Zondag 23. Vraag en antwoord 60 - 61

                                         ZONDAG 23

                               Vraag en antwoord 60 en 61

 

        Psalm     66 : 1

        Psalm     66 : 7

        Psalm     42 : 1,2,3

        Psalm   138 : 3

        Psalm     37 : 6

        1 Kor.        1 : 18-30

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, 1 Korinthe 1 : 28 - 30

 

En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitver­ko­ren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken;

Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.

Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardig­heid, en heiligmaking, en verlossing.

 

Onze catechismus, deze keer zondag 23, vraag en antwoord 60 en 61

 

60. Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Antw. Alleen door een waar geloof in Jezus Chri­stus; alzo dat, al is het dat mij mijn consci­ëntie aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehou­den heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toere­kent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zoverre ik zulke wel­daad met een gelovig hart aan­neem.

61. Vr. Waarom zegt gij dat gij alleen door het geloof recht­vaardig zijt?

Antw. Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoeg­doening, gerechtigheid en heilig­heid van Christus mijn ge­rechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëigenen kan.

 

Geliefde gemeente, ook deze keer gaat het over de rechtvaardigma­king. Ik wil twee woorden sterk bena­druk­ken in antwoord 60 en twee woor­den in antwoord 61. U mag er wel een streep onder zetten. Het gaat over de woorden schenken en toerekenen in ant­woord 60 en de cor­responderende woorden aannemen en toeëigenen in antwoord 61.

Als u met nadruk op deze woorden let, zal u al veel duidelijk worden aangaande de rechtvaardigma­king. Het is ook héél belang­rijk dat u daar enig zicht op hebt, want dat is het hart van het Evangelie en het hart van de catechismus.

De rechtvaardigmaking. Niet één, maar meer­deren heb­ben het ge­zegd, dat de zuiverheid van het stuk van de rechtvaardigmaking, het punt is van het staan of vallen van de kerk. De kerk die de leer van de recht­vaardigmaking verwerpt als subjectivistisch, valt ook spoe­dig ten aanzien van het geloof. Naarmate de bevin­ding van de rechtvaar­diging schaarser is, vermeerde­ren zich de dwaasheden daarover.

Het eerste waar ik dan iets van wil zeggen is de volg­orde. De recht­vaardigmaking wordt gevolgd door de hei­ligma­king en niet anders­om, opdat niemand roeme. De rechtvaardigmaking is dus niet een zaak die wij verwer­ven in welk opzicht ook. Niet met onze heilig­ma­king, niet met onze vroomheid. De rechtvaardigmaking is een vrije daad van God, God schenkt ons de gerech­tigheid van Christus of Hij schenkt het ons niet. Dat is de hele zaak!

God schenkt ons de ge­noeg­doening, de gerechtigheid en de heilig­heid van Chris­tus, zoals wij ook lezen in ons Schriftgedeel­te: "Chris­tus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en recht­vaardigheid, en heiligma­king, en verlos­sing". We gaan fout gemeen­te, wan­neer wij met onze heiligmaking, met onze wer­ken, met onze wettische betrachtingen, met onze bevin­din­gen een koopsom denken te kunnen verzamelen om de recht­vaar­digma­king te kun­nen kopen. Het gaat om vrije genade! Vrije gena­de en vrije genade alleen, ook door het geloof alleen.

Rechtvaardigmaking betekent dat God zon­daren vrij­spreekt, zonda­ren die de hel ver­diend heb­ben en de hemel krijgen. Die zich de verdoe­menis waardig ge­maakt hebben en die nochtans de eeuwige zaligheid zullen beërven. Door het welbehagen des Vaders, door Zijn verkiezende liefde. Door de beta­lende Oorzaak Jezus Christus, door Zijn bloed en won­den. Door het toe­passende werk van de Heilige Geest.

Wanneer wordt de Kerk gerechtvaardigd? Och, er zijn verschillende pun­ten aangewezen en ik wil mij daar beslist niet van distan­tiëren. Men heeft gezegd dat de Kerk, de uitverko­ren Kerk gerechtvaardigd is van eeu­wigheid. Maar ik denk dat we beter kunnen spre­ken dat de Kerk verkoren is van eeuwigheid. Hoewel ik héél goed be­grijp wat er bedoeld wordt, als er gezegd wordt dat de Kerk ge­rechtvaar­digd is van eeuwigheid.

