Zondag 21. Vraag en antwoord 54

                                         ZONDAG 21

                                    Vraag en antwoord 54

 

        Psalm       56 : 4

        Psalm     113 : 3

        Psalm       84 : 1,2

        Psalm     103 : 9

        Psalm     106 : 3

        Johannes 17 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Johannes 17 : 20 - 21

 

En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen.

Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.

 

Aan de beurt van behandeling is zondag 21, vraag en antwoord 54

 

54. Vr. Wat gelooft gij van de heilige algemene Christe­lijke Kerk?

Antw. Dat de Zone Gods uit het ganse mense­lijke ge­slacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enig­heid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde verga­dert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

 

De vorige keer hebben wij de vraag behandeld: Wat gelooft gij van den Heiligen Geest? Nu behandelen wij zondag 21 vraag en ant­woord 54: Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelij­ke Kerk? Daar is heel wat verschil van mening over, geliefde gemeen­te. Mis­schien weet u ook wel dat velen de Kerk onder­scheiden in een zicht­bare en in een onzichtba­re Kerk.

Misschien zit u vanavond wel te wachten op mijn me­ning over de zichtbare en de onzichtbare Kerk. Ik sluit mij daarin graag aan bij van der Groe die deze onderscheiding niet gehanteerd wil hebben. Want dan zou het in feite toch over twee Kerken gaan: een zicht­bare en een onzichtbare Kerk, een echte en een onechte kerk.

Ik wil er zelf nog aan toevoegen dat, wanneer we gaan spreken over een zichtbare Kerk en een on­zicht­bare Kerk, het geloofsartikel dat vanavond aan de orde is, ook anders had moeten zijn. Dat artikel moest dan zijn: Ik zie een zichtbare en een on­zichtbare Kerk.

Wanneer het gaat over het vraag­stuk van de Kerk, dat zoveel moeilijkheden ople­vert, het vraagstuk van die ene algemene, zoals ze genoemd wordt, heilige Christe­lijke Kerk, dan is het zo frappant dat er in de twaalf Arti­kelen nog eens extra bij staat: Ik geloof, niet ik zie, maar ik geloof. Ik geloof een heilige, alge­mene, Christe­lijke Kerk, de ge­meenschap der heiligen.

De moeilijkheden over het vraagstuk van die zicht­bare en onzicht­bare Kerk beginnen eigenlijk al, wanneer je de twaalf Artikelen hoort lezen. Misschien is het u weleens opge­val­len dat de één leest: ik geloof een heili­ge, alge­me­ne, Christelijke Kerk, maar een ander leest: ik geloof één heilige, algemene, Chris­telijke Kerk.

Het is heel jammer dat het geloofs­ar­tikel van die heilige, algemene, Christelijke Kerk, zo bijzonder slecht vertaald is. Daarom denk ik dat het wel nuttig is u voor te houden wat de Kerk in dat arti­kel dan eigenlijk precies belijdt.

Wat wij dus lezen: Ik geloof een heilige, algemene, Chri­stelijke Kerk, dat is een erbarmelijke vertaling van: credo unam sanctam ecclesiam catholicam Christi. Daarin gaat het niet meer over een algeme­ne, maar over een heel bijzondere, ja, over een allerbijzon­derste Kerk. Een Godswonder in deze wereld, een herschepping in deze wereld, een Godsdaad in deze wereld. Niet iets dat algemeen is, maar iets, dat zo buitengewoon bijzonder is in de ware zin van het woord, dat ook de engelen daar als het ware, met eerbied op neer­blikken.

Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke Kerk. Ook dat woordje 'Christelijk' daar is veel op aan te merken in deze vertaling. Chris­telijk dat kan zoveel zijn. Maar de Kerk is niet alleen Christelijk, die Kerk is van Chris­tus. Dat is heel iets anders, dat hebben we eigenlijk al gelezen in de eerste zon­dag: die Kerk is eigendom van Jezus Christus, Die haar gekocht heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed.

Het gaat dus over de enige, over de heilige en over de niet algeme­ne, maar katholieke Kerk. Dat woordje ka­tho­liek klinkt ons nogal rooms in de oren. Dat is waar­schijnlijk ook een van de redenen geweest van deze verta­ling door Luther. Luther, die door de roomse kerk een aver­sie gekregen heeft tegen het woordje katholiek.

