Zondag 27. Vraag en antwoord 72 - 73 - 74

                                         ZONDAG 27

                            Vraag en antwoord 72, 73 en 74

 

        Psalm      68 : 5

        Psalm    106 : 26

        Psalm    119 : 17,25

        Psalm    105 : 5

        Psalm    145 : 4

        1 Korinthe  6

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, 1 Korinthe 6 : 10 - 11

 

Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendie­naars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierig­aards, noch dronkaards, geen laste­raars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.

En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afge­wassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.

 

Onze catechismus zondag 27, vraag en antwoord 72, 73 en 74

 

72. Vr. Is dan het uiterlijk waterbad de afwas­sing der zonden zelve?

Antw. Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

73. Vr. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden­?

Antw. God spreekt alzo niet zonder grote oor­zaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiver­heid des lichaams door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weg genomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verze­keren dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

74. Vr. Zal men ook de jonge kinderen dopen?

Antw. Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Chris­tus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden wor­den, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

 

Vanavond, geliefde gemeente, dus weer een catechis­muszondag over de Doop. Het mag wel heel opmerkelijk heten, dat er twee gehele zonda­gen gesproken wordt over de Doop. Wanneer je zondag 26 gehad heb­t, dan denk je bij jezelf dat alles toch eigenlijk wel ge­zegd is over de Doop. Ook u zult misschien wel den­ken, dat u nu alles wel weet van de Doop.

Toch schijnt het belangrijk te zijn dat na zondag 26, ook zondag 27 nog als het ware met het doopwater ge­schreven is.

Ja, waarom dan wel? In zondag 26 is geschreven wat de Doop inhoudt, wat de waarheid, wat het wezen van dat Sacrament is. In zondag 27 worden dan de dwalin­gen bestreden, de dwalingen ten aanzien van de Heilige Doop.

Gezien in het licht van de tijd, waarin de catechismus geschreven is, zouden wij antwoord kunnen geven op de vraag: tegen wie is zondag 27 dan gericht? In het licht van de geschiedenis is deze zondag gericht tegen de Roomse Sacraments­opvat­ting, tegen de Luthersen en tegen de Wederdo­pers.

Misschien zegt u: gaat dat ons ook aan? Ik dacht van wel. Het is bijzonder belangrijk dat er geen onder­schatting is van de Sacramen­ten, maar dat er ook geen overscha­tting is van de Sacramenten. Een onderschat­ting van de Sacramenten zoals we dat vonden bij de Wederdo­pers, en een overschatting zoals we dat vonden bij de Roomse en bij de Lutherse kerk.

Er wordt gevraagd: Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelve? Het antwoord mag ons misschien wel duidelijk zijn: Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest rei­nigt ons van alle zonden. Maar het is toch ook zo dat ons doop­formulier een vermaning bevat, dat ook wij de Heilige Doop niet uit bijgelovigheid moeten gebruiken. Daar wordt eigenlijk mee bedoeld, dat wij toch ook wel iets hebben van die ketterijen. Dat wij toch ook wel iets ver­wachten van het doopwater, alsof er kra­cht in zou zitten om inderdaad genade aan te bren­gen.

De Roomse kerk leerde dat het ons vatbaar zou maken voor de hebbelijkheid van de genade en de wederge­boorte. De Lutherse kerk leerde dat wij misschien, zonder het te weten, wedergeboren zouden worden tijdens de ceremonie, wanneer het doop­water over onze hoofden vloeit.

Men leerde dat het doopwater de mens reinigde van zijn erfzonde: van erfschuld en erfsmet. Alsof het doop­water zo grondig reinigde van erfschuld en erf­smet, dat het ook ganselijk reinigde. Vandaar dat in de Nederlandse geloofsbelijdenis ­ge­sproken wordt, dat de erfzonde zelfs door den Doop niet ganselijk te niet gedaan wordt, noch geheel uitgeroeid (NGB art.15).

