Zondag 21. Vraag en antwoord 55

                                         ZONDAG 21

                                    Vraag en antwoord 55

 

        Psalm      61 : 2,3

        Psalm      61 : 7

        Psalm      80 : 9,11

        Psalm      92 : 7

        Psalm      25 : 7

        Johannes       15 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Johannes 15 : 16

 

Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader bege­ren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.

 

In onze catechismus vraag en antwoord 55 wordt ge­vraagd:

 

55. Vr. Wat verstaat gij door de gemeenschap der heili­gen?

Antw. Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidma­ten gewilliglijk en met vreugde aan te wen­den.

 

Wel, geliefde gemeente, het gaat dus over de gemeen­schap der heiligen. Het belijden van de gemeen­schap der heiligen is niet terstond opge­no­men geweest in de twaalf Artikelen. Vroeger luidde dat artikel: Ik geloof een heilige, algemene Christelijke Kerk.

Wan­neer we de belijdenis­geschriften van zo omstreeks het jaar 400 terugvinden, dan vinden we ook dat belij­den van de gemeenschap der heiligen.

Het is een kostelijke zaak, dat de Kerk deze nadere verklaring toegevoegd heeft aan het artikel: Ik geloof een heilige, algeme­ne Christelijke Kerk. We zou­den kun­nen zeggen: nu wordt het pas echt prak­tisch.

Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen? Het is in de catechismus ook heel praktisch uitge­werkt. Eerstelijk dat de gelovi­gen, allen en een iege­lijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven ge­meenschap hebben. Ten andere dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zalig­heid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreu­gde aan te wenden.

Dan gaat het over een zaak die voor een deel al eerder aan de orde geweest is. Dan zou ik kunnen wijzen op vraag en antwoord 32. Dat ging eigenlijk ook die kant al uit, toen er gevraagd werd: Maar waarom wordt gij een Christen genaamd? Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben; opdat ik Zijn naam belijde, en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede cons­ciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hierna­maals in eeuwig­heid met Hem over alle schepselen regere.

Daarin is eigenlijk al getekend dat ieder lid deel uit­maakt van die heilige ge­meenschap.­ Maar het gaat deze keer om het geheel. Christenen han­gen niet als los zand aan elkaar. Het gaat over de ver­binding, de gemeenschap. Ge­meen­schap dat betekent dat het hecht, het houdt aan elkaar vast, het is aan elkaar gebonden met het cement van de liefde. Een wonder­lijk artikel!

In vraag en antwoord 51 zijn we het eigenlijk ook al tegengekomen: Wat nuttigheid brengt ons deze heer­lijkheid van ons Hoofd Chris­tus? Eerstelijk dat Hij door Zijn Heiligen Geest in ons, Zijn lidma­ten, de hemel­se gaven uitgiet. Daarna dat Hij ons met Zijn macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

Het gaat om een zalig gegeven, dat is geen overdreven uitdrukking, het gaat om een zalig gege­ven, dat er een gemeenschap der heili­gen is.

Wat verstaat gij door die gemeenschap der heiligen? Dan gaat het over een wonder hier op aarde, dat al die individuele gelovigen, en nu wordt er niet meer ge­sproken, zelfs niet meer ge­dacht aan kerkmu­ren, dat zij een wondere gemeen­schap zijn, de gemeenschap der heiligen.

O, het is ook weleens een beetje beschamend als je dat leest: ge­meenschap der heiligen. Is het dan zo, dat je ze er uit kunt pikken in dit leven, zodat je zegt: dat is een heilige, die hoort bij die gemeen­schap?

Gemeenschap der heiligen. Ja, het zìjn heiligen, maar om een uit­drukking van Kohl­brugge te gebruiken: het zijn onheilige heili­gen. En dus kunnen wij ze niet herkennen, geliefde gemeente, niet geheel en al: maar God herkent ze. Maar dan is er tòch iets waarin we ook elkaar kennen: in het heilige in-Christus-Jezus-zijn, door het ontvan­gen van de Heili­ge Geest.

Nu is er al uitvoerig gesproken over de Heilige Geest, Waardoor het een gemeenschap der heiligen is. En dat is ook zo, ze liggen samen­gebonden door de Heilige Geest, maar ze liggen ook samengebon­den in Christus.

Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen? Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Het gaat deze keer over gaven en aan het eind van dit catechismusantwoord lezen we dat die gemeenschap der heiligen ook een opgave is.

Dus de gemeenschap der heiligen is:

 

      Ten eerste: Gave aan de gelovigen.

      Ten tweede: Opgave aan de gelovigen.

 

Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen? Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Dat moet u heel goed onderscheiden. Nu gaat het er dus niet eerstelijk over dat iedere gelovige gemeenschap heeft aan de andere medegelovigen. Het punt van samen­komst van die ge­meenschap der heiligen is niet in de eerste plaats el­kaar, maar dat is Christus.

Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Vanuit het geloof, vanuit het werk van de Heilige Geest is het toch zo, dat elke en iedere gelovige gericht is op Christus. Dan gaat het over een gemeenschap van alle plaatsen en van alle tijden. Want die gemeen­schap der heiligen betreft ook de Kerk die reeds zalig geworden is, de triom­fe­rende Kerk, maar net zo goed de strij­dende Kerk en de Kerk die nog geboren zal worden.

W­aar zijn de ogen van de triomferende Kerk op ge­richt? Op Chris­tus! En waar zijn de ogen van alle heiligen op gericht? Op Christus! En dat is in de eerste plaats de gemeenschap der heiligen. Het is maar een zwak voorbeeld, maar als er nu slechts één licht in de gehele wereld zou zijn en wij keken vanaf de aarde naar dat licht en de gezaligden keken vanuit de hemel naar dat licht en dat licht was Jezus Christus, dan was dat de gemeen­schap der heiligen.

O, ik weet het wel, het is een banaal voorbeeld, maar zoals alle spaken van een wiel wijzen naar het middelpunt, zo richt ook de gelovige zich door het geloof, door de Heilige Geest gewerkt, slechts op Jezus Christus.

Maar nu wordt er in de catechismus ook nog iets anders gezegd: Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Dan betekent dit niet in de eerste plaats dat de gelovige naar Christus afstraalt, maar dat het net andersom is: Christus straalt af naar elke en iedere gelovige. Om een bijbels beeld te gebruiken, de Heere Jezus heeft ge­zegd: "Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage" (Joh.1­5:1-2).

Waar gaat het dan om, als er staat dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Chris­tus en al Zijn schatten en gaven gemeen­schap hebben? Al zouden we dan het rankje zijn dat het verst ver­wij­derd is van de stam, dan gaat het er om dat het aller­verst verwijderde rankje toch zijn levens­kracht, zijn levenssappen uit de wortel, uit de stam Jezus Christus trekt.

Dat is een heerlijk beeld dat de apostel Paulus ge­bruikt: één plant met Christus te worden. U hebt het misschien in de natuur weleens gezien, dat een struik of een boom zo groot is, dat de ene bloem soms tien meter verwijderd is van de andere, maar het gaat om de gemeen­schap. Niet in de eerste plaats de gemeen­schap met elkaar, maar het gaat om de gemeenschap aan de Le­vensboom. Zo gaat het in de gemeenschap der heiligen om het waarachtige leven uit de Heere Jezus Christus, Die Zelf gezegd heeft: "Ik ben het Leven" (Joh.11:25).

De catechismus spreekt er niet over hoeveel wij er van geleerd hebben, maar het gaat er om of wij inge­lijfd zijn, ingeënt zijn in Jezus Christus. Het gaat er niet over of wij dikke takken zijn, het gaat er over of wij levende takken zijn. Of wij werke­lijk het leven putten uit Chris­tus.

Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Dan zou ik u willen vragen wat nu eigenlijk dat levenssap is. U weet immers dat het daarom gaat bij een plant en bij een boom, om het levensvocht dat tot het uiterste twijgje, tot het uiter­ste takje door­dringt. Dat levenssap, dat is de Heilige Geest Waarmee Jezus Chris­tus gezalfd is zonder mate.

Wanneer het dan gaat over vruchtdragen, over veel vruchtdragen, dan wordt Jezus Christus hier als de heer­lijke levens­bron genoemd. Wat zouden we naarstig moeten zijn om meer le­vens­kracht, meer van de Heilige Geest te ontvangen in ons leven!

Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Och u voelt wel dat het belangrijkste is, of we ingeënt zijn in Jezus Christus. Ingelijfd wordt het op een andere plaats ook wel genoemd. We hebben weleens van die woor­den, die we honderd keer gehoord hebben, zonder dat het ooit tot ons door­dringt wat het betekent. Ingelijfd worden, dat betekent één te wor­den. Ingelijfd, daarin kun je het woordje lijf, maar ook het woordje leven proeven.

Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen? Nu worden er geen standen aangewezen, maar dat elke en iedere gelovige, als lidmaten verbon­den aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeen­schap hebben.

Ik heb gesproken over de inlijving. Wat is dat een belangrijke zaak, dat zijn wij ook al in zondag 7 te­gengekomen: van Gods kant ingelijfd te zijn in Jezus Christus, dat is het geloof ontvangen te hebben.

Ik geloof een heilige, bijzondere Kerk van Christus. Niet een Christe­lijke kerk, maar een Kerk van Christus. Christus is de Eige­naar, Hij is de Plant Waarmee iedere en elke gelo­vige gemeenschap heeft. Gemeen­schap aan de Heere Christus, dat wil zeggen: niet er aan vastge­plakt, gemeente. Want wanneer er geënt wordt, dan moet het werkelijk grondig gebeu­ren. Wanneer wij slechts zijn vastgebon­den aan de stam, hoe goed de stam ook is, de tak zal geen vrucht dragen, maar verdorren.

Ingelijfd dat wil zeggen: uitgelijfd en losgesneden van de eerste Adam en in de tweede Adam ingeënt.

 

Er wordt hier gesproken over alle scha­t­ten en gaven. Wat die schatten en gaven zijn, dat komt straks nader in de catechismus aan de orde. Dat begint met de geweldige schat en de geweldi­ge gave van de ver­ge­ving der zonden, de opstanding des vleses en het eeuwige leven.

Maar wanneer we nog in de eerste Adam ingelijfd zijn, dan zijn we alle schatten en gaven van die eerste Adam deelach­tig. Weet u wat ik daarmee bedoel? Alle schatten en gaven van Adam deelach­tig te zijn, daar­van lezen we in het doopformulier: dat we aan aller­hande ellendigheid, ja, aan de verdoe­menis zelf onder­worpen zijn.

Maar bij de gemeenschap der heiligen, wanneer we uitgelijfd zijn uit de eerste Adam en inge­lijfd in de tweede Adam, in Christus, dan zijn wij Zijn schatten en gaven meteen deelachtig. "Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns dood­s, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner op­standing" (Rom.6:5).

Er wordt gesproken over gemeenschap aan al Zijn schatten en gaven. Wat zijn de gaven van de Heere Jezus Christus geweest? Wij hebben het gelezen: de grootste gave die Jezus Chris­tus gegeven heeft is Hij Zelf! "Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden" (Joh.15:13). Met andere woorden: Zijn leven geve voor Zijn vrienden. Jezus Chris­tus is in deze wereld geko­men, zodat de apostel Paulus van die gave, van de komst van Jezus Christus in deze wereld zegt: "Doch Gode zij dank voor Zijn onuit­spreke­lijke gave" (2 Kor.9:15).

Die gaven en schatten waar hier over gespro­ken wordt, dat is toch dat Hij ons, niet met goud of met zilver gekocht heeft, maar met Zijn dierbaar bloed.

Nu staat er in het antwoord: Eerstelijk dat de gelovi­gen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Chris­tus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Het is nog weleens zo, dat wij breukvlakken maken in het geeste­lijke leven. Vaak leggen wij de breukvlak­ken op de verkeerde plaats in het geestelijke leven.

Het gaat in dit antwoord over alles of niets. Wanneer we ìn Christus zijn, dan hebben we gemeenschap aan al Zijn schatten en gaven. Het allerverst verwij­derde twijgje van een boom is niet aange­sloten op een ander levens­sap dan de dikste tak van die boom. Dat zal u allemaal wel duidelijk zijn, geliefde gemeente. Ik hoop daar later nog weleens uitge­breider over te spreken.