Men zegt, en dat is niet helemaal ten onrechte, dat daardoor dat woo­rdje alge­meen de vertaling geworden is voor katholiek. Dat is een slechte vertaling, want katholiek betekent niet slechts algemeen, maar we zouden het beter kunnen vertalen met universeel, dat betekent algemeen, maar ook algeheel en alles omvat­tend.

Het gaat dus over de ene Kerk.

 

      1. Die Kerk is één.

      2. Die Kerk is heilig.

      3. Die Kerk is katho­liek.

      4. Die Kerk is het eigendom van Jezus Chris­tus.

 

We gaan een geweldig antwoord behandelen.

Wat ge­looft gij van de ene, heilige, katholieke Kerk van Chri­stus? Dat de Zone Gods uit het ganse menselij­ke ge­slacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uit­ver­koren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde verga­dert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

Als u nu goed opmerkt gemeente, dan hoort u dat dit antwoord eigenlijk direkt aanknoopt bij het vorige. Toen was de vraag ge­weest: Wat gelooft gij van den Heiligen Geest? Eerste­lijk dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarach­tig en eeuwig God is. Ten andere dat Hij ook mij gege­ven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deel­achtig make, mij trooste en bij mij eeuwiglijk blijve.

Die slotwoorden 'en bij mij eeuwig­lijk blijve', van ant­woord 53 vinden we terug in antwoord 54 'en dat ik daar­van een levend lidmaat ben en eeuwig zal blij­ven'. Dan gaat het dus, en dat heb ik vorige maal reeds aangeduid, over het werk van de Heilige Geest, Die toepas­t wat Jezus Christus verworven heeft door Zijn lijden. Het is de Heilige Geest Die ons door een waar­achtig geloof inlijft in de Kerk.

De Kerk is dus niet slechts een vereniging, maar het gaat hier over de inlijving in die enige waarachtige Kerk. Dan zouden we ook kunnen zeggen dat het gaat over de inlijving door de Heili­ge Geest, door weder­geboorte, in Christus Zelf.

Want die heilige, die katholieke Kerk van Christus is ook meteen het lichaam van Christus. U vindt dat in de brieven van Paulus, waar Christus het Hoofd genaamd wordt van dat lichaam, omdat Hij die Kerk gekocht heeft, niet met goud of met zilver, maar door Zijn dierbaar bloed (Kol.1:18-22). Dat zijn diegenen waar­van Hij gezegd heeft: "Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw" (Joh.17:9). Dat zijn Gods uitver­kore­nen, dat moet hier ge­zegd worden: Gods uit­verkore­nen.

Dat de Zone Gods uit het ganse men­selijke ge­slacht Zich een gemeente, en dan zou ik daar voor de duide­lijkheid tussenin kunnen lezen, door den Vader, tot het eeuwige leven uitver­koren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren ge­loofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, be­schermt en onderhoudt; en dat ik daar­van een le­vend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

De catechismus heeft het op een andere plaats al ge­leerd, dat het de Heilige Geest is Die het geloof in onze harten werkt. De catechis­mus heeft ook al ge­leerd dat het is door het Woord. De Geest gebruikt daar­voor het Woord in de waarach­tige weder­geboorte.

Door Woord en Geest, door die Beiden wordt het geloof ge­werkt. Het geloof in al zijn delen. Het geloof, dat daarmee begint, dat we schul­dig staan voor Gods Aan­ge­zicht, dat we ellendig zijn en dat we verloren zijn.

Het is eigenlijk in de derde vraag en in het derde antwoord reeds aan de orde geweest: Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods! Uit het Woord Gods, maar dan ook het Woord in die zin, wanneer de Midde­laar bekend gemaakt wordt in de cate­chismus. Vertaal het rustig heilsbe­vindelijk naar uw eigen hart, wan­neer het God behaagt Zijn Middelaar te open­baren aan ons hart. Ik hoop, dat u dat kent in uw leven.

Ook dan moet de vraag gesteld worden: van­waar? Dan vraagt de catechismus: Waaruit weet gij dat? Uit het heilig Evangelie, dat God geopenbaard heeft, om het maar kort samen te vatten, aan onze eerste ouders in het paradijs, Adam en Eva. Daar ligt het begin van dat heilig Evangelie, dat door de Heilige Geest bediend werd aan de eerste zondaren, aan Adam en Eva.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat zo prachtig in artikel 17, dat God daar onze eerste­ ou­ders Adam en Eva ging troosten. De Heilige Geest, ik heb het u bij het desbetreffende artikel gezegd, heet Trooster en Hij ìs Trooster.

