Zondag 21. Vraag en antwoord 56

                                         ZONDAG 21

                                    Vraag en antwoord 56

 

        Psalm   119 : 47

        Psalm     14 : 7

        Psalm     32 : 2,3

        Psalm     32 : 1

        Psalm     73 : 13

        Lukas       7 : 36-50

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 7 : 47 - 50

 

Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar verge­ven, die vele waren; want zij heeft veel liefge­had; maar dien wei­nig verge­ven wordt, die heeft weinig lief.

En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u verge­ven.

En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden ver­geeft?

Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.

 

Onze catechismus, vraag en antwoord 56

 

56. Vr. Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?

Antw. Dat God om des genoegdoens van Chris­tus wil al mijn zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nim­mermeer in het gericht Gods kome.

 

Wat gelooft gij van de vergeving der zonden? Dat is echt een vraag, die ook gesteld kan worden onder ons. Het is een vraag die altijd al ge­speeld heeft. Van de vergeving der zonden is nooit zoveel begre­pen. Zonder het geloof is die zaak ook niet in te zien.

We lezen van die mede aanzittenden, die gasten die een vrouw in hun midden hadden, een zondares wier zon­den vergeven waren en die door Jezus Chris­tus in de dadelijkheid werd vrij­ge­spro­ken toen Hij tot haar zeide: "Uw zonden zijn u verge­ven", dat zij er niet zoveel van begrepen hebben.

Want dan lezen we in ons teksthoofdstuk: "En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonde vergeeft?" Het merkwaardige is dat Jezus daar geen antwoord op geeft. Jezus geeft geen antwoord aan de schare, Hij wendt Zich niet tot de mede aanzittenden, maar Hij wendt Zich tot de vrouw en Hij zegt: "Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede".

Dat tekent dan meteen het belang van de vergeving der zonden. Het heeft te maken met het geloof: "Uw geloof heeft u behou­den". Daar ligt de behoudenis van een arme zondaar, want Jezus zegt: "Uw geloof heeft u behouden". Daar ligt ook de vrede van de ziel, gemeente, want Jezus zegt er bij: "ga heen in vre­de". Daar kun je de feestzaal mee verlaten, met dat heerlijke woord van de Heere Jezus: "Uw zonden zijn u verge­ven". Daar buldert als het ware, het feest en de vrede de deuren uit van die zaal, waar zij de maal­tijd had­den gebruikt.

Wat gelooft gij van de vergeving der zonden? Het ligt alles in Christus, want vraag 56 is een vervolg op het vorige antwoord, waarin gesproken werd, dat elke en iedere gelovi­ge deel heeft aan de schatten en gaven van Christus. Allen en iegelijk, die met Chris­tus verenigd zijn. De woorden die de catechis­mus daarbij gebruikt duiden het geheel aan, de Kerk in het geheel, maar ook iedere gelo­vige in het bijzon­der. Daar kan een zeke­re span­ning liggen.

De praktijk is zo, dat niet ieder, die toch wel mag belijden in een ogenblik van vrijmoedigheid, enig deel te heb­ben aan Jezus Chris­tus, even vrijmoe­dig zou dur­ven belijden dat zijn zonden vergeven zijn. Daar zit een stuk spanning in vanavond.

Onze catechismus vraagt ook niet aan die gemeen­schap der heiligen: wat weet gij er van? Maar: Wat gelooft gij... Dan is ook de verge­ving der zonden, die heel persoonlijke zaak, een zaak waarin we onderwe­zen moeten worden, waar we ook inzicht in moeten ontvan­gen.

Wat gelooft gij van de vergeving der zonden? Dat God om des genoegdoens van Christus wil al mijn zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome. Het is een vraag en antwoord waarin het voornaamste van de verge­ving der zonden beslist aan de orde moet komen.

