Zondag 26. Vraag en antwoord 69 - 70 - 71

                               VAN DE HEILIGE DOOP

                                         ZONDAG 26

                            Vraag en antwoord 69, 70 en 71

 

        Psalm      84 : 5

        Psalm      20 : 4

        Psalm    116 : 9,1­0,11

        Psalm    147 : 10

        Psalm      89 : 7

        Markus    16 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Markus 16 : 16

 

Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig wor­den; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

 

Onze catechismus zondag 26, vraag en antwoord 69, 70 en 71

 

69. Vr. Hoe wordt gij in den Heiligen Doop ver­maand en verzekerd dat de enige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?

Antw. Alzo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest van de onrein­heid mijner ziel, dat is van al mijn zon­den, ge­wassen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzui­verheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewassen ben.

70. Vr. Wat is dat, met het bloed en den Geest van Christus gewassen te zijn?

Antw. Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des bloeds van Christus wil, hetwelk Hij in Zijn offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook, door den Heiligen Geest vernieuwd en tot lidmaten van Chris­tus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonden afsterven, en in een godza­lig, onstraffelijk leven wandelen.

71. Vr. Waar heeft ons Christus toegezegd dat Hij ons zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden?

Antw. In de inzetting des Doops, welke alzo luidt: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; Matt.­ 28:19. En: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal ver­doemd worden; Mark.16:16. Deze belofte wordt ook her­haald, waar de Schrift den Doop het bad der wedergeboorte en de afwas­sing der zonden noemt. Tit.3:5, Hand.22:16.

 

Wel, geliefde gemeente, vanavond gaat het in zondag 26 over het Sacrament van de Heilige Doop. Ook zondag 27 handelt over de Heilige Doop.

Wat is dan het verschil tussen zondag 26 en zondag 27? Het ver­schil is eigenlijk dat in zon­dag 26 de bete­kenis van de Heilige Doop uitgelegd wordt aan de hand van de Heilige Schrift. En dat in zondag 27 aan de hand van de Schrift de dwalingen ten aanzien van de Heilige Doop aan de kaak worden gesteld.

Drie vragen en antwoorden voor vanavond. Wij kunnen wel zeggen: gloedvolle antwoorden. Als je niet wist dat zondag 26 over de Heilige Doop ging, dan zou je den­ken dat het een herhaling was van zondag 23.

Zondag 26: Van de Heilige Doop. Dat is een geweldig leerstuk in een geweldige zondagsafdeling. Hoe komt dat toch? Het formulier dat wij plegen te lezen is toch immers ook geweldig?

Hoe komt het, dat er zoveel gloed zit in dat formu­lier en in het belijden van zondag 26? Dat kan ik u wel duidelijk ma­ken. Wat van het formulier geldt, dat geldt ook van deze catechismuszondag, en omgekeerd, wat van deze catechis­muszondag geldt, dat geldt ook van het formu­lier. De formulieren naast de Heilige Schrift gaan namelijk niet uit van ons ongeloof, die heb­ben niet als basis ons klein geloof, onze twijfelingen, onze mis­schientjes en onze jamaars. Maar zowel de formulie­ren als onze catechismus zijn geschreven in het volle ge­loof.

En wat doet het geloof daartoe? Dit gemeente: al zou er totaal geen geloof zijn in de Sacramenten, dan blij­ven de Sacramenten nochtans Sacrament vanwege de waarde die zij hebben, omdat Christus Jezus deze Zelf heeft ingesteld.

Daarom is ook die laatste vraag zo belangrijk: Waar heeft Christus de waarheid van dat Sacrament toege­zegd? Dus al zou er geen geloof zijn in de gehele wereld, dat Sacrament blijft hetzelfde. Door dat Sacra­ment bevestigt God door zichtba­re tekenen: "'t Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken" (Ps.­89:14 ber.).

De Sacramenten werken het geloof niet, maar ze ver­sterken het geloof. We hebben immers geleerd, en ik wil dit nog eens herhalen, dat het geloof gewerkt wordt door het Woord en de Heilige Geest en gesterkt wordt door de Sacramenten en de Heilige Geest.

