Zondag 24. Vraag en antwoord 62 - 63 - 64

                                         ZONDAG 24

                            Vraag en antwoord 62, 63 en 64

 

        Psalm   108 : 2

        Psalm   113 : 1,3

        Psalm     19 : 5,7

        Psalm   143 : 10

        Psalm     31 : 15

        Galaten    5 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Galaten 5 : 13 - 14

 

Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk ge­bruikt de vrijheid niet tot een oor­zaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde.

Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.

 

Zondag 24, vraag en antwoord 62, 63 en 64

 

62. Vr. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de  gerechtigheid voor God of een stuk daa­rvan zijn?

Antw. Daarom, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

63. Vr. Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?

Antw. Deze beloning geschiedt niet uit verdien­ste, maar uit genade.

64. Vr. Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?

Antw. Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof inge­plant is, niet zou voortbren­gen vruchten der dankbaarheid.

 

Er is een zonde, geliefde gemeente, er is een zonde bedreven ìn het paradijs en diezelfde zonde is dui­zend­voudig bedreven na het para­dijs. Het is een zonde die ook bedreven wordt door het kind van God, na ontvangen genade. Het is een zonde die de levend­ge­maakte Kerk pas te boven zal zijn in het eeuwige leven, wanneer ze van zichzelf verlost zal zijn.

Welke zonde is dat? Hoogmoed... Hoogmoed! En bekering is precies het tegenovergestelde van hoogmoed.

Men heeft aan Augus­tinus eens gevraagd: wat komt er het eerste in de bekering? Toen heeft Augusti­nus ge­antwoord: ootmoed. Toen heeft men ge­vraagd: ­wat is dan het tweede in de beke­ring? Toen heeft Augusti­nus ge­antwoord: oot­moed. Daarna heeft men ge­vraagd: vader Augustinus, maar wat is het derde in de beke­ring van een mens? Toen heeft hij opnieuw geant­woord: oot­moed! De apostel zegt het ook dat 'de zacht­moedige en stille geest koste­lijk is voor God' (1 Petr.­3:4).

De zonde in het paradijs is hoogmoed geweest. Alle zonde die een mens bedrijft is hoog­moed. De volks­telling van David: hoog­moed. De zonde met Bathséba: hoog­moed. Uria gedood: hoogmoed. Wil een Christen veilig door dit leven gaan, dan is er ootmoed nodig om te leven uit vrije genade.

Daarom heb ik u Psalm 19:7 laten zingen.

 

      Weerhoud, o HEER, Uw knecht,

      Dat hij zijn hart niet hecht'

      Aan dwaze hovaardij.

      Heerst die in mij niet meer,

      Dan leef ik tot Uw eer,

      Van grote zonden vrij.

 

We kunnen ook zeggen: Heerst die hovaardij in mij niet meer, dan geldt ook dat tweede gedeelte van dit koste­lijke psalmvers:

 

      Laat U mijn tong en mond,

      En 's harten diepsten grond,

      Toch welbehaag'lijk wezen.

      O HEER, Die mij verblijdt,

      Mijn Rots en Losser zijt,

      Dan heb ik niets te vrezen.

 

Hoogmoed, geliefde gemeente, is er de oorzaak van dat zondag 24 geschreven moest worden na zondag 23, waarin zo duidelijk gezegd is dat de zaligheid niet anders is dan vrije genade en vrije genade alleen.

Hoogmoed, zelfs in de levendgemaakte Kerk, in de gerechtvaardig­de Kerk, wanneer de goede werken de plaats weer in willen gaan nemen van het geloof. Zodat er een hele zondag besteed moet worden aan onze goede werken. Het is onmogelijk dat onze goede werken de gerech­tigheid voor God, of een stuk derzelve kun­nen zijn.

U moet er wel goed acht op geven, dat het vanavond wel over de goede werken gaat, maar dan in verhou­ding tot de rechtvaardigma­king. Het gaat niet over de goede werken als stuk van de dankbaar­heid, als be­trokken op de heiligmaking. Daar zal straks over ge­sproken worden in zondag 33, in het stuk van de dankbaarheid, waar gesproken wordt over de goede werken en wat de goede werken zijn. Direct daar­op aan­sluitend zal de catechismus de wet Gods gaan be­hande­len, de tien geboden.