Toch mogen er ook wel een paar aspecten blijven rusten, want in de catechismus zal driemaal gespro­ken worden over de vergeving der zon­den. Om achteraan te begin­nen in ons boekje, straks in het onze Vader over het gebed: en vergeef ons onze schulden. Ook dan zal er ge­sproken worden over de verge­ving der zonden. Maar ook in zondag 23 is de verge­ving der zonden begrepen.

In de vraag die wij ditmaal behandelen spreekt de cate­chismus voor het eerst het woord, het verlossende woord zouden we kunnen zeggen, de verge­ving der zon­den uit. Er ìs verge­ving der zonden!

 

      Zo Gij in 't recht wilt treden,

      O HEER, en gade­slaan

      Onz' ongerechtigheden,

      Ach, wie zal dan be­staan?

      Maar neen, daar is vergeving

      Altijd bij u geweest; (Ps.130:2 ber.).

 

Ik wil uw aandacht eerst nog ergens anders op vesti­gen, gemeente, en dat is: er zijn veel gods­diensten en er worden veel goden ge­noemd in deze wereld. Maar in geen enkele gods­dienst wordt dit leerstuk van de vergeving der zonden gevonden. Het werd ten diepste zelfs niet gevonden in het huis van Simon de Farizeër. De vergeving der zonden is exclu­sief ver­bonden aan Chris­tus, het is verbon­den aan het geloof, voor allen die met Christus verenigd zijn: zij hebben deel aan Zijn schat­ten en gaven.

Inderdaad, de vergeving der zonden is een schat, is een gave die in deze wereld schit­tert, maar alleen in Chri­stus Jezus! In alle gods­diensten is het zo, dat we ten diepste zelf moeten betalen wat wij schuldig zijn, zoals we dat ook tegenko­men in ons Schriftgedeelte.

"Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schulde­naars; de een was schul­dig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig. En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt". O, wonder van gena­de! Dat brengt Boeddha ons niet en dat vinden we ten diepste ook niet in de rooms-katho­lieke kerk of welke gods­dienst ook. Dat is het exclusieve wonder van Jezus Christus!

Vanavond iets nader over de vergeving der zonden. Het lijkt ons misschien wel een aardig onderwerp, misschien hebben we wel gedacht: fijn, de vergeving der zonden! Maar ik wil toch wel zeggen, dat het ook weer niet alles lieflijkheid is wat er in dit leerstuk beslo­ten ligt.

In de vergeving der zonden ligt ook verklaard wat de zonde is, in haar wezen. In verge­ving komt zonde en schuld open­baar. In de verge­ving der zonden komt openbaar, dat de zonde zo'n vreselijk onherroepelijk karakter heeft, ge­meente! De kleinste zonde die een zondaar bedrijft, is door een oceaan van heilig water niet af te wassen. Het kleinste vergrijp tegen de heili­ge wet Gods laat zich nooit herstellen, hetzij ten aan­zien van de eerste tafel: God lief te hebben boven alles, hetzij ten aanzien van de tweede tafel: onze naaste lief te hebben als onszelf. De zonde is onher­roepe­lijk!

Wanneer we dus geloven in de vergeving der zon­den, wanneer we daar werkelijk in geloven, dan geloven we ook in de diepte van onze schuld, in onze doem­waar­digheid en in onze helwaardigheid. U be­grijpt, dat het een relatief begrip is, als ik het heb over kleine zon­den: want zelfs de kleinste zonde is door een mens nooit goed te maken.

De vergeving der zon­den, dat leerstuk leert ons dat we, om het in gewone termen te zeggen,­ mislukkelingen zijn. Daarin ligt ook verklaard waarom er een gewel­dige vijandschap is tegen de verge­ving der zonden. We willen zèlf onze zonde herstellen, maar de zonde is onherroepelijk! Het geloof in de vergeving der zonden tast onze eigenwaarde aan.

Daarin ligt misschien ook iets verklaard van Achaz die zegt: "Ik zal het niet eisen, en ik zal den HEERE niet ver­zoeken" (Jes.7:12). Daarin ligt mis­schien ook het verzet verklaard van de mens, die het absurd vindt dat de zonden vergeven worden uit de gerech­tigheid van een Ander. Uit het lijden van een Ander, uit de tranen van een An­der, uit het bloed en uit het zweet van een Ander.