Zo zijn de formulieren geschreven uit het geloof en ook zondag 26 is geschreven uit het geloof. Niet zo­maar uit het geloof, maar uit het verzekerde ge­loof. Door mensen die het geproefd en ge­smaakt hebben, die het verstaan hebben tot in het diepst van hun hart, wat Jezus heeft willen zeggen met dat heer­lijke Sacra­ment van de Heilige Doop. Dat geloof, ver­sterkt door het Sacrament, leert zo spreken zoals de formulieren spre­ken en zoals de cate­chismus spreekt.

Hoe wordt gij in den Heiligen Doop vermaand en verze­kerd dat de enige offerande van Chris­tus, aan het kruis geschied, u ten goede komt? Alzo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest van de onreinheid mijner ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewassen ben.

Twee woorden: vermaand en verzekerd. Waarvan? Van het gehele werk van Christus, geliefde gemeente. Dat is het geweldige van de Doop. In de Doop wor­den drie dingen aangewezen:

Ten eerste waar de rechtvaardigmaking ligt van de Kerk. Alleen in het bloed van Chris­tus!

Ten tweede waar de heiligmaking ligt voor de Kerk. Alleen in de Geest van Christus.

Ten derde dat Jezus Christus ons ook een volko­­men verlossing geworden is.

Dat water is ook beeld van de afzondering van Gods volk, dat afge­zon­derd werd van de Egyptena­ren, van Farao.

Zo ligt in de Doop besloten wat Paulus gezegd heeft van Jezus Christus, dat "Hij ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaar­digheid, en heiligmaking, en ver­lossing" (1 Kor.1:30).

Is dat geloof in Gods kinderen altijd direct op zo'n hoogtepunt? Nee gemeente, daarom spreekt onze cate­chismus over vermaand en verzekerd worden. Zoals we ook in zondag 23 tegenkomen: zo­verre ik zulke wel­daad met een gelovig hart aan­neem.

Zo worden wij ditmaal vermaand en verzekerd. Ver­maand zou ik zeggen, in de eerste plaats zoals Petrus dat onder woorden brengt, om toe te nemen en om "op te wassen in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus" (2 Petr.3:18).

De Doop wordt ook weleens genoemd het Sacrament van geboren worden. Maar in dat Sacrament ligt ook iets van opgroeien en van tot wasdom komen. Van Jezus Chri­­stus geheel en al door het geloof aan te nemen, als de enige grond van onze rechtvaardigma­king, heiligma­king en volkomen verlossing.

Vermaand en verzekerd! Dan gaat het om twee dingen. Ik zal het nog maar eens duide­lijk zeggen, hoewel het ook in een ander verband al aan de orde geweest is in de catechismus. De Doop is een Sacra­ment van de volkomen verlossing van een zondaar, van zijn twee­voudige on­reinheid.

In de eerste plaats van onze erfschuld die wij in Adam hebben. Maar ook in de tweede plaats van de erfsmet die in ons is, waarvan Guido de Brès heeft gezegd dat deze is als een onzalige fontein. (NGB art.15).

Wat ligt er iets heerlijks in die Heilige Doop, in dat bloed en in de Geest van Jezus Christus. Wat sche­merde het al door op Golgotha, toen de Heere Jezus Zijn lijden had volbracht, toen Zijn zijde doorsto­ken werd en er bloed en water uit de zijde van de Heere Chris­tus kwam. Bloed om onze erfschuld te verzoenen. Maar ook water, het levensvocht van de Heiland, tot waar­ach­tig nieuw leven en nieuwe ge­hoor­zaamheid voor de Kerk.

Erfschuld, het bloed van Jezus Christus. Erfsmet, de Geest van Jezus Christus. Het ligt in de Doop opgeslo­ten en het is de Doop die vermaant en verzekert. Wat? Het geloof! Moet het een groot geloof zijn? Nee, dat is het hem juist. God heeft in Zijn goed­heid de Sacramen­ten inge­steld, opdat het geloof ver­sterkt zou worden.

Heeft Calvijn niet heel terecht gezegd, dat de Sacra­menten voor het kleingeloof de krukken zijn waarop ze kan gaan? Wie heeft er eerder krukken nodig, iemand die stevig op zijn benen staat of die kleingelovige, die toege­roepen wordt door de Hebre­nschrij­ver: "Richt weder op de trage handen, en de slappe knieën" (Hebr.­ 12:12).