Daaruit is ook weer een misvatting ont­staan. Dat artikel was name­lijk geschreven tegen een kerk die leerde, dat wij door dat doopwa­ter ganselijk van onze erfzon­de, erfschuld en erfsmet bevrijd zouden worden. Toen heeft de kerk van de Reformatie beleden: niet ganse­lijk. Daar is weer het misverstand uit ont­staan, dat men toen ging lezen, dat het doopwater onze erf­zonde niet ganselijk afwast, maar toch wel een beetje. Daar­door zou het kunnen zijn dat wij de kracht van het doopwa­ter, alsof dat ons ganselijk zou reinigen, ont­ken­nen, maar dat er toch nog iets in ons is, wat iets verwacht van het doopwater op zich.

Luther is zo duidelijk geweest, toen hij gezegd heeft: "Een oceaan van doopwater, wast niet één zonde af!" Ik zou haast zeggen: geluk­kig niet. Want anders zou een onge­doopte niet bekeerd, niet weder­ge­boren kunnen worden.

Wat leert ons de Heilige Schrift? Dat men in de jonge Chri­stenge­meente eerst bekeerd moest worden, dat eerst het geloof gewerkt moest worden door de Heilige Geest en dat daarna het Sacra­ment bediend moest worden. Ik hoef alleen maar te wijzen op Filippus en de Moor­man: "Ziedaar water; wat verhindert mij ge­doopt te wor­den? En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoor­loofd" (Hand.8:36-37).

Het is dus naar de Schrift, wanneer er bij de Doop van volwas­senen eerst gevraagd wordt naar hun ge­loofsbelijde­nis. U kent het verschil wel in het formu­lier voor de Doop van kinder­en of van volwasse­nen.

Hoe zou het dan komen, dat er zoveel mis­verstanden zijn ten aanzien van de Sacra­menten? Ik wil proberen om de kern aan te wijzen gemeente, en dat is dat wij het rechte zicht niet hebben op wat de Sacra­menten zijn en op wat de Sacra­menten bedoe­len. Daar komen veel dwalin­gen uit voort. Eigenlijk is het merk­waardig dat de dwa­lingen niet zozeer voort­komen uit het objec­tiveren van de Sacra­menten, maar juist uit het­ subjec­ti­veren van de Sacra­menten.

Wat zijn die Sacramenten eigenlijk? Het is al weer enige tijd gele­den dat wij daarin onderwezen werden. De Sacra­menten verzegelen en onderstrepen iets. Wat onder­strepen die Sacramenten? Helemaal niet in de eerste plaats, dat ik een gelovige ben. Zelfs het Sa­crament van het Heilig Avondmaal onderstreept niet in de eerste plaats mijn aandeel, maar in de eerste plaats onderstreept het Sacrament het Woord van God. De kostelijke beloften van God wor­den in de eerste plaats verzegeld in de Sacramen­ten.

­Hoewel we die beide Sacra­menten niet geheel gelijk kunnen stellen, geldt zowel ten aanzien van het Avond­maal als van de Doop, dat wij deze zullen gebruiken met een gelovig hart. Wat er dan versterkt wordt, dat is niet in de eerste plaats mijn aandeel aan Christus, maar de Sacramenten zijn gericht op de ver­sterking van het geloof in Chris­tus. Waar dat geloof verze­kerd wordt door de Sacra­menten, daar wordt dat geloof ook verze­geld door de Heilige Geest.

Daarom komen we ook vanavond weer terug bij het eerste wat de catechismus gezegd heeft over de Sacra­menten. Hoe wordt het geloof gewerkt? Door Woord en Geest. En hoe wordt het geloof versterkt? Door Sacra­ment en Geest. En in die weg, ge­meente, is er een subjectieve verze­kering en wordt het geloof verze­geld door de Heilige Geest. Dat is dus niet ver­bonden aan de Sacramenten, maar aan het geloof!

Dat heeft Paulus heel duidelijk geleerd in Efeze 1 "In Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heili­gen Geest der belofte" (Ef.1:13).