O, dat leerstuk van de vergeving der zonden maakt tot ootmoedige mensen, dat maakt tot deemoedige mensen. Daarvoor moeten we verlost wor­den van onze hoogmoed, onze super-hoogmoed, onze opstandige en goddeloze hoog­moed, die God niet wil erkennen. Onze hoogmoed, die ten diepste onszelf niet wil erkennen in onze af­gang in de zonde, in onze mislukking.

Het leerstuk van de vergeving der zonden brengt eigenlijk twee dingen aan het licht. Dat de zonden onherroepelijk zijn, dat heb ik u al gezegd. Niet één zondig woord is er uit te wissen, al zouden we ons hele Psalm­boek uitzingen. Al zouden we de gehele heilige Schrift lezen, hardop, dan is er nog niet één zondig woord ooit mee teruggeno­men, van wat er aan zonde van een mens uitgaat. O, dat blijft eeuwig voort­gaan. Het mag voor onze oren een keer verstom­men, voor de alwetende en de almachtige God verstomt het niet.

Vergeving der zonden wijst er ons ook op, dat de zonden vergeven moeten worden, omdat ze niet door de vin­gers gezien kunnen worden. Als we het aan willen duiden met woorden uit de juri­dische sfeer, ook uit de sfeer die we in het dagelijks leven tegenkomen, dan wijst het ons op twee dingen: dat we aansprake­lijk zijn voor onze zonden en dat we onmachtig zijn om te voldoen.

De mens is aansprakelijk voor alles wat hij doet. Al zijn we dan zo ellendig geworden in het paradijs, dat de catechismus zegt dat we van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten, de aansprake­lijkheid blijft. Daar zijn we schuldig onder en daar blijven we schu­l­dig onder. Het is een schuldige onmacht, dat we ge­neigd zijn tot alle kwaad, dat we van nature zo bedor­ven zijn voor Gods aange­zicht.

Om de zaak gelijk maar op de spits te brengen:­ het is van tweeën één, tegenover de verge­ving der zonden staat de eeuwige verdoeme­nis vanwege onze zonden. Wanneer de schuld voor eigen rekening blijft liggen en een eeuwige jammer mee zal bren­gen, een eeuwige bui­tenste duisternis, een eeuwig­e wening en kner­sing der tanden.

Er is maar één weg open, want ook in de hel ­zullen we onze schuld in der eeuwigheid nooit afbetaald krijgen. Het beslissen­de moment voor ons allen, ligt hier in dit leven op weg en reis naar de eeuwig­heid. Tussen verdoe­menis en vergeving ligt geen tussenweg. Het is niet mogelijk in ons leven om tussen die vreselijke verdoemenis en tussen de verge­ving door te gaan. Een tussen­weg is er niet, het is van tweeën één. "Maar bij U is verge­ving" (Ps.130:4).

In de vergeving der zonden wordt schuld pas waar­lijk schuld. Bij de mensen is vergeving vaak 'een door de vingers zien'. Onze catechis­mus waarschuwt daarvoor.

Het eerste wat de catechismus ons zegt, dat is: Dat God om des genoegdoens van Christus wil al mijn zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

Het gaat er dus om, dat vergeving der zonden geen goedkope zaak is. Zoals het op het menselijke vlak soms gaat, dat we de schuldige maar laten lopen en het recht verkrachten. Verge­ving is ten diepste een dure zaak. Niet gekocht met goud of met zilver, maar door het dierbare bloed van Jezus Chris­tus, door Zijn bloed, Zijn tranen en Zijn lijden. De cate­chis­mus vestigt er de aandacht op, dat het gaat om de genoeg­doening. Daarin gaat het over alles of niets van Chris­tus' verdienste, van de vol­brachte zaak op Golgotha, maar ook van de vol­brac­hte zaak te Beth­le­hem, ook van de volbrachte zaak te Nazar­eth.