Bloed en Geest van Christus. De Doop, o ja zeker, de Doop wijst ook iets aan in ons: wie wìj zijn. Opdat wij des te meer verlangen zouden, opdat des te meer ons hart gaande gemaakt zou worden naar die verlossing door het bloed van Christus en naar die vrijma­king door de Geest van Christus. De waterdoop, het teken is niet zó maar iets, het houdt verband met de zaak. Het wijst aan wie de kerk geweest is, wie u mogelijk nog zijt, want de Doop wijst ook onze vuil­heid en onze ver­doe­me­lijkheid aan.

U weet, dat men in de eerste kerk gedoopt werd door onder­dompe­ling. Dat wijst twee dingen aan: onze vuil­heid, zodat wij gewassen moeten worden van onze onrein­heid, maar het wijst ook iets aan van onze ver­doeme­lijkheid. Het is een stukje sterven, om onder te gaan in het doopwater, om ook onder te gaan in Chris­tus tot recht­vaardigmaking, tot heiligmaking en tot heerlijkma­king.

Het is een stukje sterven, waarachter het leven ligt, zodat de apostel heel terecht zegt op twee plaatsen in de Schrift van de Heilige Doop: "Wij zijn dan met Hem begraven door den Doop in den dood" (Rom.6:4) (Kol.2:12).

Dat water wijst de vuilheid aan, dat water verkondigt dat het zo hard nodig is, dat wij gewassen worden, geliefde gemeente. Wan­neer wij nog in onze schuld leven, wan­neer wij nog in onze onge­rech­tigheid leven is het zo nodig dat wij gewassen zouden worden, om eenmaal voor Gods aangezicht in het godde­lijk gericht te kun­nen bestaan.

Wanneer de Doop ons wijst op de enige offerande van Christus, dan moet vanavond ook de nadruk liggen op dat énige. Want buiten dat middel dat door de Doop wordt aangeduid, is er geen middel om verlost te worden van de vuilheid van onze zonden. Onze staat van gevallenheid is als de luipaard en de Moor­man. "Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen" (Jer.13:23).

Het gaat over de vraag: Wat is uw enige troost, wat is uw enige hoop? Laat het ons maar direct zeggen in de kern: Wie zal de enige Middelaar zijn, Die ons kan reinigen van onze vuilheid, van onze melaatsheid van de hoofd­schedel af tot de voetzool toe?

Wat zou ons kun­nen reinigen, geliefde gemeente? Dacht u echt dat een tekst of een psalmvers het kon? Dacht u werke­lijk, dat een scheurkalenderblaadje het kon? Dacht u, dat een stuk eigen vroom­heid het kon? Nee gemeente, daar vergissen wij ons in. De enige offeran­de van Christus wordt ons vanavond voorge­steld. "Bekeert u", was de boodschap van Johan­nes de Doper. (Matt.­3:2) "Die geloofd zal hebben, en ge­doopt zal zijn, zal zalig wor­den".

Het is niet menselijk meer gemeente, om zalig te worden. Dat zeg ik in de volle betekenis van het woord. Het is niet mense­lijk meer om zalig te wor­den, maar het is alleen mogelijk in God. Het is alleen moge­lijk in Zijn geze­gende Zoon, in het Woord dat vlees gewor­den is en onder ons heeft gewoond.

Het moest ons als muziek in de oren klinken: de enige offerande van Jezus Christus aan het kruis geschied. Dat Hij bij machte is, om ons te wassen van onze zon­den. Om ons onder de vloek van­daan te halen, om ons onder de toorn en de eeuwige gram­schap van God vandaan te halen. Paulus zegt dat Jezus Chris­tus een vloek voor ons geworden is. (Gal.3:13).

De enige offerande van Christus, verzoening door vol­doening, dat vin­den we zo kostelijk beschreven in de Nederlandse geloofs­belij­denis: dat Jezus, de Zoon Gods, onze Rode Zee geworden is, door Welke wij moeten doorgaan, om te ontgaan de tirannieën van Farao, welke is de duivel, en in te gaan in het geestelijke land Kanaän. (NGB art.34).