Men heeft gesproken dat de Kerk op Golgotha gerecht­vaardigd is en dat is een heerlijke gedachte. Ik geloof het ook vast en zeker, in die zin dat, toen Jezus Chris­tus het kruis opge­gaan is, Hij niet alleen als Slacht­offer het kruis is opgegaan, maar ook als Hoge­pries­ter is Hij het kruis opge­gaan en heeft Hij de twaalf stammen op Zijn hart gedragen.

Wat een dierbare gedachte voor het geloof, als ik daaraan denken mag dat Jezus Christus zó het kruis heeft gedragen. De aardse hogepriester droeg de na­men van de twaalf stam­men op de borstlap, maar Jezus Christus heeft de namen van al Zijn uitver­kore­nen, van alle gegevenen des Vaders, in Zijn hart gedra­gen toen Hij het kruis heeft verdragen en de schande heeft ver­acht. O, wat een heerlijke gedachte is dat.

Men heeft aan Kohlbrugge eens gevraagd: wanneer zijt gij gerecht­vaardigd? Kohlbrugge heeft toen gezegd: op Golgotha. Maar wan­neer we aan Kohl­brugge gevraagd zouden hebben: gij zijt gerecht­vaar­digd op Golgotha, maar is er ook nog iets anders in uw leven geweest? Dan meen ik toch dat Kohlbrugge ook had kunnen spreken uit zijn leven over de plaats waar hij door God bezocht was, de plaats waar hij door God was vrijge­sproken in zijn geweten van schuld en van straf. De plaats waar het recht Gods heeft gezege­vierd.

Men heeft ook gezegd dat de Kerk gerechtvaardigd is in de weder­geboorte. Zeker gemeente, ik zal daar nu niet uitvoe­rig over spre­ken, maar wie Christus is ingelijfd, die heeft immers gemeenschap aan alle schat­ten en gaven van de Heere Chris­tus.

Maar wanneer hier deze keer gesproken wordt over de rech­tvaardig­making, dan denk ik toch dat we in het volle licht moeten stellen, dat God zondaren ook recht­vaardigt in hun consciën­tie, in hun hart en in hun geweten.

Twee woorden: het hart en de consciëntie, ofwel het gewe­ten, komen we in het Nieuwe Testament vaak te­gen voor dezelfde zaak. Wanneer Paulus spree­kt dat de offerande van Christus door de Heilige Geest onze gewe­tens gereinigd heeft (Hebr.9:14).

Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Het is ook nog eens een heel persoonlijke vraag.

Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? O gemeente, de catechismus spreekt nergens per conclusie, zo van: ik mag toch menen dat ik dit... dus dan... Zo spreekt ook Paulus nooit per conclusie, Paulus weet wat hij zegt.

Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt dat ik tegen al de gebo­den Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehou­den heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volko­men genoegdoening, gerech­tigheid en heiligheid van Christus schenkt en toere­kent. Daar ben je zelf bij, zou ik zeggen, wanneer God schenkt en toerekent, even­als had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoor­zaamheid vol­bracht, die Christus voor mij vol­bracht heeft, zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

Over aannemen gesproken, dat is ook uit de prak­tijk van het leven, je voelt dat het gaat over een mee­maak­zaak.

 

Waarom zegt gij dat gij alleen door het geloof recht­vaardig zijt? Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëi­genen kan.

Over de rechtvaardigmaking is weleens erg zinnelijk gesproken, daar wil ik u voor waar­schu­wen. Ik zeg dat niet hate­lijk, daar heb ik geen lust in en ik zal voor­beel­den ook achterwege laten gemeente, maar het is een zaak die in het hart plaats heeft. Het heeft niets te maken met dromen of hallucinaties of wat dan ook, het is de le­vende werkelijkheid dat God ons gaat stellen in het gericht en dat God ons daarin gaat vrijma­ken.

O nee, dan lust het mij niet om voorbeelden aan te halen van grote zinnelijkheid. Het gaat om een gees­te­lijke zaak, om de doorwerking in onze levens, van dat kostelijke Woord van God door de Heilige Geest. In een weg van ontdekkende genade, in een weg van armma­kende genade en in een weg van afsnijdende genade. De rechtvaar­digmaking is een gena­de Gods, die God uitwerkt in het hart van een zondaar.

