wig leven.

Er wordt iets heel belangrijks gezegd in de catechis­mus. Eerstelijk dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten andere dat Hij ook mij gegeven is. Zijn wij al eeuwig­heids­mensen? Heeft God ù al de eeuwigheidsadem ingebla­zen?

 

Ten andere dat Hij ook mij gegeven is. Dit is een rechtstreekse vraag gemeente, naar het heil van uw ziel. Hebt ù de Heilige Geest ontvangen?

Ten andere dat Hij ook mij gegeven is. We zien in de catechismus dat dit voorop gaat. Wanneer ons die Geest nìet geschonken is, dan hoeven we ook nergens op te hopen. Dan is dat ook het staan of vallen van ons per­soonlijk leven, of ons die Geest gegeven is of niet.

Eerstelijk dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten andere dat Hij ook mij gegeven is. Dan volgt er een woordje 'opdat', en dat betekent dat er een verklaring gegeven wordt, waarom het zo nodig is om de Heilige Geest te ontvan­gen. Waarom het zo nodig is, om door die godde­lijke adem tot leven geroepen te zijn. Opdat Hij mij door een waar geloof Christus­ en al Zijn weldaden deelachtig make. Dan gaat het dus om dat, wat straks volgt in de cate­chis­mus, wat straks verder ver­klaard zal worden tot en met zondag 23. Totaal hangt dit af van de be­diening van de Heilige Geest.

Ten andere dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make. Dan gaat het over dat ware geloof. Wat zal ik daar over zeggen, ik heb zondag 7 reeds met u behandeld en str­aks krij­gen we zondag 23.

Wat zal ik dan deze keer zeggen over het ware geloof? Daar zal ik heel kort over zijn, maar ik geloof wel dat ik heel duidelijk kan zeggen wat het geloof is. Ik heb gezegd dat de Heilige Geest, die heilige Gods­adem in ons leven, als het ware een mond-op-mond beademing is. En wat is dan het ware geloof? Dat het inblazen Gods gevolgd wordt door het ademhalen van de levend­ge­maakte ziel, gemeente. Dat beeld zal u wel duidelijk zijn.

Het geloof, dat is: God ademt ons in en wij worden verwaardigd om uit te ademen.

Ten andere dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof... Het kan niet anders, het kan niet anders, het ware geloof is kenbaar. Laten we alstu­blieft niet doen aan veronder­stelde wederge­boorte, want er hoeft niets verondersteld te worden, het is ken­baar aan het geloof.

Dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make. Dan hoeft er niets verondersteld te worden, maar dan moeten we ons leven nakijken gemeente! Dan wil ik niet zeggen dat iedere wedergeboorte even duidelijk is en dat iedere wedergeboorte even kracht­dadig is. Maar we moeten niets veronder­stellen in onze levens, als onze levens geen vruchten dragen van geloof.

Ten andere dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make. Dan moeten we ons maar onderzoeken of we geloof hebben, of er ook uitade­ming is in onze levens, door dat ware geloof.

Wat is een waar geloof? Nou, dat is een levend geloof gemeen­te, waar de adem Gods in openbaar wordt. Ik zou haast zeggen, dat kun je proeven en sma­ken. Opdat Hij mij door een waar geloof, een ècht geloof, Christus en al Zijn welda­den deelachtig make.

Het geloof strekt zich ergens heen. Het geloof, dat zijn armen die grijpen in liefde, naar armen die door liefde gegrepen hebben. Geloof is ten diep­ste niets an­ders dan: "Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefge­had heeft" (1 Joh.4:19).

Dat woord geloof is ook zo schoon in de neder­land­se taal. Van die stamwoorden, die stamletters van geloven kun je ook gelieven, lieven, leven, loven en laven maken. Waar dat geloof is, daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.

Is er dan geen verachtering in de genade, dominee? Als de Heilige Geest ophoudt met Zijn ontdekkende werking in ons, inderdaad, dan houdt het leven op, zo kunnen we het wel zeggen. Maar niet ten dode. Want wat God levendgemaakt heeft, zal niet sterven. Maar leven en loven, geloof en liefde komt openbaar wanneer het functio­neert in onze levens.

Door een waar geloof Christus... Wat is een waar ge­loof? Dat is een geloof dat werkt, dat het doet. Een dood geloof, dat is een mens waar de adem uit is. Laat ik het in al zijn kiesheid mogen zeggen: dat is een lijk. Dat wil zeggen het 'lijkt' er wel op, maar het is het totaal niet meer.

Een waar geloof dat is geen uiterlijke zaak, maar dat ademt, dat beweegt, dat geeft warmte af, dat heeft een pols die klopt, dat heeft een hart dat slaat, ge­meente. Dat is geloof! Dat is waarlijk leven, dat is springlevend te zijn.

Opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelach­tig make. Dan staat er ook bij wat dat geloof, Wie dat geloof zoekt: Christus en al Zijn wel­daden. Eerst Chris­tus deelachtig en Daaruit al Zijn weldaden.

Ik zal al die weldaden niet op gaan noemen, maar het loopt van wedergeboorte, recht­vaardigma­king en heiligmaking tot heerlijkma­king toe.

