Zondag 23. Vraag en antwoord 59 - 60

                    VAN DE RECHTVAARDIGMAKING

                                         ZONDAG 23

                               Vraag en antwoord 59 en 60

 

        Psalm    100 : 1,4

        Psalm      20 : 3

        Psalm    103 : 2,7

        Psalm      32 : 1

        Psalm    119 : 23

        Romeinen  5

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Romeinen 5 : 1 - 2

 

Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus;

Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.

 

Onze catechismus zondag 23, vraag en antwoord 59 en 60

 

59. Vr. Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft?

Antw. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens.

60. Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Antw. Alleen door een waar geloof in Jezus Chri­s­tus; alzo dat, al is het dat mij mijn consci­ëntie aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaa­r­lijk gezondigd en geen daarvan gehou­den heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid vol­bracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zoverre ik zulke wel­daad met een gelovig hart aan­neem.

 

Wel, geliefde gemeente, deze keer behandelen wij zon­dag 23, daar staat boven: Van de rechtvaardigmaking. Dat is het wonder van het heilig Evangelie, dat God goddelozen rechtvaardigt, en dat is ook een wonder geweest voor de opstellers van deze catechismus. Is dat ook in uw leven al een wonder ge­worden, dat God zondaren recht­vaar­digt?

God rechtvaardigt zondaren door het geloof. "Wij dan, gerechtvaar­digd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus". Het geloof is een Godsgeschenk. Het geloof komt voort uit de eeuwige Godsgedachte, uit het welbe­hagen des Vaders van eeuwig­heid, als de enige weg waarin Christus toegeëigend kan worden, waarin we Christus aan het hart kunnen drukken tot recht­vaardi­ging van ons leven.

Daarover zal de catechismus straks ook spreken in vraag en ant­woord 61, wanneer gevraagd wordt: Waar­om zegt gij dat gij alleen door het geloof recht­vaar­dig zijt? En ook in zondag 24: Maar waarom kun­nen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn? Alleen het geloof is de Gode welbe­hagelij­ke weg om antwoord te geven op de vraag van zondag 23: Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfge­naam des eeuwigen levens.

Zondag 23 is een eigenaardige zondag. Het is een zondag die bijzon­der geliefd is, de zondag van de rechtvaar­digma­king. Het is altijd weer: wat zullen we er van zeggen, of wat zullen we er van horen?

Wel, gelief­de gemeente, de delen waaruit de rechtvaar­diging bestaat, zijn al aan de beurt geweest in het voor­gaan­de van de cate­chismus. Daarin is reeds gezegd wie wij zijn en daarin is reeds verklaard Wie God is. Maar zondag 23 voegt het samen tot een organisch geheel onder de vraag: Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Dat ik in Christus voor God recht­vaardig ben, en een erfge­naam des eeuwigen levens.

Wat kan er ontzaglijk veel gezegd worden in één zin. Want, laten we Ursinus en Olevia­nus hoogach­ten, het waren echte geloofshelden die veel inzich­t hadden, maar het waren toch ook zondaren. En zo'n antwoord kan nu nooit gegeven worden, anders dan door een zon­daar. De enge­len kunnen hier geen antwoord op geven.

Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Daar kan slechts een arme zondaar op antwoorden: Dat ik, heel persoonlijk, dat ìk in Christus voor God recht­vaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens. Dan volgt straks nog een nadere ontvouwing in de volgende vraag en in het volgende antwoord. Maar wat is vraag en antwoord 59 toch schoon in zijn kort­heid.

Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Wan­neer er een terugblik gegeven wordt op de twaalf Artikelen: Van God den Vader, van God den Zoon en van God den Heiligen Geest.

Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Wat kan een antwoord dan juist schoon zijn in zijn kort­heid. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens. Wat houdt dat antwoord eigenlijk in? Dat deze zondaar leeft! En dat hij leeft, dat leeft hij Gode in Chris­tus Jezus.

Dan worden er twee zaken ge­noemd. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben dat is het ene en dat ik een erfgenaam des eeuwi­gen levens ben dat is het andere. Dat is zo'n schone samenvoeging, want wat zouden we er aan hebben, om een erfgenaam des eeu­wigen levens te zijn zonder ge­rechtigheid?

Hebt u zich weleens ingedacht dat we dan net zo zouden zijn als Adam en Eva in het para­dijs, toen ze de wel­da­den van het paradijs nog hadden, maar reeds gevallen waren? Wat was het toen vreselijk in het para­dijs. Zij moesten zich verbergen voor God en zij moesten zeggen: wij schamen ons, want wij zijn naakt.