Genoegdoening... Een ander woord wat de catechismus gebruikt en waar we over gesproken hebben op een andere plaats, is de gerech­tigheid van Christus. Want als de vergeving der zonden niet als basis de gerech­tigheid heeft, dan is dat het groot­ste onrecht wat God kan doen ten opzichte van Zijn eigen deugden, maar ook ten opzich­te van Zijn schepsel.

Als er iets tot troost is voor het geloof, voor het geoefende geloof, dan is het juist de gerechtigheid Gods. Het eerlijk-is-eerlijk bij God. Zodat het ook een vast fundament geworden is, omdat het in de wonden van Jezus Christus verankerd ligt. Het ligt eeuwig vast in de gerechtigheid van Jezus Chris­tus aan Wien de zonden bezocht zijn, opdat zij aan de Kerk vergeven zouden worden.

Wat gelooft gij van de vergeving der zonden? Dat God om des genoegdoens van Christus wil al mijn zonden, ook mijn zondigen aard... Dat ligt in de verzoening beslo­ten gemeente. Ik heb vanmor­gen gezegd dat het niet alleen de zonden zijn, die wij ge­daan heb­ben, het is ons gehele schuldige wezen, dat wat we zijn voor God. Het is niet alleen het 'gij zult niet' wat verzoend is, het is ook het 'gij kunt niet' en het 'gij wilt niet' wat verzoend is. Het gaat in de genoeg­doe­ning en in de gerechtigheid van Christus om het alles of niets van de vergeving der zonden, om het alles of niets van de gerechtigheid van Jezus Christus.

Nu vraagt onze catechismus heel persoonlijk aan ù: Wat gelooft gij van de vergeving der zonden? Een geloofs­antwoord spreekt niet over de zonden van een ander, of over de zonden van de kerk. Het gaat om de toeëi­gening van de genoegdoening en van de gerechtig­heid van Christus, waar­door wij ook leren spreken door vrije genade over 'ik' en 'mij'.

Dat God om des genoegdoens van Christus wil al mijn zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ìk al mìjn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

Dan geldt de vergeving der zonden ook ten opzichte van het gericht dat eenmaal komen zal over ons leven: "Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad" (2 Kor.5:10).

Wanneer we daar een­maal zullen staan in het gericht zonder de genoeg­doening en de gerechtigheid van Christus, we zullen ner­gens meer blijven.

Maar het leert ons ook dat, wanneer wij door het geloof deel hebben gekregen aan Christus en aan Zijn schatten en gaven, wij dan deel zullen hebben aan de vrijspraak in het Godde­lijke ge­richt. Zodat het gericht voor de levende Kerk slechts een welkom zal zijn: "Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Konink­rijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld" (Matt.25:34). Zodat de catechis­mus zegt: opdat ik nimmermeer, we­zen­lijk, in het gericht Gods kome.

Deze keer gaat het over de vergeving der zonden, de vol­gende keer over de opstanding des vleses en het eeuwige leven. Dat zijn drie zaken die bij elkaar horen.

Nu wil ik mij beperken tot dat troost­rijke stuk van de vergeving der zonden, maar laat ik er nog iets bij mogen zeggen, want dit is zon­dag 22 en zon­dag 23 van de rechtvaardigmaking komt in het zicht. De recht­vaardigmaking bestaat uit twee delen: de vergeving der zonden vanwege de lijdelijke gerechtig­heid van de Heere Christus en het recht op het eeuwi­ge leven vanwege de dadelijke gehoor­zaamheid van de Heere Christus.

De catechismus legt een verbinding tussen de verge­ving der zonden en het in Chris­tus Jezus ingelijfd te zijn. Dan is het zelfs voor zuigelin­gen, die er nog geen weet van hebben. Maar u, hebt u weet van de ver­ge­ving der zonden?