Over de rechtvaardigmaking te moeten preken? O, ge­meente, de één verwacht dit, de ander verwacht dat. Comrie heeft er een brief over geschreven. Kostelijk, want het gaat over deze zaak, dat iemand de hel ver­diend heeft en de hemel ontvangt uit vrije genade, alleen om Jezus' wil.

Gemeente, wie wordt er gerechtvaardigd? Er is een uitdrukking die Luther altijd bezigt, wan­neer hij spreekt over de rechtvaardiging. Hij noemt dat de rechtvaardiging van de goddeloze. Ik ontmoet wel­eens iemand die be­kommerd is dat hij te slecht is, te godde­loos is voor die kostelijke genade Gods. Maar ik neig er naar om te zeggen dat we in het algemeen niet goddeloos genoeg zijn om in aanmer­king te komen voor de goddelijke genade van de rechtvaardiging, waarin God Zichzelf verheerlijkt. Het is het punt van staan of vallen. Het wordt ook vaak ontkent, dat God een zon­daar vrij­maakt.

Anderen zeggen dat het niet tot de noodza­kelijke din­gen behoort, want het is maar een trooststuk. O ge­meente, nee, maar het is tot eer van God, dat God Zijn weldaden kwijt wil aan een zondaar.

Zo spreekt Luther over de 'justificatio impiï', dat bete­kent: een ordinaire goddeloze voor Gods aange­zicht, die wordt gerechtvaar­digd. Dat wil niet zeggen dat hij zó gerechtvaardigd wordt, dat hij metterdaad een recht­vaardige is, dan zouden we komen op het gebied van de heiligmaking. Maar wanneer God een zon­daar recht­vaardigt, dan spreekt Hij zulk één vrij van schu­ld en straf, vrij van de verloren gerechtig­heid in Adam.

Daarvoor in de plaats krijgt hij de gerechtigheid van Jezus Christus en de heiligheid van Jezus Christus. Dan wordt het beeld Gods hersteld in zo'n zondaar, door Christus Jezus "Die ons geworden is wijs­heid van God, en rechtvaardigheid, en heilig­ma­king". En omdat dit de tweede schepping is, wordt hier achter gezet: "en verlossing".

Rechtvaardigmaking. Het gaat maar niet om iets dat een beetje krom is en weer recht gemaakt wordt door God. Het gaat om een gans verlo­ren zondaar in Adam, het gaat om een gans verlo­ren zondaar ook in mijzelf. De ontdekking door de Heilige Geest is nodig, om onszelf te leren kennen. Ik heb het in eerdere cate­chis­muspre­ken ook wel aangeduid en daar­om kan ik nu kort zijn over deze zaken. Het is zo nodig dat we afge­sneden wor­den onder het recht van God door de ont­dekkende werking van de Heilige Geest.

De catechismus leert dat ik tegen alle geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb. We moeten leren ge­meente, wat ons zonderegister inhoudt. Wat metterdaad onze zonde is, waardoor er geen blank stukje meer is in ons hele leven, waar­mee we op een of andere manier ook maar iets van de wet zouden ver­vuld heb­ben. En hebben we niet alles gedaan, dan zijn we in ieder geval nog alles. Het is nodig, dat we zó ver­brij­zeld worden onder de wet.

Comrie heeft er van gezegd dat het nodig is, dat we voor God in de dood vallen, dat het buiten hope wordt in onze levens. Het is het grote wonder van de recht­vaardi­ging, dat wan­neer ik denk dat het slechter gaat in mijn leven, dat het allerslechtst gaat in mijn leven, dat ik verloren zal gaan, dat het dan juist goed gaat voor Gods aangezicht.

Het wordt tijd gemeente, dat we er iets van leren voor God in de dood te vallen.

Als je leest wat Boston hiervan heeft gezegd, dan valt je hart daar zo bij, dat je het nooit meer vergeet. Boston zegt: en ware ik niet verlo­ren gegaan, ik ware verlo­ren gegaan. Vat u het? Be­grijpt u het, zoals Bos­ton het zegt: ik ware verloren gegaan, zo ik niet ware verloren gegaan.

"Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen". O nee, ik ga geen zinnelijke voorstelling geven wie de aan­kla­gers zijn. Laten we het maar houden bij het Woord. Gods Geest gaat ons overtui­gen van zonde, van ge­rechtigheid en van oordeel. We leren ons­zelf eindelijk eens kennen, wie wij waarlijk zijn: ontblote zon­daren, goddelozen voor Gods aange­zicht.

