Zondag 28. Vraag en antwoord 75 - 76 - 77

       VAN HET HEILIG AVOND­MAAL ONZES HEE­REN

                                         ZONDAG 28

                            Vraag en antwoord 75, 76 en 77

 

        Psalm   118 : 1

        Psalm   118 : 2

        Psalm   111 : 1,2,3

        Psalm     56 : 5

        Psalm     25 : 10

        Matt.       26 : 17-46

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Mat­théüs 26 : 26 - 29

 

En als zij aten, nam Jezus het brood, en geze­gend hebben­de, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn li­chaam.

En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebben­de, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;

Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testa­ments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.

En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijn Vaders.

 

Onze catechismus zondag 28, vraag en antwoord 75, 76 en 77

 

75. Vr. Hoe wordt gij in het Heilig Avondmaal vermaand en verzekerd dat gij aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed gemeenschap hebt?

Antw. Alzo, dat Christus mij en allen gelovigen tot Zijn ge­dach­tenis van dit gebroken brood te eten en van dezen drink­beker te drinken bevo­len heeft, en daarbij ook beloofd heeft: eerstelijk dat Zijn lichaam zo zekerlijk voor mij aan het kruis geofferd en gebroken en Zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met de ogen zie dat het brood des Heeren mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt; en ten andere dat Hij Zelf mijn ziel met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed zo zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en den drinkbeker des Heeren (als zekere waartekenen des lichaams en bloeds van Christus) uit des dienaars hand ont­vang en met den mond geniet.

76. Vr. Wat is dat te zeggen, het gekruisigd lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken?

Antw. Het is niet alleen met een gelovig hart het ganse lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving der zonden en het eeuwi­ge leven verkrijgen, maar ook daar­bene­vens door den Heiligen Geest, Die èn in Christus èn in ons woont, alzo met Zijn heilig lichaam hoe lan­ger hoe meer verenigd worden, dat wij, al is het dat Christus in den hemel is en wij op aarde zijn, nochtans vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zijn, en dat wij door één Geest (gelijk de leden van een lichaam door één ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd worden.

77. Vr. Waar heeft Christus beloofd dat Hij de gelovigen zo zekerlijk alzo met Zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebro­ken brood eten en van dezen drinkbeker drin­ken?

Antw. In de inzetting des Avondmaals, welke alzo luidt: De Heere Jezus, in den nacht, in welken Hij verraden werd, nam het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.

Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker na het eten des Avond­maals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testa­ment in Mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.

Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbe­ker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt. 1 Kor. 11:23-26.

Deze toezegging wordt ook herhaald door den heiligen Pau­lus, waar hij spreekt:

De drinkbeker der dankzegging, dien wij dank­zeggende zege­nen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des li­chaams van Christus?

Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn. 1 Kor. 10:16,17.

 

Geliefde gemeente, er wordt in de catechis­mus drie zondagen achter­een over het Heilig Avond­maal gespro­ken.

De drie zondagen die hierover spreken zijn on­der­scheiden. Zondag 28 handelt over het Avondmaal zoals het ingesteld is door de Heere Jezus. Zondag 29 en zondag 30 spreken over de dwalingen die er ont­staan zijn, ten aanzien van het Heilig Avondmaal des Heeren.

Vanavond gaat het dus over de inzetting. Dan zijn er drie vragen en drie antwoorden, drie lange antwoorden mogen we wel zeggen.

Ik wil deze keer niet precies de catechismus volgen in zijn volgorde. Maar samenvattend willen we eerst de inhoud van vraag 77 en daarna van 75 en 76 nagaan. We zullen die antwoorden dus iets schikken.

Zoals op meerdere plaatsen in de catechismus zijn er in de antwoor­den ook zaken, die later uitgebreider aan de orde komen en uitge­breider verklaard worden in zon­dag 29 of 30.

Het gaat deze keer dus over de instelling van het Heilig Avond­maal en dan voornamelijk over het laatste ant­woord, waarin ook de instel­lingswoorden zijn opge­no­men, zoals de Heere Jezus deze gesproken heeft en zoals Paulus daarvan ge­schreven heeft in zijn brief aan de Korin­thiërs.

Het Heilig Avondmaal is een instelling van de Heere Jezus Christus Zelf voor de gelovige Kerk. De Neder­landse geloofsbe­lijdenis spreekt in artikel 35: Wij geloven en belijden, dat onze Zaligmaker Jezus Chris­tus het Sacrament des Heiligen Avondmaals verordend en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden degenen, die Hij alrede wedergeboren, en in Zijn huis­gezin, hetwelk is Zijn Kerk, ingelijfd heeft.