Zo onderstreept God in de Sacramenten Zijn eigen Woord en Zijn eigen werk! Zo worden wij ook in deze vragen en antwoorden opnieuw gewe­zen op het wezen van de Sacramenten. Het zijn panden en waar­tekenen. Waartekenen, niet in de eerste plaats van mijn aandeel, maar van de beloften Gods. Zoals David daarvan zingt: "Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd, gaf aan mijn hart ver­troos­ting, geest en leven" (Ps.119:25 ber.).

Zo moeten wij de Sacramenten zien, geliefde gemeen­te. Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelve? Het antwoord kan alleen maar zijn: Neen het; want alleen het bloed van Jezus Chri­stus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zon­den.

 

Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der weder­geboorte en de afwassing der zonden? Dan antwoordt de catechis­mus: God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weg genomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Godde­lijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

Ik heb gezegd van het doopformulier, maar dat geldt ook van zondag 26 en 27, dat het ei­genlijk alleen door het geloof gelezen en verstaan kan wor­den, in zijn diepte en rijkdom. In de Sacramen­ten worden de belof­ten Gods verze­kerd door een pand, een zicht­baar teken. O, dan is het toch de kern van het Evan­ge­lie, die ons afge­beeld wordt in het Sacra­ment.

Dan is het in het Heilig Avondmaal maar niet het li­chaam van Christus, maar het verbroken lichaam van Christus en Zijn vergoten bloed waarop alleen onze hoop gevestigd kan zijn. In de Doop kan onze hoop alleen gevestigd zijn op het bloed en de Geest van Jezus Christus.

Als er dan troost is, als er dan geloofstroost is in het Sacrament, dan ligt de dier­baarheid toch niet in het water, maar in de levende Christus, Die gestor­ven is aan het kruis. Wiens zijde men doorsto­ken heeft "en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig" (Joh.19:34-35).

Er is geloof voor nodig, gemeente, een beetje geloof. En het geloof van Gods kinderen, het geloof van de wedergeboren Kerk is meestal geen bran­dend haard­vuur, het is slechts een vonkje. Dan mogen de Sacra­men­ten weleens de blaasbalg zijn, die de wind des Geestes doet waaien, zodat het vonkje weer eens aan mag wakkeren in onze levens. Zodat het weer een vuur mag worden, zodat er weer warmte en gloed uit mag stralen. Waar­uit? Uit Jezus Chris­tus en uit Zijn ver­dienste.

De ziel kan maar op één plaats rusten, en dat is in het volbrachte werk van Jezus Christus. In Christus' bloed en wonden, heeft mijn ziel genezing ge­vonden.

Het is zo nodig, geliefde gemeente, dat we die zaak één keer leren kennen in ons leven, om ge­troost te kunnen sterven. Maar we hebben het vaker nodig, om getroost te kunnen leven. ­Het is één keer broodno­dig om, hoe dan ook, te weten van een geloofsvereni­ging met Jezus Christus, met Zijn koste­lijke bloed en met Zijn Geest. Maar:

 

     Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten,

     Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,

     En dat wij stof, van jong­s af, zijn geweest (Ps.1­03:7 ber­.).

 

Daarom is het Gods wijze van doen, om het vuur le­vend te houden in ons le­ven en om het aan te blazen door de Sacramen­ten, door de Heilige Geest.

O, het is zo'n menselijke vergissing gemeente, wanneer we zouden denken dat het doopwater ons wast of dat het avond­maalsbrood ons zalig kan maken. Het gaat niet om de weldaden van Christus, maar om Christus Jezus Zelf. Daar is geloof voor nodig. En geloof, gemeente, dat is maar niet iets wat ìk beoefen. Dat is maar niet: pak het maar, zodat je het hebt.