Zo zien we dat God het geloof werkt door Geest en door Woord. Ook al was er in het paradijs nog geen ge­schreven Woord, het was toch het Woord van God.

Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht Zich een gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren ge­loofs, van den beginne der wereld vergadert. Zo is het met Adam en Eva gegaan en zo zal het blijven gaan zolang er een wereld is. Zolang God nog zondaren toebrengt, zal dat door het Woord geschieden.

Ik denk aan Maarten Luther, toen de Kerk vervreemd was van het Woord. Toen is het Maarten Luther ge­weest die drie dingen gezegd heeft: alleen genade. En waar genade zich baanbreekt in ons leven, waar gena­de thuiskomt in een zondaar, daar is het ook weer in twee dingen die God uitwerkt: alleen de Schrift en alleen het geloof.

Het mag hier misschien wel gezegd worden, wat ook in de Dordtse Leerregels behandeld wordt, dat het geloof geen zaak is van elkaar aanraden, van elkaar aan­drin­gen: 'je moet geloven'. Het staat heel uit­druk­kelijk in de Dordtse Leerregels (DL 3/4 art.12), dat dit geen geloof is. Het is geen geloof dat wij het onszelf en dat wij het elkaar aanpra­ten en aanraden: je moet geloven. Het is de Heilige Geest Die met dat Woord gaat wer­ken.

Het geloof is een Godswonder in deze wereld en dat is het geweest in de eerste wereld van Adam en Eva, maar dat zal ook zo zijn als het geloof geschonken zal worden aan de allerlaatste uitverkore­ne, in de laatste dagen van deze wereld. Dat geloof is iets heel bijzon­ders, dat geloof is niet menselijk meer.

Ik wil nog iets zeggen van dat kostelijke geloof gemeente, omdat het ook gedevalueerd is onder ons. Als je teveel spreekt van dat geloof, dan denken ze al gauw dat je Gere­formeerd bent. Ja, dan ben je ook Gere­formeerd, maar in de goede zin.

Dat geloof, dat geloof is zo'n kostelijke zaak en dat is zo'n Gods­wonder. Want de val is geweest dat we door de leugen over­wonnen zijn en zelf leugen gewor­den zijn. Dat is het ongeloof. Wanneer de apostel Johan­nes later zijn pastorale brie­ven schrijft, dan schrijft hij over het ongeloof: "die God niet gelooft, heeft Hem tot een leuge­naar gemaakt" (1 Joh.5:10). Dat is onze zonde in het paradijs geweest: God tot een leugenaar maken. De vader der leugenen, de duivel heeft ge­vraagd: zeg, hoor eens even, is het ook zo? Is het niet een beetje overdreven? Heeft God gezegd dat je niet eens van al die bomen mag eten? En sinds die tijd is de mens verleugend.

Ik hoop dat u een beetje kijk hebt op de maat­schappij waarin wij leven, ik hoop dat u de krant ook leest. De hele wereld is verleu­gend, dat is het drama van een wereld die gevallen is. Er is in de hele wereld geen waarheid meer over, dat is het ongeloof, het huivering­wekkende ongeloof.

Ongeloof ten opzichte van elkaar, omdat we in de eerste plaats God niet meer geloven, God tot een leuge­naar maken. En dat is de huiveringwekkende onder­gang van deze wereld, wanneer er geen geloof meer zal zijn, wanneer dat Woord geen gezag meer zal hebben. Wan­neer de bijzondere genade er niet meer zal zijn en wanneer ook de laatste rest van de algemene genade weg zal zijn uit deze wereld, dan is deze we­reld al een hel. Dan hoeft er geen vuur en geen sulfer aan te pas te komen, dan is de wereld al een hel vanwege de leugen, vanwege het ongeloof.

Totaal verleugend is de maatschappij. Dat is het drama waarin de wereld gevangen zit. De weten­schap klimt met de dag hoger en toch is de we­tenschap verleu­gend. De cultuur gaat zogenaamd vooruit, maar ook de cultuur is verleugend. Er zijn geen neu­trale gebie­den meer in deze wereld.