Er moeten twee dingen onderscheiden worden, die we ook in ons tekstgedeelte terugvinden: de verge­ving der zonden en de bevindelij­ke kennis daarvan: "Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord" (Ps.56:5 ber.).

Dat kan onderscheiden liggen, de zaak van de verge­ving der zon­den als zodanig en die heerlijke Goddelij­ke vrijspraak in het hart. Het kan zijn dat we in Chris­tus ingelijfd zijn door dat ware geloof en aan al Zijn schatten en gaven gemeenschap heb­ben, maar dat we de vrijspraak missen.

Nu kom ik bij een praktisch probleem, gemeen­te. Er worden mij dikwijls vragen gesteld over de verge­ving der zonden, waarbij men dan meestal dat woord van vrijspraak bedoelt, waar­door het hele leven eindelijk eens op rust zou komen. Want dan zou men zich immers vrijgesproken weten. Och, het is eigen­lijk het eerste wat we gaan vragen nietwaar, of de Heere onze zonde ver­geeft, of de Heere onze schul­d ver­geeft. We zijn toch zo slim, tot in onze be­vinding toe! Dan wordt er vaak gevraagd: o domi­nee, waar­om ant­woordt God ons niet? Ik heb mis­schien al dui­zend keer gevraagd om de verge­ving der zonden, maar Hij heeft nog nooit tot mijn ziel gespro­ken: "Uw zonden zijn u verge­ven".

O, wat is een mens daarin listig! Daarin is hij niet bevindelijk bezig met God, maar zakelijk. De mens speelt op veilig, hij speelt altijd op veilig.

Als hier op aarde al die vragertjes en al die kla­ger­tjes gelijk kregen, dan zou het hier op aarde mis­schien wel feest zijn, maar dan kon de hemel wel geslo­ten worden. Dan was God Zijn zuchters en Zijn klagers en Zijn bidders kwijt.

Want als we maar zeker wisten dat onze zonden verge­ven waren, dan konden we de wereld in. Dan waren we verzekerd en dan konden we twee levens gaan leven: dit aardse leven en daar aan vastge­knoopt het eeuwige leven. Dan konden we ons hart ophalen aan alle dingen van deze wereld, aan alle dingen van deze tijd, vanuit de wetenschap: "Ik heb het vrijsprekende woord zelf uit Zijne mond gehoord".

Ik wil u er op wijzen, gemeente, dat in onze wester­se wereld een woord een woord is, maar Gods woorden zijn tegelijk daden. We hebben gelezen in Lukas 7 over de schuldvergeving. Daar ligt een zonda­res die verbroken is, die aangeraakt is door de Heilige Geest, die ingelijfd is in Christus door de verborgen wer­king van de Heilige Geest.

Het is heel opvallend dat die vrouw in Lukas 7 niet aan dat huis staat te bellen en te roepen of haar zonden vergeven mogen worden. Het gaat om een ande­re zaak: wanneer we door de Heilige Geest in Christus zijn ingelijfd, dan gaat Chri­stus Zelf trekken in ons leven. Dan komt er moed in ons leven om Christus achterna te gaan.

Dan zien we die vrouw het huis van Simon de Farizeër binnen­gaan. Dat was een gang, geliefde gemeente! Geloof geeft ook moed, want wat die vrouw deed was nog veel moediger dan Daniël die de leeuwenkuil in­stapt, want die vrouw gaat naar Jezus toe. En ze gaat niet in de eerste plaats naar Jezus toe om vrijge­spro­ken te mogen worden, om dat hoge woord te mogen ontvan­gen van de Heiland. Die vrouw gaat naar Jezus toe om iets te brengen. O, zult u zeggen, kan een mens dan toch wat aanbrengen? Jaze­ker, in het negatieve. Ze brengt haar zonde en haar schuld aan de voeten van de Heiland. Wat zou vergeving der zonde waard zijn, wanneer zonde en schuld geen wer­kelijk­heid waren? Hier zien we boet­vaardig­heid, ware boet­vaardigheid.