Het is zo'n eeuwig wonder dat hier twee zaken bij elkaar genoemd worden. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfge­naam des eeuwigen levens. De mens heeft zijn origi­nele, zijn gescha­pen recht­vaar­digheid verloren.

Maar nu is het grote Godswonder, dat er een gerech­tigheid door de Heere Zelf is aangebracht. Daar komt geen mens aan te pas. Daar kom ik niet aan te pas met mijn tranen, met mijn geween, met mijn wets­betrach­ting, daar kom ik zelfs niet met mijn bevinding aan te pas. Het ligt geheel vrij in God de Vader, Die hulp be­steld heeft bij een Held, bij Jezus Chri­stus als de tweede Adam, Wiens gerech­tigheid zo over­vloe­dig is, dat Hij de gehele wereld zou kunnen bedelen met Zijn gerechtigheid. Als ik het naar de kwan­titeit moet zeg­gen, dan zou Hij wel dui­zend werel­den vol geval­len zondaren kun­nen be­kleden met Zijn ge­rechtigheid.

Zo wordt hier gelezen: Dat ik in Christus voor God toegerekend rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens. Ik meen dat ik het u een vorige keer al gezegd heb, dat die twee zaken tezamen de recht­vaardiging inhouden. Waar ik mijn oorspron­kelijke gerech­tig­heid kwijt­ge­raakt ben in het paradijs, zodat ik naakt voor God kom te staan, daar krijg ik in Chri­­stus een toegere­kende ge­rechtigheid. Een toegere­kende ge­rech­tigheid, waar­van Jesaja juicht: "Hij heeft mij be­kleed met de klede­ren des heils, den man­tel der ge­rechtig­heid heeft Hij mij omge­daan" (Jes.61:10). Zodat de Kerk zichzelf niet hoeft te bedek­ken met vijgebla­deren, maar met de kle­ding van Chris­tus. Met Zijn gerech­tig­heid en laat ik er ook bijvoe­gen: met Zijn heiligheid, die aan­ge­naam is in de ogen Gods.

Waar zondag 23 zegt: Dat ik in Christus voor God rech­tvaardig ben, en een erfge­naam des eeuwigen levens, daar vloeit het alles uit Christus voort. Dat ik voor God recht­vaardig ben, vloeit voort uit Zijn lijde­lij­ke gehoorzaamheid en dat ik een erfgenaam des eeuwi­gen levens ben, vloeit voort uit de dadelijke ge­hoor­zaamheid van Chris­tus.

U kent toch dat onderscheid, gemeente? Dat Hij door Zijn lijden verzoening heeft aange­bracht en dat Hij, door Zijn gehoorzaamheid aan de eis van Zijn Vader, de gerechtigheid en het eeuwige leven heeft ver­worven.

Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens. Dat zal wat zijn, ge­liefde ge­meente, wanneer we iets kennen van die man­tel der gerechtigheid en van die klederen des heils, waardoor we in Jezus Christus zo hersteld zijn, dat het schepsel zijn ogen weer op kan slaan tot zijn Sche­pper. De Schep­per­ heeft van Adam en Eva ge­spro­ken: "en ziet, het was zeer goed" (Gen.1:31). "En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaa­mden zich niet" (Gen.2:25).

Maar met eerbied gesproken, de voortreffelijkheid van deze tweede schep­ping gaat de eerste schepping te boven, zoals de voortreffelijk­heid van het genadever­bond het werkverbond te boven gaat. Zoals we dat ook lezen in Romeinen 5. De voortreffelijkheid wanneer er een zon­daar staat voor Gods aangezicht, in de gerech­tig­heid van Jezus Christus, in de mantel der gerech­tig­heid en in de klederen des heils. Dan zal de Heere van dat sche­psel niet zeggen: zeer goed, maar dan zal Hij met eerbied gesproken zeggen: 'nog beter'.

Dat is de grote triomf van Christus, dat is de grote overwinning van de Vader, dat is de eeuwige zegepraal van de Heilige Geest in het genade­verbond, waarin een mens finaal wordt uitgeschakeld en waarin alleen het Goddelijke nog telt. Dat God zondaren verkiest van eeuwigheid, dat Jezus Christus hen wast in Zijn bloed en dat de Heilige Geest dit toepast aan een zondaar.