De tech­niek, u moet niet zeggen dat dit er niet bij­hoort, om daar ook eens een keer over te preken, de tech­niek, ver­geet het maar dat het een neutraal terrein zou zijn, ook de techniek is verleugend. De hele wereld is verleu­gend. Het zit niet alleen in het hart van de zondaar, maar ook in het maaksel van zijn handen. Alles waar wij mee te maken hebben is verleugend.

Het is niet waar dat deze wereld een wereld van evolu­tie is. Dit is niet een wereld die op een hoger peil komt van dag tot dag en van jaar tot jaar. Men spre­e­kt over miljoenen jaren, maar ik huiver als ik denk aan honderd jaren verder. Dan kan de wereld gewoon niet meer bestaan, dan is het één klit verleu­gende materie in het univer­sum. Dan is er een zwarte planeet, dat is de aarde, totaal verleugend en dat nochtans is de wereld waarin de Geest werkt.

Toen deze wereld gaaf gescha­pen is, toen hebben de engelen ge­juicht. De kinderen Gods, daarmee worden de engelen bedoeld, in de eerste schepping, hebben ge­zongen, toen de aarde op hare pilaren zonk (Job 38:7). Dan staat er: "De aarde nu was woest en ledig" (Gen.­1:2), maar die aarde was niet verleu­gend, die was nog gaaf. Het was een gave woest­heid en het was een gave leeg­heid. "En de Geest Gods zweefde op de wate­ren" (Gen.1:2).

Weet u wat nu zo'n eeuwig wonder is? Dat de Heili­ge Geest niet van deze wereld is wegge­gaan, van deze walgelijke wereld, die be­vuild is door de onwaarheid, die zo verleu­gend is. Daar is Saturnus nog heilig bij, daar is Mars nog heilig bij, daar zijn de andere plane­ten nog heilig bij.

Dan is dit het grote wonder, dat de Heilige Geest zw­eef­de op de wateren van een aarde die nog niet geval­len was, maar dan is dit het grote wonder lief kind, dat de Geest Gods nòg zweeft over deze wereld. U zegt misschien: ja, maar in deze wereld zijn toch immers mensen. Dat is juist zo erg, geliefde gemeente, als er in deze wereld geen mensen waren, dan was deze we­reld gaaf gebleven.

Als we onszelf leren kennen, dan weten we dat het bitterste van deze wereld, juist de mens is. De mens die geschapen is naar Gods beeld en naar Gods gelij­kenis. Och, ik wil niet over­drijven, maar de Dordtse Leerre­gels (DL 3/4 art.4), zeggen dat er nog slechts enige vonkskens over zijn van het beeld Gods. Laat ik niet overdrijven, maar wat is deze wereld bitter ge­worden.

Dan is dit het grote wonder, het grote wonder van dit geloofsarti­kel van de enige heilige katholieke Kerk van Christus, dat de Geest Gods nog zweeft over deze wereld en nog steeds zondaren bear­beidt door Woord en Geest.

Al is dan de schepping gevallen, Hij is bezig met de herschepping van zondaren. Wie zichzelf een beetje heeft leren kennen als aardbe­woner van een wereld die verleugend is, kan daar geen distan­tie van nemen. Maar die moet ook belijden dat hij mens is, dat hij bij deze wereld hoort, dat hij bij die verleu­ge­naars van God hoort. Daarin is het ongeloof getekend als een onmo­gelijke werkelijkheid.

Wat is het dan een eeuwig wonder in deze wereld, die zo smartelijk gevallen is en zo smartelijk van God verval­len is, dat we zo verleu­gend zijn dat we onze naaste niet meer kunnen gelo­ven en dat we zelfs God in de hemel niet meer kunnen geloven. Wat is het dan een wonder, wanneer de Heilige Geest dit Godswon­der aan ons voltrekt, dat we tòch weer kunnen en mogen geloven dat God be­staat en dat God goed is. Dat we een streep gaan trekken gemeente, een streep en een grens in ons leven waar die behoort te zijn. Namelijk: God is waar­achtig en alle mens is leugenach­tig.

Dan mogen we toch zeggen met blijdschap in ons hart: ja, inderdaad het is een eeu­wig, eeuwig Gods­won­der. Dat de Zone Gods uit het ganse menselij­ke ge­slacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitver­koren, door Zijn Geest en Woord, in enig­heid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde verga­dert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daar­van een levend lidmaat ben en eeuwig zal blij­ven.