Door de Doop wordt aangeduid, dat Jezus Christus, Die onze Rode Zee is, Zèlf is ondergegaan in de toorn van God, toen Hij geroe­pen heeft: "ELI, ELI, LAMA SAB­ACHT­ANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!" (Matt.27:­46).

Wanneer wij iets leren verstaan van de Doop, dan zien wij Jezus, Die onze Rode Zee ge­worden is, Die de schu­ld, de toorn Gods gedragen heeft over de zonde. Die met recht kon zingen wat Psalm 42 zegt: "Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heenge­gaan". Die met recht kon zeggen: "De afgrond roept tot den afgrond, bij het ge­druis Uwer watergoten" (Ps.42:8).

Wat is de Doop een heerlijke zaak, geliefde gemeente. Het is als het ware een schilderij. Gij zult geen beel­den maken, maar God heeft niet de Persoon van Chris­tus, maar Zijn koste­lijke werk zichtbaar gemaakt in het Heilige Sacrament van de Heilige Doop. "Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde" (1 Joh.1:7). Ja, het bloed van Jezus Christus is zo krach­tig dat, al waren alle zonden van Adams na­kroost saâmge­bonden, dat bloed wast alle zonden uit.

Wat is het Sacrament, dat ons telkens weer voor ogen gesteld wordt in het midden van de gemeente, een kostelijke verzekering voor het kleine ge­loof. Opdat wij steeds weer boven onszelf uit zouden stijgen. Boven de kleinheid van ons kleingeloof uit zouden stijgen, om opnieuw de armen uit te strekken tot Jezus Christus, Die onze Rode Zee gewor­den is.

Alzo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toege­zegd heeft, dat ik zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest van de onreinheid mijner ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewassen ben.

Luther kon de zaken zo boud zeggen, Luther heeft gezegd: "Een oceaan van doopwater zal niet één zonde van ons afwassen". Maar in grote aanvechting, toen Luther door de duivel ver­scheurd werd, toen het duisternis gewor­den was in zijn hart, toen er geroepen werd: waar is nu uw God, op Wien gij ver­trouwde? In die hoogste aan­vechting, heeft Luther er iets van begrepen. Hij was zijn beke­ring kwijt en hij was zijn bevin­ding kwijt. Lu­ther kon zelfs niet meer zeg­gen: daar en daar in het Woord, daar is de bolder waar ik mijn levensschip aan vast­maak. Toen bleef er maar één ding over in het leven van Maarten Luther en hij schreef op het groene kleed van zijn tafel met krijt: baptizatus sum, ik ben gedoopt!

Toen heeft Luther er iets van verstaan, waar de ze­ker­heid ligt. De zekerheid van het zalig worden ligt niet in het eigen hart, maar ligt in het hart van God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zoals ook het doopformu­lier trinita­risch is: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest verzegelt en verze­kert.

Wat een geweldige zaak! In het doopwater wordt afge­beeld dat, zoals het doopwater over mijn hoofd is gegaan, Gods volk alzo zekerlijk mag geloven dat het bloed van Jezus Christus over hun leven is gegaan. Dat zij met het bloed en de Geest van Christus gewas­sen zijn. Zo komt de catechismus tot vraag en ant­woord 70.

Wat is dat, met het bloed en den Geest van Christus gewassen te zijn? Ja, wat is dat eigenlijk? Het is mis­schien wel nodig om daar nog iets over te zeg­gen, gemeente. Want het is een uitdruk­king die de catechismus en de Schrift vaak gebruiken. Ge­wassen worden door het bloed van Jezus Christus. Het is een uitdrukking die ik graag navolg uit de formulie­ren en uit Gods Woord. Gewas­sen te worden door het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dat reinigt van alle zonden.

Er zit enige beeldspraak in die uitdrukking. Want u kunt wel be­grijpen dat gewassen te worden met het bloed van Jezus Christus Gods Zoon, niet letterlijk betekent dat wij gewassen worden met het bloed, dat ge­vloeid heeft in Gethsém­ané en op Golgotha. Alsof dat bloed nog voor handen zou zijn en dat wij daarmee lijfelijk ge­wassen zouden worden. In zoverre zit daar beeld­spraak in.