Als een zondaar dan zo voor Gods aangezicht is her­steld, dat God de Vader, de Schep­per, met eerbied gesproken moet zeggen van dat schepsel, dat bekleed is met de ge­rechtigheid van Jezus Christus: Het is niet alleen zeer goed, het is nog beter! ­Wat zal dan dat hemelse para­dijs eenmaal zijn, om een erfge­naam te zijn van het eeuwi­ge leven.

 

Wanneer hier gesproken wordt over het eeuwige leven, dan gaat het om twee zaken, om twee momenten in dat woordje eeuwig. Dat is een kwantitatief begrip, dat zult u begrijpen. Het betekent: nooit meer te sterven, omdat de laatste vijand te niet gedaan zal zijn, dat is de dood.

Maar het is niet alleen een kwantitatief begrip, het eeuwige leven is ook een kwalitatief begrip. Want het bete­kent ook een volmaakte vreugde, dwars door de eeuwigheid heen. Een vreugde die nooit meer ophoudt, geliefde gemeente. Uit onze eigen geschapen gerech­tig­heid konden we vallen en uit onze eigen geschapen gerech­tigheid zìjn we gevallen. Maar dit is de glorie van het werk van Jezus Christus in het genadever­bond, dat wie daarin is nooit meer zal vallen. Jezus Christus heeft gezegd: "En niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken" (Joh.10:28).

Dit is de pit, dit is het merg van het Evangelie voor allen die voor God ingewonnen zijn. Om het ner­gens anders meer te zoeken en om het nergens anders meer te vinden  dan buiten ons in een Ander, in Jezus Chri­stus.

De rechtvaardigmaking is onderscheiden van de heilig­ma­king, het hoort in zekere zin bij elkaar. Er is een band tussen rechtvaardigma­king en heiligma­king. Een band die we telkens onder woorden gebracht zien in de catechismus. Wie het bloed van Jezus Chris­tus Gods Zoon ontvangt tot rech­tvaardig­ma­king, die zal ook ontvangen de Geest van Jezus Chris­tus tot heilig­ma­king.

Dat hebben we zo schoon gezien in het sterven van de Heere Jezus toen men Zijn zijde doorstak met een speer en terstond kwam er bloed en water uit: recht­vaardigmaking en heiligma­king. Het bloed der gerech­tigheid, maar ook het water, het eeuwi­ge leven, de le­venssappen van Chris­tus tot heiligma­king.

Zoals Jezus Christus het heeft gezegd op het Loofhut­tenfeest in Johan­nes 7: "Die in Mij gelooft, gelijker­wijs de Schrift zegt, stro­men des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien" (Joh.7:38).

Wan­neer we spreken over de rechtvaardigmaking, dan is het mij een grote behoefte om te zeggen dat we maar niet moeten praten over onze rechtvaardigmaking, wanneer het niet uit onze heiligmaking blijkt. Laat ons niet hopen op het bloed van Christus, als we de Geest van Christus moeten missen in ons leven, geliefde gemeente.

Ik wil ook nog een onderscheid aanbrengen tussen rechtvaardigma­king en heiligmaking. De heiligmaking is gebrekkig in een zondaar. De heiligmaking zal pas voltooid zijn in de eeuwigheid, wanneer Gods Kerk geheel vernieuwd zal zijn naar ziel en li­chaam. De heerlijkmaking zal de heiligmaking van de Kerk voltooi­en.

Wanneer we Paulus gaan vragen naar de heiligma­king, dan horen we de diepe klacht: "Want het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (Rom.7:19,24). Daarin zit de be­geerte naar de heerlijkmaking, dwars door dood en graf heen, om de heiligmaking voltooid te krijgen.

Maar dezelfde Kerk, die zo moet klagen naar de heilig­ma­king, mag roemen naar de rechtvaardigmaking. Mag met diezelfde Paulus zeggen: "Wie zal beschuldiging inbren­gen tegen de uitverkorenen Gods?" (Rom.­8:33).

Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfge­naam des eeuwigen levens. Wat kan het dan wonderlijk gaan, gemeente! Dan kun je wel rijk zijn in deze we­reld, maar een erf­genaam zijn van het eeuwi­ge ver­derf, wat zal dat vreselijk zijn. Maar je kunt ook een arme Lazarus zijn in dit leven, wat was hij de rijke man toch zeer ver vooruit, want hij was een erfgenaam des eeuwigen levens. Dat ik in Christus voor God recht­vaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen le­vens.