Geloof is niet op de weldaden, op zichzelf genomen, uit. Geloven dat ik be­keerd ben, dat is niet het geloof. Gelo­ven dat ik zalig word, dat is niet het geloof. Het komt er wel bij, maar het is de kern van het geloof niet. De kern van het geloof is een relatie, een levende relatie. Het is met hart en ziel aan Jezus Christus verbonden te zijn door de Heilige Geest.

Ook hier gaat het op wat de catechismus geleerd heeft in voor­gaande zondagen, dat wij verenigd moeten zijn met Jezus Christus. Op een andere plaats wordt het ingelijfd zijn in Jezus Christus genoemd. De apostel noemt het ook wel: "Eén plant met Hem gewor­den te zijn" (Rom.6:5).

Daarom wordt de Doop in zijn kern ook zo schoon gete­kend in Romeinen 6:4: "Wij zijn dan met Hem be­graven, door den doop in den dood". Dat is een onder­gaan gemeente, dat is een onder­gaan. Maar het is ook een opstaan, één­malig in ons leven in de beke­ring, maar ik zou ook zeggen: dagelijks! Het doop­formulier spreekt over de dage­lijkse vernieuwing van ons leven.

Daarom wordt er niet alleen gesproken over het bloed van Jezus Chris­tus Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden tot recht­vaar­digma­king. Maar hier is ook een directe verbin­ding met de Heilige Geest, de Geest van Christus tot heilig­ma­king. De Doop is een kostelijke zaak, maar wordt alleen verstaan door het geloof, gelief­de gemeen­te.

Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der weder­geboorte en de afwassing der zonden? Het gaat hier om een perti­nent antwoord, zoals we dat ook vinden in onze tekstwoorden: "maar gij zijt afgewas­sen". We vinden het ook in de eerste brief van Petrus, dat "de doop ons nu ook behoudt, niet die een afleg­ging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God" (1 Petr.3:21). ­

Dan kan de Schrift zo stellig spreken, alsof de zaak het teken is en alsof het teken de zaak zelf is. Wan­neer? Als er geloof is, gemeente, als er geloof is dan wordt het geproefd en gesmaakt, dat het bloed van Jezus Chris­tus Gods Zoon reinigt van alle zonden.

Het gaat in de Doop om een geweldige zaak, die wij zuiver moeten houden. Het gaat er om dat er maar één Naam gegeven is om zalig te worden, Jezus Christus en Dien gekruisigd.

Het gaat ook vanavond om deze vraag: Is er nog enig middel om de welverdiende straf te ontgaan? Nee, er was geen middel hebben we gelezen op de eerste blad­zijden van de catechismus. Geen doopwa­ter en geen avo­nd­maals­brood kan ons zalig maken. De zaak is veel groter, genadiger en barmhartiger. Er is een Mid­delaar Gods en der mensen: Jezus Christus. Zijn werk aan het hart toegepast zal ons zalig maken.

En het geloof, gemeente, dat legt een relatie, dat legt een betrek­king, die door de Heilige Geest wordt ge­werkt. Ingeënt te zijn, dat wil zeggen te vergroeien, dat wil zeggen op één wortel te staan en te leven uit het­zelfde beginsel. "Want indien wij met Hem één plan­t geworden zijn in de gelijk­making Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner ­op­stan­ding" (Rom.6:5).

O, wat is de Doop een kostelijk Sacrament. We moeten ook heel goed begrijpen, gemeente, wanneer de Doop bediend wordt, dat het dan niet alleen een zaak is van dat ene kind, of van die drie men­sen: de vader, de moeder en het kind. Het is een gebeurtenis binnen de gemeen­te, opdat, wanneer wij het water weer zien vloeien, wij gebracht worden tot het geloof. Om het bloed van Jezus Chris­tus weer eens te ervaren tot reinig­ma­king van al onze zonden, daarvoor is het geloof nodig. "Maar zonder geloof is het onmoge­lijk Gode te beha­gen" (Hebr.11:6).