Dìt wil ik er nog van zeggen: Ik leende eens van iemand een boek van Comrie. In dat boek spreekt Comrie de mis­vatting tegen alsof we eerst met verschil­lende weldaden van Christus ver­enigd worden en dan pas later met Christus Zelf. Dat is niet waar. Toen ik in dat boek van Comrie las, dat we eerst verenigd worden met Christus en daarna met al Zijn weldaden, toen stond er met een bevende hand ge­schre­ven in de marge van dat boek: Hallelujah, looft den Heere mijne ziel!

Nu gaat het er niet over dat ieder daar evenveel kennis van heeft, dat ieder daar even­veel troost van heeft. Maar als het gaat over de ge­meen­schap der heiligen, dan is zelfs het kleinste kind in het geloof, in die gemeenschap begrepen.

De Neder­landse Ge­loofsbelij­de­nis zegt dat kostelijk: 'En voorwaar, Christus heeft Zijn bloed niet minder vergo­ten om de kinderkens der gelovigen te wassen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen' (NGB art.34)

Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk... Begrijpt u ge­meente, wat dat betekent? Hier wordt niet een bepaalde mate van het geloof aangeduid, zelfs niet een bepaalde mate van kennis.

Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Dan gaat het om dat hon­derdste schaapje, het minste schaapje wellicht van de kud­de, maar net zo goed een schaapje van de Herder.

Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk... Dan mogen we gerust een beetje vreugde in ons hart voe­len.

Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Als ik daar een toepas­sing aan zou moeten maken, dan zou ik zeggen: wat leeft de Kerk toch arm! De Kerk leeft als een bede­laar, terwijl ze in Chris­tus Jezus erfgenaam gewor­den is van al Zijn schatten en gaven. Dat is een heerlijke gave, maar daaruit volgt ook een opgave!

 

Ten andere dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden. Als we dan verenigd zijn met Christus, dan zijn we ook ver­enigd met elkaar, gemeente. Dan kan het wel zijn, dat we niet allen hetzelfde van Chris­tus zien, maar het gaat er maar om dàt we Hem zien. Pau­lus zegt: "Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij. En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat" (Ef.3:18-19a).

Wan­neer u vanuit Europa uw blik richt naar de oceaan en men richt in Amerika de blik naar de oceaan, dan zullen mil­joenen mensen de oceaan zien: allen zien hetzelfde en toch weer anders. Zo zullen wij met elkaar de leng­te, de breedte en de diepte nooit kun­nen door­vor­sen van de rijkdom, die er is in Chris­tus Jezus. Maar zalig, wie er iets van ziet, want wie er een stuk­je van ziet, die ziet ook de hele Christus.

Eerstelijk dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben.­ In hetzelfde hoofdstuk waar Paulus zegt: "Doch Gode zij dank voor Zijn onuit­spre­ke­lij­ke gave" (2 Kor.9:15), wekt Paulus ons op tot hetzelfde, waarin de catechis­mus ons onder­wijst, dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lid­maten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden. Dat is geen hard gebod, maar dat is een liefdegebod.

Wat wordt daar mee bedoeld? Dit: wanneer er dan gemeen­schap is met Christus, dan is er ook gemeen­schap met elkaar. Dan is het maar niet een tekstversje, maar dan is het werke­lijkheid: "Hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede" (1 Kor.12:26).

Dat elk zich moet schuldig weten... Dat betekent dat we onze gaven ten nutte van de zaligheid van een ander, gewilliglijk en met vreug­de aan moeten wenden.

We kennen allemaal die gelijkenis wel van de talen­ten. Dan weten we allemaal dat de Heere niet aan ieder­een evenveel talenten gege­ven heeft. Maar het gaat er om of u met uw talent, dat de Heere u genadiglijk ver­leend heeft, woekert binnen de gemeenschap der heili­gen en ook daarbuiten. Zoals we lezen: "Laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgeno­ten des geloofs" (Gal.6:10).