Het gaat deze keer om de aansluiting op vraag en antwoord 61, waarin gezegd werd: dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt. Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aange­naam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aanne­men en mij toeëige­nen kan.

De nadruk werd gelegd op: door het geloof en daar sluit zondag 24 op aan.

Maar waarom kunnen onze goede werken niet de ge­rechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn? Daar­om, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

De kerk van de Reformatie had een periode achter de rug dat door de dwalingen van Rome de goede werken hoog in het vaandel ge­schreven stonden. In de kerk van Rome wordt men zalig door goede werken. Daar zegt men dat door goede werken de hemel ontsloten wordt.

Er heerst zelfs een dusdanige overschat­ting van de goede wer­ken, dat men spreekt van een over­schot van goede werken. Iemand kan veel meer goede wer­ken doen, dan er nodig is voor eigen zalig­heid en dat overschot krijgt de kerk. Dat is een voorraad goede werken waar de priester uit kan putten om absolutie te verle­nen aan diege­nen, die een beetje te kort komen.

Ik denk niet dat wij over die dwaling moe­ten spreken, ik denk dat wij de dwaling in onze eigen boezem moe­ten zoeken vanavond.

Waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtig­heid voor God of een stuk daarvan zijn? Het gaat er om, dat de leer van de recht­vaard­igmaking door het geloof, zuiver moet blijven.

Ik heb de vorige keer al gezegd dat de volgorde recht­vaardigma­king en heilig­ma­king nooit straffeloos omgekeerd kan worden. Het is nooit zo dat een mens zichzelf Gode aange­naam kan maken door goede werken, om daardoor vrije genade te ontvan­gen. Want dan is vrije genade, geen vrije gena­de meer. Dat is een dwa­ling waarbij wij de hand in eigen boezem moe­ten ste­ken en in de boezem van ons kerkelijk leven.

De rechtvaardigmaking is zo vrij, zo vrij! Er is geen sprake van dat uw goede werken zelfs ook maar goede werken zouden zijn, als u niet eerst aangenomen zijt in God. Eerst recht­vaardigmaking, dan heiligma­king! Het Schriftwoord moet ons maar bij­blijven: "Maakt den boom goed en zijn vruch­t goed; want uit de vrucht wordt de boom gekend" (Matt.12:33).

Er zijn in dat opzicht gemeente, geen trappen tot de genade waar­door wij onszelf welbehagelijk kun­nen maken bij God, om in aanmerking te komen voor vrije genade. Het gaat niet alleen om genade in het stuk van de rechtvaardiging, maar het gaat om vrije genade. Vrij, soeverein! En het geloof heeft daar een functie in. Dat geloof, dat is ook van God den Vader vanuit Zijn eeuwige Godsge­dachte, als de enige weg om Christus met Zijn gerech­tigheid aan te nemen en toe te eigenen.

Het is onmogelijk dat we door de werken Jezus Chris­tus aan zouden kunnen nemen. Dat zou kopen zijn. Dan zou genade ook niet meer vrij zijn. Het gaat er om dat we slechts smekelingen kunnen zijn om de zalig­heid te mogen verkrijgen. We kunnen uit de werken der wet geen zaligheid verdienen. De wet is absoluut geen ladder die naar de hemel reikt. Het kan alleen maar vrije genade zijn.

We moeten ook afrekenen met de gedachte dat de goede werken het geloof soms zouden kunnen onder­steunen. Goede werken in ons leven kunnen het geloof in het geheel niet ondersteunen of verster­ken. Het gaat om het alles of niets van vrije genade.