Dan wordt er op deze plaats niet gesproken over de prijs die Chris­tus betaald heeft, dat is reeds aan de orde geweest in de catechis­mus. Dat mogen we allemaal weten, dat is de grote vooronder­stelling van dit ge­loofsstuk, dat Jezus Christus alle zon­daren die in Hem geloven stuk voor stuk gekocht heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed.

Het gaat in de Kerk om het eeuwige Gods­wonder waar­van Johannes zegt: "Wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?" (Openb.7:13). Er gaat een stroom van men­sen de hemel in, een op­tocht van mensen, zodat hij zich ver­baast. Zoveel, zoveel, er lijkt wel geen einde aan te komen. Een grote schare die niemand tellen kon, dat is de Kerk. Dan vraagt de Heere: "Wie zijn zij?" Dat vraa­gt Hij door die engel. Wat is dan het antwoord aan Johannes? "En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij heb­ben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams" (Openb.7:14).

Dat is het heer­lijke leer­stuk van de Kerk, waarvan ik een levend lidmaat ben en eeuwig­lijk zal blijven. Dat ik daar een lidmaat van ben, dat is niet anders dan door de Heilige Geest. Omdat God, door de Heilige Geest, aan die onheilige verleu­gendheid van mijn be­staan is te pas gekomen, ge­meente!

Ik wil het vanavond maar heel praktisch zeggen, dat de Heilige Geest niet één keer werkt, maar voort­gaat, moet dóórwerken in onze harten met eer­lijkma­kende genade. Juist door eerlijk­maken­de genade wor­den we van onze ver­leu­gendheid verlost. Daar gaat het om, in het werk van de Heilige Geest.

Het Godswonder van de Kerk is, dat God enkelin­gen, individuen door de Heilige Geest eerlijk gaat maken en met de Geest des geloofs gaat begiftigen en nieuwe schepselen van hen gaat maken.

Dan wordt er iets gezegd van die enigheid des waren geloofs. Daar wordt mee bedoeld, dat waar de Geest werkt, daar werkt de Geest één werk, één geloof, door dat ene Woord, dat de Heilige Geest Zelf heeft laten beschrijven.

Dat geloof of die eerlijkmakende genade of hoe je het maar noemen wilt gemeente, dat principe van de zaak, heeft de Heere ook reeds gewerkt door de Heilige Geest in Adam en Eva. Dat werkt de Geest nog steeds. Zonder dat werk van de Heilige Geest zal niemand het Ko­nink­rijk Gods be­rven. Vlees en bloed, dat leugenachti­ge, dat verleu­gende vlees en bloed zal Gods Koninkrijk niet beërven.

Dan kunnen we er nu misschien iets van begrijpen, dat die Kerk één is. Dan hoeven we niet te spreken over een zichtbare en een on­zicht­bare Kerk. Dan is er maar één Kerk die door de Heilige Geest bewerkt is, die ligt voor kosten van de Zalig­maker en Mid­delaar Jezus Christus, Die met Zijn bloed betaald heeft. Dan gaat het over de Heilige Geest, Die Christus toepast in een weg van eerlijk­ma­kende gena­de. Dat we de Geest des ge­loofs mogen ontvangen om terug te keren tot onze Sche­­pper.

De verleugendheid en het ongeloof keert de rug toe­ naar God, maar het geloof maakt dat we ons weer tot God gaan wenden. Dat is één werk in deze wereld en dat is één werk, waar de Heilige Geest dat ook doet.

 

Die Kerk is heilig en waarom is ze heilig? Dat zien we er zo niet aan af. Omdat ze door de Heilige Geest be­werkt is, daarom is die Kerk heilig. Die Kerk is heilig, niet omdat zij zich heilig manifes­teert en omdat zij uit heiligen bestaat, maar omdat ze gehei­ligd is door de Heilige Geest in Jezus Christus.

De Heere Jezus heeft het Zelf aan de Vader betuigd: "En Ik heilige Mijzelven voor hen" (Joh.17:19). De Kerk die haar gerechtigheid in Christus heeft, heeft net zo goed haar heiligheid, door de Heilige Geest, in Jezus Christus.

Er ligt een grote dwaling op de loer, wanneer we den­ken dat we de rechtvaardigmaking ­geheel voor Chris­tus moeten laten liggen, maar dat we de heilig­making dan zèlf wel in eigen handen zouden kunnen nemen. Dat is niet zo. Christus is ons gegeven en dat is ten nauwste ver­bonden met het werk van de Geest in zondaren. "Chris­tus is ons geworden recht­vaardig­heid,­ en heiligmaking, en verlos­sing" (1 Kor.1:30).