Maar in zoverre is het toch ook werkelijkheid dat, wanneer de Heilige Geest ons het bloed en de Geest van Chris­tus voorstelt in de toepas­sing en wij worden verwaardigd tot geloof, dan stijgt deze beleving toch boven de beeldspraak uit. Ik spreek met de woor­den van zondag 23, wanneer de Heilige Geest mij het bloed van Jezus Christus schenkt, om het bloed van Jezus Christus aan mij toe te pas­sen, wan­neer het geloof dan vaardig is, geliefde ge­meente, dan stijgt dat toch boven de beeld­spraak uit.

Wanneer wij door het geloof, in het geloof en met het geloof, door de Heilige Geest, dat bloed toegepast krijgen aan onze harten, innerlijk, geestelijk en heils­be­vindelijk, dan is dat in zoverre toch de levende werke­lijk­heid, een meemaakzaak. Dan wordt werkelijk het hart en het leven van een zon­daar gerei­nigd. Zodat het groot­ste wonder op aarde gebeurt, dat een zondaar zonde­loos gemaakt wordt voor het aangezicht van de Vader, door het bloed van Jezus Christus Gods Zoon dat reinigt van alle zonden.

Wanneer het God behaagt door Geest en Woord in de onmiddellijke toepassing van de Heilige Geest, de enige offerande van Jezus Christus aan mijn hart te schen­ken en toe te rekenen.

Dan word ik gerechtvaardigd door een geschonken geloof, waar geen nagel­schrap van mij bijkomt, waar zelfs geen verdienste ligt in het geloof, geen ver­dien­ste ligt in het aannemen en mijzel­f toeëi­genen. Dan word ik, goddeloze, voor het aangezicht van de Vader, door Christus bloed alzo bevrijd van mijn zon­den, dat God "niet meer aanschouwt de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël" (Num.23:21).

Dan vraagt de catechismus: Wat is dat, met het bloed en den Geest van Christus gewassen te zijn? O, dan is het waar, dat er vrede is in het hart door het bloed des kruises. In wiens hart? Dat is heel be­langrijk, gemeente! Dan is er vrede in het hart van die zondaar, die nu een rechtvaardige is voor God, door het bloed des kruises. Maar dan is er ook in het hart van de Vader, met eerbied en mense­lijk ge­sproken, vrede met de zondaar, door datzelf­de bloed des kruises van Zijn eniggeboren lieve Zoon, de Heere Jezus Chris­tus. Dan wordt er een stukje paradijs op aarde beleefd door de bloedgerechtigheid van Jezus Christus.

O gemeente, dat is voelbaar! Dat is echt voelbaar! Wij moe­ten maar niet leven op het gevoel, want het gevoel brengt nooit het geloof te weeg. Maar waar het geloof ìs, daar is ook het gevoel. Daar is de zaak zo volko­men, dat Paulus zelfs zegt dat het geweten wordt gereinigd van dode werken. (Hebr.9:14).

Wat is dat, met het bloed en den Geest van Christus gewassen te zijn? Dat is vrede te ontvangen met God. Dan wordt ervaren dat God nu met mij tevreden is en dat ik tevreden ben met mijn God.

Wat is dat, met het bloed en den Geest van Christus gewassen te zijn? ­Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om dat kostelijke bloed van Jezus Christus, het­welk Hij in Zijn offeran­de aan het kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook, door den Heili­gen Geest, dat is, de Geest van Christus, ­ver­nieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn.

O zeker, de rechtvaardigmaking maakt geen antinomianen. De man die kon zeggen: "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitver­korenen Gods"? (Rom.8:33), naar de rechtvaardigmaking, dat is ook meteen de grote klager van het Nieuwe Testament: "Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes d­oods?" (Rom.7:21,24).

De rechtvaardigmaking maakt geen antinomianen, wa­nt ­waar het bloed van Jezus Christus is, daar is ook de Geest van Jezus Christus. En waar de toepassing van dat bloed sterk is, daar is ook de Geest van Christus sterk aanwezig. Dat gaat op en neer, gemeen­te. Wilt gij een heilig leven? Sta er dan naar om een recht­vaardig leven te hebben. En wilt gij een recht­vaardig leven? Sta er dan naar om een heilig leven te heb­ben. Opdat wij hoe langer hoe meer der zonden af­sterven, en in een godzalig, on­straffelijk leven wande­len.