Dan rekent zondag 24 in antwoord 62 af met onze goede werken, door te bezien of onze goede wer­ken echt wel zo goed zijn als wij den­ken. Zijn onze goede werken eigenlijk wel zo goed als wij denken? Of zit daar soms een stuk over­schat­ting in, zit daar soms een stuk hoogmoed in? Jawel. Want de catechismus zegt: het kan niet, het is onmo­gelijk dat onze goede werken zelfs maar een stukje van de gerechtigheid voor God zouden zijn. De gerech­tig­heid die voor Gods gericht be­staan kan, moet gans volko­men en der wet Gods in alle stuk­ken gelijk­vormig zijn.

Het gaat er dus over dat, om voor God te kunnen be­staan, we niet alleen gerechtigheid moeten heb­ben, maar volmaak­te gerechtigheid. Dat betekent dat we gans volkomen voor God moeten zijn, vol­maakt in ons wetticisme waar we zelf zoveel voor geven. En dat niet in één gebod, maar in alle geboden.

Ik wil heel praktisch zijn, geliefde gemeente. Wanneer we wettisch van inslag zijn, dan kunnen we onszelf zo vreselijk vergissen. Het kan best zijn dat we het goed getroffen hebben wat betreft het eerste gebod, het tweede of het derde. Maar de ge­rechtigheid die God eist moet volmaakt zijn ten opzichte van alle geboden. De cate­chismus zegt: gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig.

Het gaat er dus over dat de wet Gods geen stokpaard­je is, ook bepaalde geboden niet. Maar daar zal in zon­dag 33 nader over gesproken worden. We kunnen voor elkaar de show wel stelen hoor gemeente, door er op een bepaald gebied des levens uit te willen sprin­gen. Maar het gaat om het geheel en het gaat om de volko­men­heid! Om het maar gelijk bij zijn naam te noemen, dan gaat het om de kern van ons bestaan, om ons hart, of ons hart al recht gemaakt is voor God.

Er staat hier in de catechismus dat, wanneer ons hart recht is voor God, onze beste werken, onze allerbeste werken, nog onvolkomen en met zonden bevlekt zijn. Ik zal het u duidelijk maken met een waar gebeurd ver­haal.

In een kleine plaats was er een man die de leeftijd van 100 jaar bereikt had. Toen ging de predikant een bezoek bren­gen bij de jarige. Hij vroeg hem: hoe denkt u voor God te verschijnen? De 100-jarige zei: ik heb al mijn zonden gebiecht en al mijn zonden zijn vergeven door de priester. Toen zei die predi­kant: maar als er nu in uw leven nog eens één zonde zou zijn, die u niet gebiecht hebt, één kleine zonde mis­schien, die u over het hoofd gezien zou hebben? Het sloeg bij die oude man naar binnen. Toen mocht die pre­di­kant zeggen: vriend, ik raad u aan om het eens op Chris­tus te wagen. Dat is het middel ge­weest voor die man toen hij al 100 jaar oud was. Hij had 100 lange jaren op zichzelf ver­trouwd en pas toen begreep hij dat, als er maar iets zou mankeren aan onze wetsbe­trachting, aan onze biecht, het dan voor eeuwig verlo­ren zou zijn.

Als we die wet niet gans volkomen gehouden hebben, dan geldt zelfs van zo'n kleine zonde die wij allang vergeten zijn, menselijk gespro­ken natuurlijk, daarvan geldt: "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al het­geen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen" (Gal.3:10).

Onze beste werken in dit leven zijn alle onvolkomen en met zonden bevlekt. Die 100-jarige mocht nog 6 jaar leven. Op zijn grafsteen stond geschreven: 106 jaar geworden, doch slechts 6 jaar geleefd. Nog 6 jaar heeft hij geleefd uit vrije genade, uit de ver­dienste van Chris­tus.

Goede werken! Wan­neer u vertrouwt op uw goede wer­ken, wanneer u denkt dat u zo goed bent, zou dat misschien geen gebrek aan ontdek­king zijn? In plaats van een pluspunt op weg naar de hemel is dat ten diepste een minpunt. Wij zijn vreselijk oppervlakkige men­sen, die zichzelf ten diep­ste niet kennen.