Zo komen we bij de volgende vraag: Hoe zijt gij recht­vaardig voor God? Maar ik geloof toch, dat we vóór alle dingen de vraag moeten beantwoorden: Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Dat ik in Chri­stus voor God rechtvaardig ben, en een erfge­naam des eeuwigen levens. Over wie spreekt de catechis­mus hier? Daar moet een eerlijk antwoord op komen.

Het gaat hier toch nog steeds om de schatten en gaven van Christus. Voor wie, voor wie? We zullen terug moeten blade­ren in onze cate­chismus naar het spreken over de heilige, algemene, Christe­lijke Kerk. Zij, die in Christus zijn inge­lijfd, hebben deel aan alle schat­ten en gaven van de Heere Jezus Christus.

Hier wordt gevraagd: Maar wat baat het u nu, voor wie zijn de baten? Dat wil zeggen: wie zijn er recht­vaar­dig voor God? Wie zijn de erfge­namen van het eeuwige leven?

Wat is een erfenis eigenlijk, gemeente? Een erfenis is er voor allen, die geschreven zijn in het boek des levens, voor die is ook de erfenis van het eeuwige leven. Wie zijn er met Christus ver­enigd? Wie zijn er in Christus ingelijfd? Allen, die wedergebo­ren zijn. "Want zovelen als er door den Geest Gods geleid wor­den, die zijn kinderen Gods" (Rom.­8:14).

Heeft iedereen daar dan evenveel troost van?  Nu vraa­gt u mij wat. Ik geloof niet, dat er één miljonairs­kind onder de 3 of 4 jaar, troost heeft van het feit dat hij erfge­naam is van een rijke vader en moe­der.

Wij komen stra­ks een bijzondere opmerking tegen in antwoord 60: zoverre ik zulke weldaad, de weldaad van de rechtvaardigmaking, met een gelovig hart aanneem.

Wat is daar veel onbegrip over ge­weest, alsof de mens actief zou moeten zijn. Zo van: als ik het maar geloof. Wat geloof? O, niet het geloof in God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, maar het geloof in de weldaad. Wat een misvatting van het geloof. Ik wil het toch vooraf maar zeggen, het gaat niet om een geloof dat zich richt op de weldaden, nee, het gaat om het geloof, dat zich ver­enigt met Jezus Christus in de le­vendma­king!

Zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aan­neem, dat wil niet zeggen dat de mens actief is. Het houdt wel in dat de troost, de troost van de zaken Gods, nooit groter is dan het geloof. Dat is de regel van het Koninkrijk Gods: "Zo gij kunt gelo­ven" (Mark.­9:23). Laat ik het maar iets an­ders zeggen, net omge­keerd: ons onge­loof staat God in de weg, om Zijn scha­tten en gaven in onze levens te kunnen ont­vou­wen.

Maar wat nog meer? Ik heb gezegd dat de troost nooit groter kan zijn dan het geloof. Het geloof kan ook nooit groter zijn dan de kennis, geliefde gemeente. Het gaat weliswaar over een geheiligde kennis, geen blote kennis zonder meer, maar het gaat om de kennis van hoofd en hart, om het verstand van God en goddelijke zaken. Want het is beslist niet mogelijk om een zaak te gelo­ven die wij niet kennen.

Ik hoor het die arme man in het Evangelie immers zeggen, wanneer Jezus vraagt: "Gelooft gij in den Zoon van God? Hij antwoordde en zeide: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge geloven?" (Joh.­ 9:35-36). Want de kennis, de geloofskennis is nooit groter dan de open­baring van Godswege.

Voor de duidelijkheid herhaal ik het nog een keer. De troost is nooit groter dan het geloof. Het geloof is nooit groter dan de kennis. En onze kennis is nooit groter dan wat God ons geopenbaard heeft.

In zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aan­neem. Ik weet wel zeker, dat dit niet inspeelt op dat eigengemaakte geloof, dat denkt alles zelf in te kunnen palmen. Dat eigengemaakte geloof heeft geen vrucht en heeft geen gevolg. Pau­lus zegt: "Wij dan, ge­recht­vaar­digd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus".

Het gaat in dezen nog altijd over zoiets als een mee­maakzaak, geen christelijke filosofie en ook geen theo­logie van eigen maaksel.

Zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aan­neem, is hier ge­schreven als vermaning, opdat we bezig zouden zijn als de apostelen die zeiden: "Heere, vermeerder ons het geloof" (Luk.17:5).

U kent de geschiedenis van die vader van de maanzie­ke knaap. De Heere Jezus zeide tot hem: "Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft. En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovig­heid te hulp" (Mark.9:23-24).

Dat geloof reflecteert op haar beurt hetgeen God uit­stalt in Zijn Woord. Waarvan we kennis nemen in Zijn Woord en in de belofte, door de Heilige Geest. Daarvan is dat geloof als het ware afhanke­lijk. Ook daar lees ik iets van in de Schrift: "Opdat ik Hem ken­ne. Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben" (Fil.3:10a,12).

O, dan heeft dat een waarschuwend karakter vanavond, zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aan­neem. Dan krijgen we huiswerk mee, gemeen­te. We zitten weleens erg in de lijdelijke hoek van: de Heere moet het doen. Ik weet het hoor, dat de Heere het moet doen. Maar bent u lijdelijk of kent u daarin de lijd­zaam­heid der heiligen?

Wat zou ons naarstigheid passen, wan­neer we lezen: "Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Chris­tus" (2 Petr.­3:18). Wat zou naar­stig­heid ons passen in plaats van lijde­lijk­heid. Wij zouden allen tezamen Bere­ërs moe­ten zijn: "dezen waren edeler, dan die te Thessaloníca waren, als die het woord ontvingen met alle toegene­genheid, onder­zoeken­de dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren" (Hand.17:11).

Zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aan­neem. Ik heb over deze weldaad nog niet veel gespro­ken, maar dat zullen we misschien de volgende keer doen. Er zit hier onderwijs genoeg in, geliefde gemeen­te, of wij er iets van kennen. Het is ook niet een lesje om te leren, maar de geloofsworsteling om geloofs­ken­nis. De geloofsworsteling of God Zich open­baart, of Jezus Christus Zich open­baart en Zich ver­klaart aan het hart.

Het geestelijke leven begint niet groot. Ik kan u het begin er van tekenen bij Johannes. Het was maar zo'n gewoon begin, maar het was toch wel echt, hoor! Zijn eerste vraag om iets van Jezus te weten was: "Mees­ter, waar woont Gij? En zij bleven dien dag bij Hem" (Joh.­1:39-40).

In zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem. Wat zou dat zielsworste­lin­gen op moeten wekken in ons hart. Niet om een blote kennis, maar om een geheiligde kennis van God en van goddelijke za­ken, Wie God is in Jezus Christus.

 

Laat ik u nog één ding mogen zeggen, geliefde ge­meente. Dit: dat God toch een kostelijk organisch ge­heel ge­maakt heeft van het werk van Christus en het werk van de Heilige Geest. Ik bedoel de ver­worven gerech­tigheid en heiligheid van Jezus Christus en het werk van de Heilige Geest.

Laat ik u mogen zeggen dat er een correlatie is: de geloofshelden in de Schrift zijn ook de Woord­hel­den geweest. Wij kunnen het merken in de Schr­ift. Waar het geloof zich krachtig open­baarde, daar was ook een krachtige kennis van God en van godde­lijke zaken.

Laten we het voor deze keer maar bij deze onderwij­zing mogen hou­den, gemeente. Er ligt zoveel schuld, ook bij de levendgemaakte Kerk, als er geen door­wer­king is in het geloof. We hebben een Bruidegom in de hemel, maar we zijn zo weinig benieuwd hoe Hij er uit ziet, wat Hij doet, waar Hij is. O gemeente, we missen in alles de liefde. Hartelijke liefde die altijd méér wil weten, die altijd méér wil kennen van haar Geliefde.

Wat zijn we toch slappe Christenen! Weet u wat we nodig hebben? Veel ontdekkende en veel armmakende genade van de Heili­ge Geest. Want waar dat werk ophoudt, dat ontdek­kende werk van de Heilige Geest, daar houdt ook het leven als het ware op.

Niet dat het geloof dan ooit teniet gedaan kan worden, want er is geen afval der heiligen. Maar toch, waar de ontdekking ophoudt, daar houdt dat sprankelende leven op, daar houdt dat tintelende leven op, daar begint dat leerling-zijn van God en goddelijke zaken op te houden in ons leven.