Er is weleens op een zinnelijke manier gesproken over degene die ons dan daagt voor die rechtbank van het gewe­ten. Nou, daar wil ik wel iets over zeggen. Wan­neer God ons af gaat snijden onder Zijn recht, dan gaat de Heilige Geest in onze har­ten bewerken wat menselijk onmogelijk is. Namelijk: dat we God lief krij­gen in al Zijn deug­den, niet in enkele, maar in al Zijn deug­den. Ja, dat we Gods deug­den zelfs liever krijgen dan onze eigen zaligheid, geliefde gemeente.

Dan wil dat niet zeggen dat het ons onver­schillig is of wij verloren gaan. Comrie zegt: dat is tegen het Woord en dat is tegen mijn natuur, dat het zover zou gaan. Maar we krijgen Gods deugden liever dan onze eigen zaligheid. Dan hebben we geen externe aanklager meer nodig, maar dan zegt de dichter van Psalm 119: "Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd" (Ps.119:20).

Weet u wat het dan is? Dan gaan we onszelf er voor over krijgen, dan gaan we onszelf aanklagen. Dan krijgen we onszelf er voor over om onze Rech­ter te ontmoeten. O, afgesne­den te worden van onszelf dat is te zingen: "HEERE! Gij zijt recht­vaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht" (Ps.119:137).

Dan gaat het hierom gemeente, dat op dit punt waar het verderf ligt, op dit punt waar de ver­doeme­nis open gaat voor een zondaar, dat daar de hemel open gaat, dat daar de zaligheid open gaat, dat daar de Schrift open gaat, dat daar het hart van een arme zondaar open gaat voor dat koste­lijke werk van Jezus Christus. Daar gaat het hart open voor dat kostelij­ke bloed van Jezus Chris­tus, Gods Zoon dat reinigt van alle zonden. Daar wordt onze ziel be­sprengd met dat kostelijke bloed van Christus.

Wat de besprenging met dat bloed precies is, of we dat ook niet al te zinnelijk voorstellen, dat komt straks aan de orde bij de behande­ling van de Sacra­men­ten, dus dat moet hier maar even wachten. Maar ik wil er wel op wijzen, dat wanneer Christus een gans ont­blote zondaar besprengt met Zijn bloed, dat er wel te zinnelijk, maar nooit te geestelijk over gedacht kan worden. Want dat voelen we, dat erva­ren we door het ge­loof, dat is werkelijk een mee­maak­zaak, geliefde ge­meente! Dan gaan we met David zingen: "Welzalig hij, wiens zonden zijn verge­ven" (Ps.32:1 ber.).

Wanneer het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden, een snode zondaar aan­raakt, dan zullen we metterdaad de reinigmakende kracht van dat bloed ervaren in ons leven.

Dat is maar niet een voor­stelling van zaken, dat is maar niet een verheven idee, maar dan kan de ziel werkelijk getuigen: Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt van alle zonden. Dan zit daar zo'n reini­gende kracht in dat, al waren alle zonden van Adams nakroost saâmge­bon­den, dat bloed wast alle zonden uit.

Ik moet verder gaan. Dat kostelijke bloed onder het Oude Testament werd gesprengd op een zondaar, maar dat werd ook inge­bracht in het binnenste heiligdom. Dan worden we onderwezen door het Woord en door de Heilige Geest. Dan leren we in één kwartiertje in de oefening met God Zelf, méér dan dat we ooit verstaan hebben van de gehele Schrift. Dan wordt de hele Schrift een para­dijs, een zalvend, een zaligend para­dijs.

Onder het Oude Testament werd dat bloed met een bundeltje hysop gesprengd op zondaren, maar het werd ook binnen gebracht in het binnenste heiligdom. Zo is Jezus Christus ook met Zijn bloed ingegaan in het bin­nenste heiligdom, voor het aange­zicht van de Vader. Waarom? Waarom, gemeente? De zondaar wordt gereinigd door één deel van dat bloed, maar nu wordt ook de Vader­ ver­zoend wanneer Hij dat bloed van Jezus Chris­tus ziet, wanneer Gods gerech­tig­heid is vol­daan in een weg van dadelijke gehoor­zaam­heid en in een weg van lijde­lijke gehoorzaamheid.