Zijn wij dan toch misschien Farizeërs? Is dit dan ten diep­ste ook onze dankzegging: "O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen" (Luk.18:11).

Ik ben zo vreselijk bang, geliefde gemeente, dat er bij ons veel gebrek aan ontdekking is.

In zondag 23 wordt een goddeloze gerechtvaardigd, vrij gesproken op het werk van Jezus Christus. Als wij dat kennen, mag er ook niets tussen komen dat het vrije werk van God aantast. De goede werken zijn onvolko­men en met zonden bevlekt.

Er is maar één zaak, waarmee we voor het gericht Gods kunnen verschijnen. Dat is net als in de oordeelsnacht in Egypte, met het bloed der ver­zoening! Zoals de He­breënschrijver dat ook aanhaalt: "Zonder bloedstor­ting geschiedt geen vergeving" (Hebr.9:22).

 

Dan komt er een heel menselijke vraag naar boven: Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God noch­tans in dit en in het toeko­men­de leven wil belonen? Het is waar gemeente, God beloont onze goede wer­ken en God beloont ook onze goddeloos­heid. Er zijn directe lijnen te trekken van de overtreding van bepaal­de geboden, naar bepaalde straffen in dit leven. Ik denk aan een dronkaard, ik denk aan een overtre­der van het zevende gebod.

Zo is er ook in het houden van Gods geboden grote loon. Daarom wordt er gevraagd: Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toeko­mende leven wil belonen? Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade, zegt de catechis­mus.

We moeten ons vreselijk goed bewust blijven, waarin de Heere Jezus Zelf ons onderwijst. "Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienst­knechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen" (Luk.17:10).

Het gaat om het geloof alleen, gemeente. Het gaat om het geloof, ook straks wanneer het zal gaan over de waar­ach­tige dankbaarheid, over het leven tot Gods eer in de be­trach­ting van Zijn heilige gebo­den, alleen uit het geloof. Dan zal het straks ook gel­den: "En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde" (Rom.14:23).

Goede werken met soms nog zo vreselijk veel bijbedoe­lingen, geliefde gemeente, uit een hoogmoedig hart om de goede man of de goede vrouw te zijn. Goede werken uit een verkeerd hart, uit onze hoog­moed.

Zo was het ook bij de Galaten. De Galaten waren tot beke­ring gekomen, zij hadden het Evangelie gehoord van vrije genade. Zij hadden de boodschap gehoord: "Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde" (1 Joh.1:7). Zij hadden de vrijma­ken­de kracht ervaren van het Evangelie. En toen waren er stemmen opgegaan in de gemeente, die zeiden: het is toch maar beter om u te laten besnij­den. Maar Paulus zegt: "Gij zijt tot vrijheid geroe­pen, broe­ders, alleen­lijk gebruikt de vrijheid niet tot een oor­zaak voor het vlees; maar dient elkander door de lief­de". Dat bete­kent ge­meente, dat de Gala­ten moesten leren om te leven uit de Bron en Oorzaak van hun zalig­heid en dat is de drieënige God alleen.

Waarom wordt een mens zalig, gemeente? Ik meen dat ik het pas nog gezegd heb: alleen omdat God het wil! Waarom wordt een zondaar zalig? Alleen om de verdien­ste van Jezus Christus en anders niet. Alleen door de Heilige Geest.

We lezen ook in Galaten 5 over de Heilige Geest. Waar het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dat reinigt van alle zonden, in het leven van een zondaar zijn toepas­sing vindt, daar vindt u ook de Geest van Chris­tus.

Aan een andere gemeente heeft Paulus geschreven: "Waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid" (2 Kor.3:17). Dat is geen losban­digheid. Het staat ook in onze tekst: "Want gij zijt tot vrijheid geroe­pen, broe­ders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oor­zaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde". Het gaat om die ene zaak, om de onuitsprekelij­ke waar­dij van de enige Offerande: Jezus Christus.