Dan komt zondag 33 in het gezicht over dat nieuwe leven, dat sterven aan mijzelf en dat nieuwe leven in Jezus Christus. In zondag 33 zal het te zijner tijd wel ge­preekt worden zo God het wil.

Ik wil er nog dit van zeggen: dan wordt het levende werkelijkheid, dat de gerechtvaardigde Kerk in die zin, toch geen àfbekeerde Kerk is, dat zal zij pas boven zijn. De strijd ligt hier in dit leven.

Wat is waarachtige bekering? Wat is waarachtige heilig­making, zouden we ook kunnen zeggen. Een afsterving van de oude mens en een opstanding van de nieuwe mens.

Wat is dat afsterven van de oude mens? O ge­meen­te, dat is een hartelijk, dat woordje hartelijk hoort er bij, dat is een hartelijk leedwezen over de zonde. Omdat wij God door onze zonde zo vertoornd hebben en het is een hartelijk haten en vlieden van de zonde.

En wat is die nieuwe mens? Ook hartelijk, gemeente. Als dat woordje hartelijk er niet is in uw leven, op deze twee manieren, dan is er iets mis! Het is een hartelijke vreugde in God en een hartelijke be­geerte om naar al Zijn geboden te leven.

Wat is God goed, dat het telkens maar weer uitgestald wordt in het Sacrament van de Heilige Doop. Wanneer het water dan druppelt op het hoofdje van een kind, om dan te weten: dit is het teken. Maar de zaak is: het bloed van Jezus Chris­tus Gods Zoon reinigt van alle zonden.

O gemeente, nog een menselijk beeld. Wat is het in de natuur al heerlijk als een vuil mens gereinigd wordt door water. Hoe zal dat wel niet zijn, wanneer een zondaar die zich bevuild weet door de zonde, die zich bevuild weet door de ongerechtigheid, wanneer zo'n zondaar door genade mag ervaren wat de Heere in de Schrift belooft, dat Hij de dochter Sions van de drek wassen zal. (Jes.4:4).

Wat een zalige zaak, om er doorheen te zien, door het teken van het water. Om er doorheen te zien naar Jezus Christus, Wiens bloed reinigt van alle zonden.

De Doop, het is de zaak zoals ze in Christus ligt. De Doop, het is vermanen en het is ook verzekeren. Het is verzekeren en vermanen, dat wil zeggen, een stukje goddelijk onderwijs om ons te doen toenemen, om ons te doen opwassen in de kennis en in de genade van onze Heere Jezus Christus. Opdat wij zelf er meer en meer uit zouden vallen, geliefde gemeente, en opdat God alleen over zou blijven. Opdat Jezus Christus alleen over zou blijven als vaste grond van ons be­trou­wen, zodat ook wij niets anders meer wensen te weten, dan Jezus Chris­tus en Dien gekruisigd.

Dat het zo wordt in onze levens: "Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemend­heid der kennis van Chri­stus Jezus" (Fil.3:8). Opwas­sen en toenemen in de kennis en in de genade van onze Heere Jezus Christus. Waarom, ge­meente? Opdat geen vlees zou roe­men, maar dat alle roem bij God terecht zou komen. Bij de Vader van het wel­beha­gen, bij de Zoon voor Zijn ver­zoening, bij de Heilige Geest in de toepassing. Zodat er niets meer overschiet dan te roemen in de drieëni­ge God en Zijn vrije gena­de, Zijn soevereine genade.

Opdat dit de grond zij voor de heerlijkmaking. Opdat wij hier in dit leven reeds zou­den leren waar we straks in de eeu­wigheid mee bezig zullen zijn, om namelijk onze kronen neer te werpen voor de voeten van het Lam. Om God te dienen, dag en nacht, in Zijn heilige tempel tot een eeuwige dankzeg­ging voor alles wat de Vader in Chris­tus, wat de Heili­ge Geest uit Christus ge­schon­ken heeft.

Die ons geworden is tot rechtvaardigheid, tot heilig­heid en tot een volkomen verlossing. AMEN.