Dan gaan we iets verstaan van het recht op het eeuwi­ge leven. Daar spreekt de Vader, met eerbied ge­spro­ken tot de Zoon: "Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel" (Ps.2:8). Daar wordt Sion waar­lijk door recht verlost, door dat koste­lijke bloed ge­meente, dat inge­bracht wordt voor het aange­zicht van de Vader.

Wanneer een zondaar besprengd wordt met dat bloed dan gaat het hart van een zondaar open. Maar wanneer dat Vaderhart, met eerbied gesproken, besprengd wordt met dat bloed van Jezus Chris­tus, dan gaat ook dat kostelijke Vaderhart open. Dan krijgen we een thuisko­men bij God dat uitstijgt boven het thuisko­men van de verloren zoon.

Uit louter genade! Uit louter genade staat hier in de catechismus. Dat zou je dan ook wel uit willen zin­gen:

 

      O, al had ik duizend monden,

      Overal wil ik ver­konden

      Welke Vriend mijn Jezus is.

 

In de rechtvaardigma­king gaat het om de toerekening van de gerech­tigheid van Jezus Christus als zo'n vaste zaak dat al is het, dat mijn geweten mij aanklaagt dat ik tegen al de gebo­den Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehou­den heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God...

Er ligt zo'n ruimte in de rechtvaardigmaking, daar ligt zo'n toepas­sing en zo'n toeëi­gening in, door het geloof, dat er ruimte komt tot God de Vader door de Heilige Geest, Die zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerech­tigheid en heiligheid van Christus schenkt en toere­kent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Chris­tus voor mij volbracht heeft, zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

Er zijn drie gaven. De eerste gave is dat Jezus Chris­tus Zich weg­schenkt. De tweede gave is dat het Vader­hart open­gaat. De derde gave is de vrij­makende kracht van de Heilige Geest te ervaren in onze harten.

Wat jammer, als het eerder blijft steken, want de vrij­ma­kende kracht van de Heilige Geest is zo nodig in de praktijk van het leven om een waar­lijk vrijge­maakte zondaar, om een waarlijk verloste ziel te zijn.

"Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kin­de­ren Gods zijn. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgena­men van God, en medeërf­gena­men van Christus" (Rom.8:16-17).

Het is de Heilige Geest, Die ons het laatste restje wat er nog over zou kunnen zijn van dienstbaarheid af­neemt. Hier ligt de volkomen vrij­heid, zodat Paulus zegt: "Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienst­baarheid we­derom tot vreze; maar gij hebt ont­vangen den Geest der aan­neming tot kinderen, door Wel­ken wij roepen: Abba, Vader!" (Rom.8:15).

Wat is het leven van genade toch rijk.

 

      Hoe groot is 't goed, dat Gij zult geven

      Hem, wiens oprechte geest

      Op U betrouwt, U vreest! (Ps.31:15 ber.).

 

O gemeente, wat een heerlijke zaak! Dan komt een zondaar in een weg van aanvankelijk herstel. Hij heeft het verloren paradijs achter zich zien liggen en daar is hij recht ongelukkig geworden. Maar nu rijst er voor het geestesoog een nieuw paradijs, het herstel van de tedere omgang van het  schepsel met zijn Sche­pper.

Om het maar heel kort te zeggen en om het maar héél duidelijk te zeggen: in de rechtvaardigma­king blijft er ganselijk niets meer zitten tussen God en tussen mijn arme ziel. Er blijft niets tussen zitten!

Het is, als had ik zèlf al de geboden, alle gerechtig­heid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft.

 

Nu kom ik nog op die twee woorden terug, dat God schenkt en dat Hij toerekent. O, dat kostelijke geloof, dat is toch immers geen waardigheid. Het gaat niet om de waardigheid van het geloof, dat ik daarom Gode aange­naam ben, maar daarom, dat alleen de genoeg­doe­ning, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerech­tigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëigenen kan.

Geloof die erbarmelijke misvatting over de rechtvaar­digmaking toch niet, gemeente, alsof het alleen om vraag en antwoord 61 zou gaan. Alsof het geloof een nieuw werkver­bond zou zijn. Alsof de recht­vaardig­making alleen zou bestaan uit het aannemen en toeëige­nen door het geloof. De weldaden van vraag en ant­woord 61 kunnen er alleen maar zijn, wanneer de weldaden van vraag en ant­woord 60 er aan vooraf­gaan.