Nu heeft Paulus op een andere plaats gezegd: "Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd" (1 Kor.2:2). Van al die wettische betrachtin­gen, om daarmee de zalig­heid te verdie­nen, daar­van heeft Paulus ge­zegd: "Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitne­mendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardig­heid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Chris­tus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof" (Fil.3:8-9).

Dan wordt er weleens gezegd over wetticisme: baat het niet, het schaadt ook niet. Maar Paulus dacht daar anders over, hij heeft gezegd van al die dingen, waar­mee wij God willen behagen buiten het geloof: "Ik reken ze schade en acht die ook drek te zijn".

 

Dat is een leer gemeente, waarvan de cate­chismus vraagt: Maar maakt deze leer niet zorgelo­ze en goddeloze mensen? Dat komen wij ook zo onge­veer tegen in de brief van Paulus aan de Romeinen.

Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Neen zij, zegt de catechismus, want het is onmogelijk, dat, zo wie Chris­tus door een waarachtig geloof inge­plant is, niet zou voortbrengen vruchten der dank­baarheid.

Nu gaat het om dat kostelijke geloof. In de levendge­maakte Kerk, gaat het om de doorwer­king van dat geloof.

Zeker, er wordt gesproken over inlijving en op een ande­re plaats over ingeplant te zijn in Christus. "Want indien wij met Hem ­één plant gewor­den zijn in de gelijkma­king Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkma­king Zijner op­standing" (Rom.6:5).

Dan gaat het over de doorwerking van het geloof, geliefde ge­meen­te. Zoals een ent meer en meer moet vergroeien met de stam waar­op hij geplaatst is, zo moet ook een Christen, door het geloof, meer en meer ver­groeien met de Heere Jezus Christus. Dat is de enige weg om vruchtbaar te zijn, niet uit Mozes, maar uit Jezus Christus. Meer en meer één plant met Hem te worden in de gelijkmaking Zijns doods, maar ook in de gelijkmaking Zijner wederopstanding.

Dan gaat het om dat nieuwe leven, wat we niet meer onszelf toe­schrijven, maar wat we Christus toe gaan schrijven.

Wij moeten meer en meer gekrui­sigde mensen worden. Waaraan? Aan onze goede wer­ken! Zodat we het meer en meer Paulus na moeten spreken: "Ik ben met Chris­tus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Chris­tus leeft in mij" (Gal.2:20).

Zonder die wortel gemeente, zonder die stam geen vrucht. Dan zullen ook al onze wettische betrach­tingen, wanneer de wet niet uit dankbaarheid betracht wordt, maar schijnvrucht zijn. Dan is het echt niet onverschillig hoe het er langs gaat, dat weet u ook wel. Het is lang niet onver­schillig hoe het er langs gaat maar, wanneer we recht staan in het punt van de rechtvaar­digmaking door het bloed van Chris­tus, door de inlij­ving ìn Chris­tus, dan zullen we ook nooit anti­nomianen kun­nen worden.

Als de catechismus vraagt: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbren­gen vruchten der dankbaarheid.

Gemeente, ik hoop dat u bewaard mag blijven bij de zuivere leer van vrije genade al­leen, uit de verdienste van de Heere Jezus Chris­tus. Ik hoop dat u be­waard mag worden bij de zuiverheid van de leer, dat ik zulk een weldaad niet anders aan­nemen en mij toeëige­nen kan dan door het geloof. Waar dat zuiver is, daar zal het ook zuiver zijn. Het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waar­achtig geloof ingeplant is, niet zou voor­tbrengen vruchten der dankbaarheid.

Geliefde gemeente, we moeten maar geen redeneerstuk maken van de recht­vaardigmaking, maar het zal moeten blijken uit ons leven. Het moet maar blijken uit de mate van heiligma­king in ons leven, wan­neer de Geest van Christus open­baar wordt in ons leven, indien wij hopen­de gemaakt zijn op het bloed van Jezus Christus. Want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waar­achtig geloof inge­plant is, niet zou voortbrengen vruc­hten der dank­baarheid.