De gemeenschap der heiligen, volgend op het belijden van de ene heilige, algemene, Christelijke Kerk geeft ons een blik op het Kerkzijn op de dag van van­daag, aan het eind van de twintigste eeuw. Kerkzijn is alleen maar mogelijk als elke en iedere gelovige zich schuldig weet zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

In een voorgaande zondag hebben wij reeds behandeld waarom gij een Chri­sten genaamd wordt. Omdat ik, door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben. Dan kunnen we in de Schr­ift vinden, wat de Geest uit­werkt in onze levens. Dat kunnen we in het u voorgelezen Schriftge­deelte vin­den, namelijk dat gij vrucht zoudt dragen. Dat kun­nen we in de gehele Schrift, met name ook in het Nieuwe Testa­ment vinden, dat de Heilige Geest vrucht­baar is in elke gelovi­ge. Zodat hij zich schuldig kent, om zijn schatten, zijn gaven, het ene talent misschien dat de Heere hem gegeven heeft, ten nutte en ter zaligheid van de anderen aan te wenden.

Schuldig kennen staat hier, maar het is ook een liefde­gebod. Want daarmee staan we onder het gebod van de Heere Christus Die gezegd heeft: "Ik ben de ware Wijnstok", en Ik heb al Mijn levens­sap­pen weggegeven voor zondaren. "Ik ben de ware wijn­stok. Alle rank, die in Mij geen vrucht draag­t...", zo'n rank heeft ook geen werkelijke, geen levende verbin­ding met de wijn­stok. Dan kunnen we wel een stuk tak zijn, dat nog aan de stam zit, maar de levens­stroom is onderbro­ken.

Dan is het ook billijk, geliefde gemeente, als we geen vruchten dragen, als we alleen maar hout zijn, als er geen levenssappen door ons heen vloeien, dan is het ook billijk om maar afgezaagd te worden, om maar gesnoeid te worden. Want een wijnstok is er niet om hout te maken, maar om vruchten voort te brengen.

Het beeld van de wijnstok is niet wille­keurig geko­zen, dat beeld betekent ook vreugde, dat bete­kent ook blijdschap. Dat we onze gaven ge­williglijk aan zullen wenden tot nut en tot zalig­heid van een ander en dat we het ook met vreug­de zullen doen.

Dan past ons het zelf­onderzoek, waar onze schatten en waar onze gaven liggen. Dan kunnen we weleens over­dreven bescheiden zijn, dan kunnen we weleens over­dreven en nog eens overdre­ven nederig zijn. Maar als God ons in Zijn Woord onderwijst dat Hij elk van ons iets gegeven heeft, dan zijn wij ook schuldig om daar­mee te woeke­ren.

Elk moet zich schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden. De Heere geeft elk van Zijn levende lidmaten wel iets, dan zal de minste in het Ko­nink­rijk Gods tenminste nog één talent hebben. De gaven zijn verscheiden, maar we worden ook onder­we­zen dat de hand niet moet zeggen: ik heb de voet niet van node. En dat de voet nooit moet zeggen: ik heb de hand niet van node, maar dat elk zal woeke­ren met zijn gave.

De Heere heeft in de Kerk, in de levende Kerk, in de gemeenschap der heiligen een rijke verschei­denheid gegeven. Er zijn er, die de gave des gebeds heb­ben. Maar u zegt misschien: ik heb de gave van het gebed niet. Maar u hebt mis­schien de gave der vertroosting. Zo zouden we wel door kunnen gaan. We hoeven niet alle talenten te hebben, maar het betaamt ons om te onderzoe­ken of de Heere ons iets gegeven heeft. En als de Heere ons dan iets gegeven heeft, zal het vrucht­baar moeten zijn, om het ten nutte van onze naaste, gewillig en met vreu­gde aan te wen­den.

Er is nie­mand, die de Heilige Geest deelach­tig is, die geen gave ont­vangen heeft. Niemand kan inge­nt zijn in Chris­tus Zelf, zonder één gave ontvangen te hebben, want anders zijn we gan­selijk niet ingeënt in Christus. Nu gaat het er om dat we die gave gewillig en met vreugde aan zullen wenden. Dat wil zeggen, dat we het niet al zuchten­de zullen doen, maar dat er ook enige blijd­schap in ons zal zijn. Dat we het met vreug­de zullen doen.