Nu zijn de Sacramenten in zichzelf wel van zo'n godde­lijke waarde gemeente, dat al zou een hele gemeente ongelo­vig zijn, al zouden de doopouders ongelovig zijn en al zou dat kind ongelovig blijven, dat onge­loof kan tot in der eeu­wigheid Gods getrou­wheid niet te niet doen. Al zou er alleen maar onge­loof zijn, dan blijft het Sacra­ment tòch Sa­crament. Maar de zalige baten zullen we er van mis­sen, want die zijn alleen voor het geloof.

Wij kunnen ook vanavond die catechismus­vraag wel herhalen: Wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft? Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens.

Het geloof! We zouden het dus zo kun­nen zeggen: het geloof is voorwaarde tot het goed verstaan van de Doop. Maar daar kunnen we ook te ver in gaan, wan­neer we een zaligmakend geloof als voorwaarde zou­den gaan eisen. Wanneer wij zelfs maar de me­ning zou­den hebben, dat wij dat kun­nen onderzoeken als mens, ambtsdra­ger of dominee.

Daar is ook weer een misbruik uit gegroeid. Het was feitelijk zo bij de kinderdoop in Engeland, dat daar sterk de nadruk werd gelegd op het geloof. In de An­gelsaksi­sche landen is het toen zo gegaan, dat men ten diepste bij het doopvont niet beloofde om de kinde­ren op te voeden in de voorzeide leer, maar men beloofde eigen­lijk het geloof. Men beloofde geloof en omdat zo'n kind het zelf niet kon beloven dat hij later een gelovi­ge zou zijn, is men daar te ver in gegaan.

Toen is er in verschillende kerk­gemeenschappen het gebruik ont­staan, dat de vader of moeder dan maar beloofde: ik geloof in de plaats van mijn kind. En als dat kind geen, laat ik het maar bij zijn naam noe­men, be­keerde vader of moeder had, dan namen ze de groot­vader of grootmoeder, die hielden dat kind dan ten Doop. Zodoende werd er ten diepste geloof beloofd. Daar­om zien wij dat er in die landen een gewel­dige afkeer is ontstaan tegen de kinder­doop. Dat komt opdat zij de juiste inhoud van de kinderdoop niet heb­ben verstaan. Zo was er vroeger, maar ook nu in ons va­derland veel misverstand ten aanzien van de kinder­doop.

 

Daarom is de vraag nog steeds actueel: Zal men ook de jonge kin­deren do­pen? Ja het; want mitsdien zij alzo­wel als de volwas­senen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begre­pen zijn, en dat hun door Chri­stus' bloed de verlos­sing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan den volwas­senen, let op: toege­zegd wordt, zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken des verbonds, der Chris­telijke Kerk ingelijfd en van de kinde­ren der ongelovi­gen onder­scheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testa­ment door de Besnijdenis geschied is, voor dewel­ke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

Het moest ons nu eigenlijk wel duidelijk zijn, wanneer we de kern gezien hebben van het Sacrament, dat het Sacrament inhoudt dat God Zijn belofte, Zijn Woord onder­stree­pt. Hij stelt tekenen aan­gaande Zijn spreken. Wanneer wij er oog voor krijgen dat hier het kern­woord is: toege­zegd door de belovende God. Wel, dan moet ik eerlijk zeggen, dat ik ineens niet meer zoveel opheb met die volwas­sendoop. Daardoor maakt men ten diepste van de Doop: ik geloof.

Maar wat is de Doop? Niet ik geloof, maar Ik beloof! Ik beloof in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes! Dat is iets anders dan: ik geloof. God sp­ree­kt: Ik beloof. Nu gaat het ook wel om het geloof daarin, gemeente, maar de na­druk van het Sacra­ment ligt op het beloven van God. Daar­om zal men ook de jonge kinderen dopen!