Dan gaat het om de vrucht der liefde, niet om er de zaligheid mee te verdienen of er genade mee te ver­werven, maar het gaat om de liefde. Wanneer ik een beetje kennis gekregen heb aan de stervende en bloe­dende liefde van de Heere Christus, dan komt er in mijn hart een wederliefde, die nooit meer weggaat uit mijn leven. Een weder­liefde die vatbaar is voor groei. Hoe meer ik ga leven uit vrije genade, hoe meer ik ga leven uit Jezus Christus, Die het waard is om tot in der eeuwigheid na te volgen en lief te heb­ben.

Maakt die leer zorgeloze mensen? Onmogelijk! Maakt die leer geen goddeloze mensen? Onmogelijk! Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waar­achtig geloof inge­plant is, niet zou voortbrengen vruc­h­ten der dank­baarheid. O ge­meente, geen zonden zijn bit­terder beweend dan de verge­ven zon­den van de Kerk. Dan is er nooit een betere gestal­te geweest in het hart, dan verlost te zijn van hovaar­dij. Heerst die in mij niet meer, dan leef ik tot Gods eer, van grote zonden vrij.

Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen? Neen zij; want waar gesproken wordt over het bloed van Christus, kan geen zorge­loosheid en ook geen goddeloosheid zijn. Dat kan niet bestaan!

Waar Christus is, is wel vrijheid, een geloofsvrij­heid, maar niet tot losbandigheid. Daar is de vrijheid uit het bloed van Jezus Chri­stus. Verlost te zijn door dat bloed, vrede met de Vader ontvangen te hebben door dat bloed des kruises. Daar zijn wij als kin­de­ren aange­no­men, op grond van de verdienste van Christus. Daar mogen we ook een kinder­geest in zulk één ver­wach­ten. Niet een geest die lust heeft tot zon­digen, niet een geest die lust heeft tot godde­loos­heid, maar een kinderlijke geest, ge­meente.

Zoals we het lezen in Romeinen 8, waar Paulus zegt: "Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienst­baar­heid we­derom tot vreze; maar gij hebt ont­vangen den Geest der aanne­ming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader! Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. En indien wij kinde­ren zijn, zo zijn wij ook erfgena­men, erfgena­men van God, en medeërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheer­lijkt wor­den" (Rom.8:15-17).

Dan gaat het om die zalige zaak, dat onze harten gaan snakken om meer en meer Christus gelijkvor­mig te wezen. Niet om daar genade mee te verwer­ven, maar om Gode dankbaarheid te bewijzen.

Schuldenaar te zijn aan vrije genade, het is een hele les. Schulde­naar te blijven aan vrije genade, het is een hele les. Maar het is toch zo'n zalige gestalte, als onze handen in plaats van het zelf te doen, eens een keer weggeslagen worden in ons leven. Als onze han­den die het zelf willen doen nòg eens een keer wegge­sla­gen worden. Wanneer we gaan leven uit twee han­den, uit de twee doorboorde Midde­laars­han­den van Jezus Christus. Wanneer ook wìj niets anders meer wensen te weten, dan Jezus Christus en Dien ge­krui­sigd.

O, vertrouw niet op wetti­sche betrachtingen, want er kon eens een foutje aan kleven. Wanneer het niet gedaan zou zijn uit het rechte beginsel, dan zult u er voor eeuwig mee verloren gaan. Maar met dat bloed, geliefde gemeente, als u met Christus' bloed in het gericht zult staan, zal het zijn als in de oordeels­nacht in Egypte­land: "Wan­neer Ik het bloed zie, zal Ik ulie­den voor­bijgaan" (Ex.12:13).

Er is maar één ding waar God de Vader behagen in heeft en Hij heeft dat ook uitgesproken: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbe­ha­gen heb!" (Matt.3:17).

O, wat een vermetel­heid gemeente, als we ook maar naast Hem zouden wìllen staan. Wij kunnen niet anders en wij mogen niet anders, dan als goddeloze zon­daren aan Zijn Godsvoeten liggen, smekend om genade, om vrije gena­de. Om altijd schuldenaar te blijven aan vrije genade alleen. AMEN.