God gaat schen­ken, ge­liefde ge­meente, dàn wordt het geloof ver­waar­digd om aan te nemen. Wan­neer God Zelf gaat toereke­nen, dàn wordt het geloof verwaardigd om toe te eige­nen. Dat wil zeggen: in liefde te ontvangen.

Dwalen in het stuk van de rechtvaardigmaking bete­kent ook dwalen in het stuk van het geloof. Dan is het geloof ten diepste aannemen wat God niet schenkt en toeëige­nen wat God niet toerekent.

Wat arm gemeente! Want zonder genadige schenking en toerekening van Gods kant, valt er in het geheel niets aan te nemen en toe te eigenen van onze kant. Het geloof is altijd afhankelijk. Zoals een bedelaar afhanke­lijk is van genadega­ven, zo is het geloof een lege holle hand. Het kleingeloof is als een kin­der­hand en als we verwaar­digd wor­den tot groot geloof, wel dan steek je twee handen uit naar God.

Onderzoek het toch op uw knieën gemeente, of u geloof hebt. Het ver­band dat ik getracht heb u aan te wij­zen is, dat er een God moet zijn Die schen­kt en Die toere­kent en dat er dan ook een zondaar gevon­den wordt, die ver­waardigd wordt door het aller­heiligst geloof, om datgene wat God schenkt aan te mogen ne­men, om datgene wat God toerekent toe te eigenen.

De rechtvaardigmaking is volkomen, maar de heiligma­king is niet volkomen in dit leven. En toch behoren ze bij elkaar, geliefde gemeente. Op misschien wel vijf of zes plaatsen spreekt de catechis­mus over het bloed van Christus en over de Geest van Christus.

Als we de klanken waarmee wij het woord  gerechtig­heid schri­jven in het Hebreeuws omdraai­en, dan heb­ben we de zaak van de heilig­heid. Omge­draaide gerech­tigheid in de Hebreeuwse taal is tegelijk heiligheid.

Als God ons dan tot die vrijheid bren­gt, waak er dan over, dat ge in die vrijheid blijft staan. Zoals Paulus ver­maant: "Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen" (Gal.5:1).

Wat is de heiligmaking dan? Laat ik eerst zeggen wat de misvatting is. De rechtvaardigmaking is geheel uit God en de misvatting is, alsof de heiligmaking dan geheel uit de mens zou zijn. Alsof de mens zelf verder moet breien aan de lap die God geschonken heeft. Nee gemeente, dan lees ik nog eens een keer wat Paulus zegt in onze tekstwoor­den, dat "Christus Jezus ons ge­worden is wijsheid van God, en rechtvaar­digheid, en heiligmaking, en ver­lossing".

De rechtvaardigmaking is zo volmaakt dat, wanneer we genoeg geloof bezitten, we Paulus mogen naspreken naar de rechtvaardig­ma­king: "Wie zal beschuldiging inbren­gen tegen de uitverko­renen Gods?" (Rom.8:33). Maar naar de heiligma­king moeten we met Paulus kla­gen: "Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (Rom.­7:19,24).

Daarom, geliefde gemeente, staat er in onze tekst, na het woord heiligmaking geen punt, maar er staat ach­ter: "en ver­lossing". Omdat de heiligmaking gebrek­kig is, nooit volmaakt is in het leven des geloofs, moet de Kerk verlost worden, de heerlijkmaking deel­achtig gemaakt worden. Want de heerlijkmaking zal de heilig­making voltooien, door de heiligmaking van het graf heen, gemeente.

"Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardig­heid, en heiligma­king, en verlossing. Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere".

Wat past het ons, om er altijd maar weer naar te staan dat we toenemen en opwassen in de kennis en in de gena­de van onze Heere Jezus Christus.

Ik wil er ook deze keer op wijzen dat er bij staat: zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aan­neem. De Heere schenkt het ons, niet om er grote mensen mee te wor­den, maar om er kleine mensen mee te worden. Opdat de roem Godes zij in Christus, door de Heilige Geest.

Zij die het weten, zoals Jakob na Pniël, zijn hinkende mensen geworden.

Genade maakt niet groot, genade maakt zichzelf niet groot. Maar in de genade, in de vermeer­dering van de genade, in het geloof en in de vermeer­dering van het geloof wordt de drieënige God verheer­lijkt, Vader, Zoon en Heilige Geest te prijzen tot in der eeuwigheid. AMEN.