Ook in de heiligmaking moeten wij er buiten gezet worden, zodat het alleen in Christus' verdienste ligt. De toe­passing van de recht­vaardigma­king is door de Heilige Geest en de toepassing van de heilig­making is ook door de Heilige Geest en zelfs de heerlijk­making is door de Heilige Geest. Want het is de Geest waardoor de Kerk veran­derd zal wor­den "van heerlijk­heid tot heerlijk­heid, als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).

Het gaat over een heerlijk geloofsartikel ge­meente. Het gaat er niet over hoeveel wij er van geloven en of wij doorgeleid zijn. De vraag is: zijt gij we­dergebo­ren? Heeft de Heilige Geest u begiftigd met dat aller­koste­lijkste geloof wat reeds in Adam geplant is en wat ook in Eva geplant is? Is het ook in u geplant?

Het gaat om die Kerk in zijn eenheid, die Kerk is één. Dan mag ik zeggen dat het werk des Geestes ondanks alle verdeeldheid door­gaat. Goddank, want het werk des Geestes is niet tegen te houden door kerkmuren, gemeente! Hoe zuiverder het werk des Geestes Zich vertoont en hoe meer eerlijkma­ken­de genade er is, hoe meer eenheid of er ook is.

Die eenheid, ze ligt ook onder de zonde besloten. De Heere Jezus heeft gebeden, en dat geldt voor de gehe­le Kerk: "En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor dege­nen, die door hun woord in Mij geloven zullen. Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt".

Dan is er wel een opdracht om één te zijn, geliefde gemeente. Maar dan ligt die opdracht in Johannes 17 toch niet besloten in het menselijke gebed, maar in de voorbidding van Christus, de barmhar­tige Hogepries­ter, de enige Hoge­priester over het huis Gods, Die gebeden heeft: "Vader, Ik wil". En als Hij gebeden had, kon Hij ook zeggen: "Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt. Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort" (Joh.11:41-42).

 

Het gaat op de eeuwigheid aan, daar zullen we ervaren dat het één kudde is en één Herder, de enige heilige katholieke Kerk. Dat woordje katholiek laat zich een beetje moeilijk vertalen. Katholiek, er is ei­genlijk geen nederlands woord voor. Het wil aan de ene kant zeggen algemeen en aan de andere kant juist bijzon­der.

Dan wil dat praktisch gezegd eigenlijk dit zeggen, of er nu een Chinees be­keerd wordt of een Nederlander, of er nu een vrijzin­nig mens bekeerd wordt of een rechtzinnig mens, het is allemaal het­zelf­de! Of het nu een Jood is of dat het nu een heiden is, het is allemaal hetzelfde, als we maar be­keerd worden door Woord en Geest.

Dat woordje katholiek wil ook zeggen: God werkt overal nog wel met Zijn Geest. Dat woordje katholiek wil zeggen: ze zullen komen van het oosten en van het westen, ze zullen komen van het noor­den en van het zuiden, en ze zullen aanzitten, ook de heide­nen, met Abram, Izak en Jakob.

Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht... Wat een heerlijk Evangelie, uit het ganse menselijke ge­slacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitver­koren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde verga­dert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daar­van een levend lidmaat ben.

Dan zit er vanavond ook een stukje toepassing in, geliefde gemeen­te. "De Heere Jezus begon de steden, in dewelke Zijn krachten meest geschied waren, te verwij­ten, omdat zij zich niet bekeerd hadden. Wee u, Chóra­zin! wee u Bethsáïda! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben. Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden." (Matt.11:20-22). Dan heeft Jezus ge­zegd: "De man­nen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jona is hier!" (Matt.12:41). Hoe staat u er­ voor?

Dit geloofsartikel wil ons ook zeggen dat de heidenen op zullen staan tegen ons in het gericht. Misschien een Chinees, misschien een bekeerde Indiaan of misschien een gezalig­de neger uit Afrika. Dan zullen zij opstaan in het gericht, indien wij ons niet bekeren, want dat is de tegenkant van dat geloof dat door de Heilige Geest ge­werkt wordt.