U moet zich in de eerste plaats maar eens toetsen of u daar iets van kent, van die verborgen liefde, die Chris­tus achterna gaat. Zij gaat naar Zijn voeten en ze huilt Zijn voeten met haar tranen nat. Dan lezen we dat ze haar haren losmaakt. Dat was een bijzonder gebaar in het Oosten, ik ga dat niet helemaal uitleggen, ik wil kies zijn, ik wil het slechts aandui­den. Dat gebaar betekende de volledi­ge over­gave van een vrou­w. Zo legt zij zich gees­telijk aan de voeten van de Heere Jezus Christus. Is dat ùw gestalte weleens ge­weest?

Ze heeft er geen erg in, dat wat ze doet, raar is in de ogen van de wereld, dat het raar is in de ogen van Simon. Simon en die mede aanzittenden, die met hun onheilige gedachten die vrouw beschadi­gen. Het is iets heiligs: ze maakt haar haren los en ze droogt die gezegende voeten van haar Heiland af en ze zalft Hem met olie.

Wanneer het gaat over de vergeving der zonden, dan is dit zeker, dat het niet zomaar een woord is wat God spreekt, te pas en te onpas. God brengt dat woord thuis in het verbroken en ver­slagen hart, waar de zonden door de Heilige Geest verbroken zijn.

Het is geen voorwaarde gemeente, begrijp me goed, dat wij eerst de zonden moeten verbreken en daar dan als een aardig geschenk van God de vrij­spraak over krij­gen. O, nee, maar het is één zaak. Het is één zaak, die de Heilige Geest bewerkt door een ziel in te lijven in Christus. Dan komt het tot iets, waartoe het nog nooit geko­men is: tot warme tranen en tot een warme boet­vaar­dig­heid.

 

      Diep, o God, in 't stof gebogen,

      Schuldig voor Uw hoog gericht,

      Vloeien tranen uit ons' ogen,

      Dekt de schaamt' ons aangezicht.

 

Kent u iets van die kostelijke liefde, gemeente? De Farizeër kent het niet, wie er buiten staat kent het helemaal niet. Want Simon zegt: "Indien Hij een pro­feet ware, Hij zou wel weten, wat en hoeda­nige vrouw deze is". Als Simon geestelijk leven gekend had, dan had hij wel kunnen onderscheiden dat er een verbroken zon­dares aan de voeten van de Heere Jezus lag.

Wat moet dan onze voornaamste zorg zijn? Dat ons stenen hart verbroken wordt, dat we een echt klop­pend hart zouden ontvangen van God. Hebben wij reeds een warm kloppend hart gekregen voor die geze­gende Zoon van God, Jezus Christus? Dat moet onze vraag maar zijn. Zijn we weleens stuk gebro­ken? Stuk gebro­ken, waarop? Op de tien geboden soms? Ik dacht het niet! Maar bent u al stuk ge­broken op de liefde Gods in Christus Jezus. Met tollenaars en zondaars ging Hij om. Daar ligt de ruimte om tot Jezus Chri­stus te gaan, als gij een zondaar, een schuldige ge­worden zijt.

 

      Met tollenaars en zondaars gingt Gij om,

      Want Gij wist van hun doen het hard waarom,

      dat steeds verzwegen werd: hoe één zo arm kan zijn

      en zo aan 't kwaad verkocht en zoveel pijn

      diep in zijn ziel kan voelen, dat alleen

      God hem nog troosten kan, maar anders geen.

 

Nu is de zaak tweeledig. De halve kerkwereld zou gerust zijn als ze de zaak van Lukas 7 zouden missen, en toch maar dat woord zouden hebben. Maar wan­neer het werkelijk begonnen is om Jezus Christus, laat mij het woord dan maar missen, als ik de zaak dan maar mag hebben. Waarom heb ik me nooit dood ge­weend over mijn zonde? Waarom, Heere Christus heb ik me nooit dood ge­weend van­wege Uw liefde?