Ik zal het niet op gaan sommen, wat dat allemaal in­houdt. Dat is trouwens hier de plaats van de cate­chis­mus niet, want dat wordt op verschil­lende plaatsen behandeld. Maar het komt er wel op neer dat het ware geloof werkzaam is met Christus en al Zijn welda­den. Dat is net als de liefde, daar krijg je nooit genoeg van, daar weet je nooit genoeg van. Liefde leeft, groeit en vermenig­vuldigt. Zo is het in het men­selij­ke leven al, het staat niet stil. Het wordt op den duur trouw tot in de dood. We zien het in Christus Jezus, Die Zijn Bruidskerk­ alzo lief heeft gehad, dat Hij Zich­zelf voor haar in de dood heeft gegeven.

Zo zijn ze er ook geweest, geoefend in het geloof, dat wil zeggen: geoefend in de liefde, die voor Christus Jezus hun leven gelaten heb­ben op de brandstapels.

Dat Hij ook mij gegeven is... Is het waar? Opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make. Geloof is niet lui, dat doet zijn talen­ten niet in een zweetdoek in de aarde, maar drijft er handel mee. Want het is niet alleen de Geest der gena­de, om nog maar eens een functionele naam voor de Heilige Geest te gebruiken. Maar waar de Geest der gena­de is, daar is Hij meteen ook de Geest der gebe­den in de gelovige. Dan is het een ademtocht die komt uit God en keert tot God.

Opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make. Wat moest er toch een heilige begeerte, een heilige geloofswor­steling zijn in de Kerk om op te wassen en om toe te nemen in de kennis en in de genade van onze Heere Jezus Christus.

Opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make. O, wat is er dan een lui geloof, wat is er dan ook een luie liefde, wat zijn we al gauw tevreden gemeente. John Owen zegt van de waar­achtige bekering heel eenvoudig: "Eén zucht naar God, brengt de mens veilig boven". En als wij dan weten dat we een zucht naar God gezucht hebben, wat is er dan weinig progressie, weinig voortgang in de gebe­den, wei­nig toename in het geloofsle­ven. O, dan hebben wij de Heilige Geest ook nodig om ons steeds armer en armer te maken. Om ook de levende begeerte in onze harten en in onze levens te wekken naar méér.

Niet zoals een aardse begeerte, zoals Salomo gezegd heeft van de begeerte van de goddeloze mens: "De bloedzuiger heeft twee doch­ters: Geef, geef!" (Spr.­30:15). Hap, hap! staat er dan in het He­breeuws. Maar het gaat om die heilige begeerte: "Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende. Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden" (Fil.3:10-11).

Dat er een ver­volgen is om te kennen. Dat er zo ook in ons leven een voort­schrijding is in zielsbehoefte, maar ook in ziels­vervul­ling door het Woord en door de Heilige Geest, om de Vader te ken­nen. Zoals Filippus gevraagd heeft: "Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg" (Joh.14:8).

Ja, dat er een heilbegeerte komt om ook de Heilige Geest te leren kennen, niet alleen in Zijn zalige wer­kin­gen in het hart, maar om Hem ook te kennen als Per­soon. Zodat het werkelijkheid wordt voor ons, dat Hij van gelijke heerlijkheid is als de Vader en de Zoon, opdat ook de Heilige Geest geprezen worde in onze levens tot in der eeuwigheid.

Dat is zo nuttig, dat is zo nodig! De catechismus geeft eerst onder­wijs in het Wezen van de Vader en daarna in de wel­daden van de Vader. Dan onderwijst ons de catechis­mus eerst in het Wezen van Chris­tus en daarna in de verwerving van de zaligheid. Nu onder­wijst ons de catechismus eerst in het Wezen van de Heilige Geest en daarna in het deelachtig maken van al die heerlijke weldaden.

Opdat Hij mij trooste, zegt de catechismus. U weet dat de Heere Jezus Zelf gezegd heeft: "Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster ge­ven". Hij heet Trooster en Hij is Trooster en dan niet zoals een mens. Als een mens gaat troosten, dan komt er ook weer een tijd, dat je de woning verlaat waarin rouw en droefheid achterblij­ven. Dan zegt een mens nog ten laatste: 'sterkte hoor!' en de deur gaat achter hem toe. Maar het leed en de eenzaam­heid blijft achter. Maar van deze Troos­ter staat: "Opdat Hij bij u blijve in der eeuwig­heid". Wat een geweldi­ge weldaad.

Jezus Christus wordt Immanuël genoemd: God met ons. Hij is geworden op Goede Vrijdag, God voor ons. De Heilige Geest is: God in ons. Zodat Petrus het bij zijn naam durft te noemen, dat Jezus Christus de Heilige Geest verworven heeft, opdat de mens de goddelijke natuur deel­achtig zou worden (2 Petr.1:4).

Mij trooste en bij mij eeuwiglijk blijve. De Kerk heeft die troost zo hard nodig! Ik hoef niet uit te leggen hoe het werkt, geliefde ge­meente, "Want ik heb veel bestrij­ders, o Allerhoogste!" (Ps.56:3) en "Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrij­ders" (Ps.­ 35:1). Genoeg daarover, er is een grote te­gen­spreker in deze wereld, er is ook een Voorspre­ker, er is een Trooster, Die eeuwiglijk blijft.