Want daar ligt een stuk verantwoordelijkheid gemeente, daar ligt een stuk persoonlijke verantwoordelijkheid in onze levens, hoe onafhankelijk God ook werkt door Zijn Heilige Geest en het werk van Christus toe­past. Er ligt een stuk verantwoordelijkheid: bekeert u!

Hier ligt ook een stuk verantwoordelijkheid in de catechismus, want de vraag moet zijn: ben ik een levend lidmaat? Er wordt hier niet gezegd dat ik daar­van een lidmaat ben, maar een levend lidmaat. Want, waar geloof is daar is ook leven. En waar leven is, daar is ook geloof dat ik een eeuwig lidmaat zal blijven.

Het gaat ten diepste in Johannes 17 om God de Vader, Die Zijn uitverko­renen gegeven heeft aan de Heere Jezus Chris­tus. En de Heere Jezus Christus heeft Zijn bloed voor de uitver­korenen gege­ven. De Vader en de Zoon Beiden, heb­ben de Heilige Geest gege­ven in deze wereld, opdat Hij zou toepassen, wat Christus verwor­ven heeft. Bent u daar reeds een voorwerp van? Bent u al een levend lidmaat van die Christelijke Kerk, de Kerk van Christus?

 

Christus wordt de Eigenaar van de Kerk, het Hoofd van die Kerk genoemd. De Zone Gods vergadert, be­schermt en onder­houdt Zijn Kerk. Dan wil dat zeggen: Christus, de Alfa en de Omé­ga, verga­dert, beschermt en onderhoudt tot in der eeuwigheid.

Dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven. Dan gaat het om dat Godswonder, dat Jezus gezegd heeft: "Ik ben de goede Herder" (Joh.10:11), daar herinnert dat woordje vergaderen mij nog het meeste aan. "Ik ben de goede Herder". "Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet!" (Ps.95:7-8).

Het is Jezus Christus, Die Zijn Kerk beschermt. Hij heeft gezegd: "Een huurling vliedt, overmits hij een huurling is, maar de goede herder stelt zijn leven voor de schapen" (Joh.10:13,11). Dan zijn zij geborgen, ook achter het ijzeren of bamboe gordijn, want Chris­tus be­schermt ze en Hij onderhoudt ze. Zodat zij ook kun­nen zeggen in de beproevingen, en als u geen vreem­deling bent van het geloofsle­ven dan zegt ook u: ja, dat is het juist in de beproevingen, "Gij onderhoudt gestaâg het heuglijk lot, dat Gij, zo mild, voor mij hebt uitgele­zen (Ps.16:3 ber.).

Wat een heerlijke zaak: Jezus Christus vergadert door Zijn Heilige Geest en beschermt door Zijn almacht. Hij troost door Zijn Heilige Geest en Hij onderhoudt door Zijn Heilige Geest.

Eeuwiglijk zal blijven, zegt de catechismus. De Heere Jezus heeft het ook gezegd: "En niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken" (Joh.10:28). Hij is Hoofd van die Kerk, Hij is Her­der van die kudde. Dat houdt ook in dat Hij gezegd heeft: "In­dien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heen­gaan" (Joh.18:8). Hij heeft Zijn leven gesteld voor de schapen.

Jezus Chris­tus is nu niet de Vernederde meer, maar Hij is de Ver­heerlijkte. Daarom noemt de catechismus ook het einddoel van dat werk van Jezus Chris­tus, waarom Hij een Kerk vergadert, beschermt en onder­houdt ten eeuwigen leven.

Het is heel duidelijk dat de Schrift ons ook onderwijst in de eeuwi­ge zaligheid, in de eeuwige heerlijkheid, die wacht voor allen, die de Heere vrezen, allen die door de Heilige Geest wedergeboren zijn. Het einddoel is niet de vernedering, maar dat is het leven. Dat wij de ver­nederde Christus gelijkvormig gemaakt wor­den, gelijk­vormig aan Zijn lijden, dat is een tussenfa­se.

Wanneer Romeinen 8 zegt dat de Kerk veror­dineerd is om het beel­d van Christus gelijkvor­mig te zijn, dan betekent dat inderdaad dat in dit leven de Kerk het beeld van Christus, naar Zijn verne­de­ring, gelijk­vor­mig wordt. Maar dat is het einddoel niet.