Waar God het ene werkt, daar werkt Hij ook het ande­re. We lezen immers: "Daarom zeg Ik u: Haar zon­den zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig verge­ven wordt, die heeft weinig lief".

Dan komt er een wending in het gesprek en dan spre­ekt Jezus niet meer met de Farizeër. Wanneer het hart verbroken is, wanneer het hart leeggeschreid is van die vrouw in Lukas 7, dan wendt Jezus Zich tot haar: "Uw zonden zijn u vergeven. En die mede aanza­ten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft?"

 

Ik moet misschien ook nog een beetje leerstel­lig wor­den vanavond. Door Wie worden de zon­den verge­ven? Om daar een ant­woord op te vinden, moeten we naar de Schrift, daar lezen we dat de Vader de zonden ver­geeft. Onze Schepper en onze Formeerder ver­geeft de zonden. Op welk een wijze?

In het Oude Testament door Zijn dienstknechten, door de Profeten. Ik lees dat het Nathan is, die David mag zeggen: "De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen" (2 Sam.12:13). In het Oude Testament waren het de diens­t­knechten des Vaders, de Profeten.

In het Nieuwe Testament is het de Zoon des Vaders, Die een Dienstknecht geworden is, Die in de naam van de Va­der, de vrij­spraak verleent en zegt: "Uw zon­den zijn u vergeven".

En in onze tijd, zult u vragen: Wie is het, Die in onze tijd de zon­den ver­geeft? Het is God, de Vader.

Maar nu ook nog een klein stukje onderwijs: hoe ver­geeft Hij nu? Door de Heilige Geest. Laat ik het maar zo mogen zeggen: waar klinkt Zijn stem "Uw zonden zijn u vergeven?" Die stem klinkt op twee plaat­sen: zij klinkt in het Woord en in het hart tezamen.

Die stem klinkt niet alleen in het hart, dan zijn we mystiek, dan onderschatten we het Woord. Die stem klinkt ook niet alleen in het Woord, dan zijn we te objec­tief. Dáár vindt de ziel vrede, waar het twee­zij­dig klinkt, zowel in het Woord als in het eigen hart: "Uw zon­den zijn u verge­ven".

Zijn het altijd dezelfde woorden, geijkte woorden? O, ik heb iemand gekend die vertelde, dat hij werd ge­bracht in het paradijs van het Woord toen God Zijn scha­tten en gaven ging openen aan zijn ziel. Vóór die tijd was er in dat gehele Woord niet één goed woord, het ge­tuigde alles tegen mij, van de eerste bladzijde tot de laatste. Het getuigde tegen mij van het eerste woord tot het laatste woord.

Men zegt weleens: dat dierbare Woord. O gemeen­te, er zijn ogen­blikken, vergeet het maar, dan is het een tweesnijdend scherp zwaard. Dan zou u jaren kunnen zoeken zonder het woord te vin­den waaraan u zich vast kunt hou­den, waaraan u zich vast kunt klem­men, waaraan u zich kunt vertroosten.

Maar toen het dan ook om mocht keren, waar klonk dat Woord toen pre­cies? Was het in Lukas 7 of in die beroem­de tekst van Jeremia? Veel te krap, veel te krap broe­der, veel te krap zuster. Toen stelde God het para­dijs open, een nieuw paradijs, het paradijs van het Woord. Dan lees je het in Genesis 1:1 tot en met Openba­ring 22 het laatste vers. Dan is het overal te vinden. Dan is God met Zijn volk tevre­den en dat volk is dan tevreden met God.

De vergeving der zonden is een zalige zaak. U zult u aan het Woord niet kunnen troosten, als u de zaak moet missen van Lukas 7. Wanneer u geen verbroken, geen boetvaardige zondaar, geen verbro­ken boetvaardi­ge zondares geworden zijt. Moge de Heere het ons maken, geliefde gemeente. En waar Hij het gemaakt heeft, daar moge Hij het ook bevestigen, door Zijn Woord in uw hart en in het Woord, door de Heilige Geest. AMEN.