Het zal wat geweest zijn voor de discipelen om de Heere Jezus te zien henen­gaan. Maar wat een zalige verwachting: "Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blij­ve in der eeuwig­heid". Wat een geloofsbe­lijdenis, gemeen­te.

 

      Hoe groot is 't goed, dat Gij zult geven

      Hem, wiens op­rechte geest.

      Op U betrouwt, U vreest! (Ps.31:15 ber.).

 

Dan moeten we wegzinken, ook bij dit stuk. Niet alleen op Gol­gótha, maar ook hier moeten we wegzinken ­en zeggen:

 

      Wat is de mens? Wat is in hem te prijzen,

      Dat Gij, o HEER, hem gunsten wilt bewijzen,

      Dat Gij hem kent? Wat is des mensen kind,

      Dat Gij het acht, en zo getrouw bemint? (Ps.­14­4:2 b­er.).

 

Dan is het een groot wonder geweest, dat de Heere Jezus in Beth­lehem in een beestenstal geboren werd. Maar wat is het ook een groot wonder om de Heilige Geest te ontvangen, Die mij troost en eeuwiglijk bij mij blijft. Dat legt ook een hoge roeping op, geliefde ge­meente.

Er staat met recht boven: Van God den Heiligen Geest en onze heiligmaking. Wanneer de Heilige Geest woont in het hart van een zondaar, dan is zo'n zondaar gerei­nigd door het bloed van Christus, vervuld met de Geest van Christus, een heili­ge tempel Gods, een woon­stede voor God. "Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Gees­t?" (1 Kor.6:19).

­Wanneer we dan die heerlijke hoop hebben dat wij een tempel des Heili­gen Geestes geworden zijn, dan "is dit de wil van God, uw heiligmaking" (1 Thess.4:3).

Wat zou er toch veel liefde moeten zijn in de kerk. Ik heb er reeds op gewezen, dat geloven en lief­hebben haast hetzelf­de is. Dan zegt de Heere Jezus: "Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn gebo­den. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een ande­ren Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeu­wig­heid; Name­lijk den Geest der waar­heid, Welken de wereld niet kan ontvangen".

Nee, dat zal niet gaan buiten waarachtige weder­geboorte om. De wereld kan de Heilige Geest niet ontvangen, "want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden en zal in u zijn".

Dan gaat het om een zalige zaak, die Trooster ontvan­gen te hebben om eeuwig in ons te blijven. O, dan ga je weleens met een gebukt hoofd over deze wereld hoor. Met een gebukt hoofd: "Twist, HEE­RE! met mijn twisters, strijd met mijn bestrijders".­ Maar dan mag je het hoofd ook weleens opheffen:

 

      Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen 'd eer­kroon­ dragen,

      Door U, door U alleen, om 't eeu­wig welbeha­gen;

      Want God is ons ten schild in 't strijd­perk van dit leven, (Ps.89:8 ber.).

 

Dan is het ook weleens zo, dat je door het leven gaat en vrijmoe­dig het hoofd opheft, ondanks alle weer­stand, ondanks alle vijand­schap. Dat je mag zeggen: ik heb God ge­zien en niemand ziet wat ik omdraag aan geloof, aan hoop en aan liefde.

Laat dat ook maar eens ge­zegd mogen worden gemeen­te, hoe rijk een kind van God, van tijd tot tijd, mag zijn. Zo arm als je door de wereld gaat, laat ze maar lachen, wanneer je mag zeggen: niemand ziet mijn geloof en niemand ziet mijn liefde, want de we­reld kent Hem immers niet. Wanneer je mag zeg­gen: Wij hebben Hem gezien! Filippus zei: "Toon ons den Vader". De Heere Jezus zei: "Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien".

Maar dan ook de Heilige Geest: "Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blij­ve in der eeuwig­heid". Dan is er een rijkdom in deze wereld, die niet meer te om­schrijven is, de hemelse heer­lijk­heid, het straks, het weldra, waar­van geschre­ven staat: "Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opge­klommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben" (1 Kor.2:9).

Dan mogen we in onze levenstijd, in dit Mesech, in deze woestijn ook weleens zeggen: wat geen oog ziet, wat geen oor hoort, wat ik om mag dragen, o God, wat Gij doet dien, die U liefheeft.

Wanneer we er weet van mogen hebben, een toegang te hebben door dat kostelijke bloed, door het voorhang­sel van het lichaam van Chris­tus tot de Vader. Daarvan weet en troost te mogen hebben, maar daarvan ook weet en troost te mogen beoefenen door de Heilige Geest. Ik ga het niet her­halen, dat staat in Romei­nen 8.

O, welge­lukzalig is het volk welks God de Heere is. Niet alleen de Vader, niet alleen de Zoon, niet alleen de Heilige Geest, maar de drieënige God: Vader, Zoon en Heilige Geest te prijzen tot in der eeuwigheid. God is zalig in Zijn volk en dan is dat volk zalig in haar God. AMEN.