Het einddoel is dit: "Zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden" (Rom.8:17). Het einddoel van die verordinering, van die onbegrij­pelijke liefde des Vaders, die Hij heeft doen verwer­ven door Zijn Zoon, het einddoel is: "Opdat zij één zijn, gelijk als Wij" (Joh.17:11).

Dan houdt dat ook in dat zij verheerlijkt wor­den, het beeld van Christus gelijkvormig wor­den, naar Zijn verheerlijking. Opdat de eeuwigheid zal zijn, gelief­de gemeente, niet alleen een verheerlijk­te Herder, maar ook een verheerlijkte kudde tot in der eeuwig­heid. Waar Jezus als de goede Herder, Zijn Kerk zal leiden langs de grazige weiden der eeuwigheid.

O, blij vooruitzicht! De Kerk staat nog heel wat te wach­ten. Wie wedergeboren is door Woord en Geest, zal ook eenmaal verheerlijkt worden door des Heeren Geest, Christus gelijkvormig gemaakt worden. Die Kerk is de Bruid van Jezus Christus.

U weet het, dat het nooit het doel-in-zich is, om Bruid te zijn. Het doel van het Bruid-zijn is om ver­enigd te worden. "En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zul­len. Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt".

Dan gaat het op de zaligheid aan gemeente, dat mag ook weleens gezegd worden, nietwaar? Dan mag het ons in de eerste plaats om God begonnen zijn, maar dan mogen we er toch ook van gewagen dat het op een zaligheid aangaat, waar wij altijd bij de Heere zullen zijn. Maar ook altijd Christus gelijkvormig zullen zijn, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Dan zullen wij van onze verleugening volledig verlost zijn. Dan zal ook de zondaar weer waarheid zijn, in de toe­gere­kende gerechtigheid van Christus. Dan zullen wij heili­gen zijn, "een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk: opdat gij zoudt verkondigen Gods deugden" (1 Petr.2:9).

God heeft geweldige bedoelingen met zondaren, geliefde gemeente! God heeft de bedoeling om zondaren te zaligen, opdat de drieënige God Zich met gezaligde zondaren zou vermaken en opdat gezaligde zondaren zich tot in der eeuwigheid met een volzalige God zou­den ver­maken.

Dat is het scheppingsdoel geweest en wij zijn daar afgevallen, maar God is Zijn plannen nooit verloren, het is God nooit uit handen gevallen. Hij zal het op een voortreffelijke manier in de herschep­ping wederkrij­gen, wanneer Christus het Koninkrijk over zal geven aan God den Vader, zoals we lezen in 1 Korinthe 15. Dan zal God den Vader zijn, alles en in allen. Dan zal ook de Zoon Zelf onder­worpen worden. Dat is een verborgen­heid! Dat raakt de grenzen van ons theolo­gisch den­ken, dat moeten we dan maar besluiten met: "Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opge­klommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem lief­hebben" (1 Kor.2:9).

 

      O zaligheid, niet af te meten!

      O vreugd, die alle smart verbant!

      Daar is de vreem­d'lingschap verge­ten;

      En wij, wij zijn in 't vaderland!

 

Wat gelooft gij van die ene, algemene katholieke Kerk? "Vader, Ik bid niet alleen voor dezen". Het is niet alleen de Kerk die nu op aarde is, het is ook niet alleen de Kerk die er geweest is, maar het betreft ook de Kerk, die er nog zijn zal. Wat nu de triomferende Kerk is, maar wat ook strijdende Kerk geweest is, wat nù strij­den­de Kerk is en de strijdende Kerk die nog komen zal. Het ligt allemaal voor rekening van Hem: "Die is, en Die was, en Die komen zal" (O­penb.1:4).

"En ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor dege­nen, die door hun woord in Mij geloven zullen. Opdat zij allen één zijn, gelijker­wijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelo­ve, dat Gij Mij gezonden hebt".

Worden er ook weinigen zalig? Het zal toch een schare zijn die niemand tellen kan, uit alle geslachten, natiën en vol­ke­ren. Dan wordt het toch wel heel belangrijk, dat wij onszelf de vraag stellen: behoor ik er bij? Zullen ook wij een­maal staan rondom de troon Gods en des Lams? Zal Hij dan eenmaal ook van ons ontvangen de aan­bid­ding en de lofprijzing tot in der eeuwig­heid?

Onderzoek u zelf, gemeente. Zo gij de stem van de goede Herder dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord, verhardt u niet, maar laat u leiden. AMEN.