Nu weet ik wel, dat het woordje vreugde een besmet woord is in ons midden. Maar ik bedoel ook geen pret, ik bedoel geen banali­teit. Maar als er nog wat van het paradijs is overgebleven, dan is het iets van die waar­achti­ge vreugde in God, van de vreugde uit het geloof.

Als er dan een gemeente is, die zijn talenten gaat begraven, die niet meer gewillig is zijn schatten en gaven ten nutte en ter zalig­heid der andere lid­maten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden. Als dan de vreugde dood is in het geven, ook in het materiële, want dat hoort er ook bij, al zal ik daar niet aller­meest van spreken. Als het ker­kelijke leven zou kwij­nen in materiële zaken, wan­neer de vreug­de op zou houden in de ge­meente, om gewil­liglijk onze schat­ten en gaven uit te delen, dan is ook het geloof dood. Want dan zegt Jakobus: "Toon mij uw geloof uit uw werken" (Jak.2:18).

U moet het zelf maar eens nalezen: als de vreugde en de gewillig­heid ophouden in de gemeente, dan is het geloof dood. Maar als nu misschien iemand zegt: ik heb geen talent, ik ben zo onmachtig. Wanneer er ie­mand is die zegt: wat kan ik doen? Wel, gemeente, God geeft aan iedereen wat. Dan is het minste wat een Christen nog wel uit kan delen de vreugde. De vreug­de kost u niets en daar hoeft u niets voor te kunnen. Dan kunnen we onze vreugde mede­delen aan onze naaste, dan kunnen we onze liefde nog ver­spreiden.

Er zijn voorbeelden bekend van mensen die weinig schat­ten en weinig gaven hadden, maar wat zij hadden dat hebben zij gegeven in de naam des Heeren: liefde en vreugde. Soms kan men niets doen met de handen of met de voeten, maar wel met het hart.

Zo is iedere gelovige schuldig om zijn gaven ten nutte en ter zalig­heid der andere lid­maten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

Zelfs de onmachtigste, al zou hij maar één druif voort­brengen uit de rank. Als het de liefde mocht zijn, dan zijn we toch vruc­htbaar in Christus Jezus. Laat er iets van mogen afstralen, zoals het ook afstraalde van de discipel­kring, dat zij elkander liefhadden. Zo geeft de Heere waar Hij het geloof schenkt, ook altijd Zijn gaven. Chris­tus heeft alles gegeven, gelief­den.

 

Dit is dan de toepassing: Christus heeft alles gege­ven, goed, lichaam en bloed en Hij heeft het gewillig gedaan en Hij heeft het met vreugde gedaan, Hij bracht waar­lijk een offer. En toen Hij dat offer ging brengen, heeft Hij eerst nog de lofzang gezongen en daarna heeft Hij Zichzelf Gode opgeofferd. Goed, lichaam en bloed.

Waarom wordt gij dan een Christen genaamd? Jawel, dan komt er toch iets van die gewilligheid in onze harten, waarin we toch heiligen zijn, hoewel we met Paulus moeten klagen: "Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens" (Rom.7:19,24).

Geliefde gemeente, het gaat om het geloof. Het is geen moeten, het is geen naarheid, het is geen raarheid en het is ook geen zwaarheid, maar het is waarheid en vreug­de.

Dan denk ik aan de Heere Jezus op het loofhutten­feest, daar goot men water uit voor Gods aangezicht. Toen heeft de Heere Jezus ge­zegd: "Die in Mij gelooft, gelij­kerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien" (Joh.7:38).

Wanneer Jezus het Licht der wereld is, zou er dan niet enige reflec­tie zijn in onze levens, als onze lichamen tempels zijn van de Heilige Geest? Zou er dan niet één venster in ons leven zijn, waar­door een straaltje licht valt? Ik denk het wel, gemeente. "Indien gij in Mij blijft", zegt de Heere Jezus Christus, "en Mijn woorden in u blijven", daar gaat het om. Dat we een nauwe omgang zullen hebben ook in dat Woord, om vruchtbaar te mogen zijn.

"Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders be­waard heb, en blijf in Zijn liefde" (Joh.15:10).­ Jezus betuigde in het geven van Zijn goed, lichaam en bloed, dat Hij daarin bleef in het gebod Zijns Vaders. "En dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Blijft in deze Mijn liefde". AMEN.