Als God met Zijn Woord tot ons komt als gemeente, als God met Zijn Evangelie tot ons komt, als God tot ons komt in de bediening van het Verbond, zouden dan de jonge kinderen uitgezonderd moeten worden? Ik dacht het toch niet. Als we maar zien, dat het niet een ster­veling is, die zijn geloof uitspreekt voor God, maar dat God Zijn naam uitspreekt voor een zon­daar: Ik beloof. O, dan kan de zaak duidelijk zijn!

Het is God gemeente, Die Zijn Kerk hier op aarde bouwt. Het is een groot wonder, dat God de Kerk die de zaligheid beërven zal, ook bouwt door middel van mensen, door het heilig huwelijk waarin de vrouw zalig zal worden in kinderen te ba­ren. (1 Tim.2:15).

Het is dus niet zo dat Abraham gezegd heeft tot God: ik geloof. Maar God was het, Die tot Abraham kwam: Ik beloof. Daarom begrijpen we dat het niet alleen over Abraham loopt, maar over Abraham en zijn zaad. Zoals wij dat ook opgenomen vinden in het doop­formulier. Dan gaan we er ook iets van be­grijpen dat die tekst opge­nomen is: "Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal" (Hand.2:39).

Nu moeten we wel even opmerken, dat het doopformu­lier niet spreekt dat wij in genade aange­nomen worden. Maar het doopfor­mulier spree­kt dat wij in Christus tot genade aangenomen worden.

Dan gaat het ook om een geweldige verantwoordelijk­heid voor ge­doopte kinderen, maar ook voor doopou­ders. Daarom is ook in het formulier de geschiedenis opgenomen van moeders die hun kin­deren tot Jezus brachten, opdat Hij ze zegenen zou. Christus heeft hen omhelst, de handen opgelegd en gezegend.

Wat dachten de discipelen toen eigenlijk gemeente? Ze heb­ben de moeders en hun kinderen afgeweerd. Wat worden er veel vergissin­gen gemaakt in het Ko­ninkrijk Gods. Wat denken we vaak dat het alleen is voor vol­was­sen mensen. De discipelen dachten dat Christus er niet was voor kinde­ren, maar alleen voor groten. Maar wat zegt Jezus? "Laat de kinder­kens tot Mij komen, en verhin­dert ze niet; want der­zulken is het Koninkrijk Gods" (Mark.10:14).

Doopstof, geliefde gemeente, is worstelstof om er ten aanzien van onszelf mee voor God op de knieën te komen. En om er ten aanzien van onze kinderen mee op de knieën te komen. Want de kern van het Sa­crament, ik heb het u gezegd, is niet de belijdenis: ik geloof, maar God Die zegt: Ik beloof. Maar als het dan nooit komt tot het 'ik geloof' in onze le­vens, in onze harten, dan is het toch voor eeuwig verloren.

Juist de apostel Johannes, die met recht genoemd wordt de apostel der liefde, die zo bijzonder liefelijk prediken kon, schrijft: "die God niet gelooft, heeft Hem tot een leuge­naar gemaakt" (1 Joh.5:10).

Dat geldt dan voor een gedoopt voorhoofd des te meer, gemeente. Om God tot een leuge­naar ge­maakt te hebben, dat zal recht vreselijk zijn. Wie in een weg van ongeloof de verbondszegen veracht, zal tot in der eeuwigheid onder de verbondswraak leven. Dat is de ernst van de zaak. God zegt: Ik be­loof! Het geloof behoeft niet groot te zijn, maar het zal er wel op aanko­men of wij ooit geloof beoe­fend hebben.

Misschien vraagt u nu wel in uw hart, wat is dan geloof? Krumma­cher heeft ge­zegd: "Geloof is: God voor een waar­achtig Man hou­den". Daarin ligt de ganse zaligheid. "Ik geloof, Heere! kom mijn onge­lovig­heid te hulp" (Mark.9:24).

Dan is het een kostelijke zaak, geliefde gemeente, het Sacrament. Ik herhaal wat Calvijn gezegd heeft: De Sacra­menten zijn de krukken waarop een kreupele Kerk mag gaan. AMEN.