Wat doen we onszelf er schade mee, geliefde ge­meente. Wat een schade door de levendgemaakte Kerk, die niet meer naarstig is in het Woord van God, die niet meer naarstig is in de leer, in het kennen en in het weten. Het kennen en het weten alleen is het niet. Maar wee de Kerk, die toch niet naarstig is. Die niet naar­stig is om op de knieën te onderzoe­ken en te vragen om vermeerdering van kennis uit dat Woord. Zodat we schriftuurlijke Christe­nen worden, zoals Pau­lus en Johannes schriftuur­lijke Christenen waren.

Als u nu vraagt naar dat geloof van Paulus. Wel ge­meen­te, dat was geheiligd onderwijs, zelfs het onder­wijs dat hij ont­vangen had aan de voeten van Gamaliël. Hij had zoveel geloof, omdat hij zoveel kennis had opge­daan in de wegen des Heeren. Er is een correlatie tussen de kennis van God en het geloof in God. Moge dat naarstig­heid geven in ons leven om altijd bezig te zijn, biddend bezig te zijn in het Woord en in de leer.

We lezen van Augustinus dat hij eens ging ziften in de Schriften, of hij iets van Jezus vond. Augustinus was een groot licht, maar vanwaar dat grote licht? Alleen uit het Woord. "Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijnen smaak, èn hart èn zinnen stre­len" (Ps.119:84 ber.).

Is het bij ons weleens zò geweest? Is het nog zo? Waar komt die slapte vandaan? Waar komt het vandaan, gemeente, dat er zo weinig voort­gang is in het geloof? Omdat er zo weinig opwassen is in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus. We moeten meer discipel worden, we moeten meer leer­ling van God Zèlf worden, geliefde gemeente.

Zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aan­neem. Dat moet een vermaning zijn, die ons op de knieën brengt om te ken­nen en om te vervolgen te ken­nen. De Heere Jezus heeft het toch Zelf gezegd: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eni­gen waar­achtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt" (Joh.17:3).

Dan weet ik dat het niet gaat om het kennen met het hoofd alleen. Maar Calvijn heeft er toch over geschre­ven, dat wij ook met geheel ons verstand God de Heere zullen dienen en vrezen. Dan heeft hij zo te­recht gezegd, dat het in het hart moet over­gaan. Het geloof verwerkt, wat het hoofd geleerd heeft. Wat een zalige zaak!

Zoverre ik zulke weldaad, een zaak door het geloof en uit het geloof, hoe je het ook zeggen wil, met een gelo­vig hart aanneem.

Wat baat het u nu, wat voor vrede hebt gij er uit? Die vrede is ook recht evenredig aan dat geloof.

"Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods". Een zalige zaak, wat Jezus gezegd heeft: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarach­tigen God, en Jezus Chris­tus, Dien Gij gezonden hebt".

O, dat kennen in bijbelse begrippen is niet een kennen met het hoofd, het is een kennen met het hart. Dat kennen houdt in dat je er twee armen omheen slaat en het aan je hart drukt. Dan is er een toenemen, dan is er een opwassen, niet alleen in de kennis, maar ook in de genade. Wanneer die kennis gezegend wordt met het geloof en wanneer het geloof gezegend wordt met de kennis, dan is er ook een opwassen in de genade van onze Heere Jezus Christus.

Hij is het vaste Funda­ment, Dat wankelt nooit. Maar waar het geloof slechts klein is, waar het geloof onge­oe­fend is, daar moeten de struike­lende knieën van de Kerk vastge­steld worden door de kennis en de genade van onze Heere Jezus Christus. Opdat die grond van be­trouwen een vaste grond van betrouwen mag zijn.

Het gaat tenslotte om het geloof. Een geloof, niet alleen voor een mooie zomerdag, geliefde gemeente, want dan heb­ben we allemaal geloof genoeg. Maar ik ben het zo dikwijls tegengekomen: in dagen van voorspoed, geloof genoeg en ook zorgeloosheid genoeg, dat moet ik er bij zeggen. Maar toen de wind ging waaien, toen de stor­men zijn gekomen, toen het huis ging schudden en toen het ziekbed een doods­bed dreigde te worden, toen was er te weinig geloof.

We mochten maar naarstig zijn met de zaken van het Koninkrijk Gods. God, de Heilige Geest ver­meerdere onze kennis, Hij vermeer­dere ook ons geloof. En wan­neer die zaken vermeerderd worden, dan mogen we ook zeggen vermeerderd te zijn, toege­nomen te zijn in de genade van onze Heere Jezus Christus. AMEN.