Het is een heerlijk Sacrament, waarin Christus Zich betoont de Bruidegom, de getrouwe Bruidegom te zijn. En waarin de Kerk vermaand wordt een ge­trouwe Bruid van Jezus Christus te zijn. Van die heilige verbinte­nis, tussen Jezus Christus als het Hoofd en Zijn Bruid, is het Avond­maal een heerlijk beeld.

Het was in vroeger tijden zo dat, wanneer er een liefde­band was, zoals de band tussen een bruidegom en zijn bruid, men elkander een pand en waarte­ken gaf. Dat woor­d wordt ook in deze catechis­mus weer ge­bruikt: de zekere waartekenen van de liefde die er is tussen de Bruidegom en Zijn Bruid. Wat voor waarteken was dat? In vroeger tijd was het in het Oosten nog ge­bruike­lijk dat een bruid gekocht werd met goud. En het pand en waar­teken van de liefde was een gouden munt die men doorbrak, waarvan de bruide­gom het ene deel had en waarvan de bruid het andere deel had. En dat was nóóit meer te verwis­selen, zo'n half goud­stuk met een ander half goud­stuk. Dat was het pand en dat was het waarte­ken van de liefde tussen bruid en brui­degom.

Wanneer zijn zulke panden nu het meeste waard, ge­meente? Niet als je bij elkaar bent. Maar juist als je elkaar missen moet, dan is zo'n pand en waarteken dat je van je geliefde hebt, het meeste waard.

Goed, wij weten dat ook de Heere Jezus Christus Zijn Bruid ge­kocht heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed. Zo komt dat ook tot uitdruk­king in het teken, het pand en waarteken dat de Heere Jezus Christus gegeven heeft aan Zijn Bruids­kerk. Het is het tegen­beeld van Zijn lichaam en van Zijn bloed: brood en wijn.

We lezen reeds in de eerste zondag van de catechismus dat Jezus Christus Zijn Bruid gekocht heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed.

Het is dan ook heel opmerkelijk, dat de Heere Jezus Chris­tus dit Avondmaal niet heeft ingezet bij het begin van Zijn optreden, maar in de nacht, in welke Hij verra­den werd, toen Hij Zijn Bruid metter­daad ging kopen. Er is een onlosmakelijke band, ik heb het u voorgelezen in Matthéüs 26, tussen het Avondmaal dat Jezus gehou­den heeft met Zijn discipelen en de worsteling in Gethsémané. Daar heeft de Heere Jezus geworsteld met Zijn Vader: "In­dien het moge­lijk is, laat dezen drin­k­beker van Mij voorbijgaan!" (Matt.26:39).

Had de Heere ook een ander teken van Zijn liefde kunnen geven? Jazeker, gemeen­te, God is daar vrij in. Hij had Zijn Kerk ook kunnen verplichten om een zeer bittere maaltijd te houden, zodat er tranen vergoten zouden moeten worden aan de tafel vanwege de teke­nen. Maar hierin blinkt wel de liefde van God, dat Hij als teken gegeven heeft voor de nieuwtesta­mentische Kerk, niet de bittere kruiden uit het Oude Testament, maar brood en wijn. Dat zijn twee essentiële dingen voor het dagelijkse leven en in het Sacrament zijn het essenti­ële dingen voor het geestelijke leven.

In de nacht, in welke Hij verraden werd, heeft Jezus er bij gezegd: "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (Luk.­22:19). De Kerk is dus niet vrij ten opzichte van de Sacramen­ten, alsof het naar haar eigen goed­dunken zou zijn om het te doen of om het na te laten. Jezus heeft ge­zegd: "Doet dat tot Mijn gedachte­nis". En de Kerk die bij de Sa­cramen­ten leeft, zal zich laten regeren door de liefde.

Er is met name aan het Sacrament van het Heilig A­vondmaal nog een extra belofte verbonden. Want toen Jezus in de nacht, in welke Hij verra­den werd, het brood heeft verbroken en tezamen met Zijn disci­pelen gegeten heeft en de wijn heeft vergo­ten en tezamen met Zijn discipelen gedron­ken heeft, toen heeft Hij zo'n koste­lijke belofte nage­laten. Dat lezen we in Matthéüs 26 vers 29, daarin ligt de trouw­belofte van de Kerk: "En Ik zeg u", zegt de Heere Jezus, "dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijn­stoks tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders".

Wat een heerlijk liefdeteken, gemeente, wat een heerlijk teken van trouw van de Heere Christus! Zo heeft de Heere Jezus het ingezet: "Ik heb grote­lijks begeerd, dit pascha met u te eten" (Luk.22:15).

Met wie eigenlijk? Met de discipelen, met zondaren! Met een man als Petrus, zelfs nog voordat hij bitterlijk zijn zonde had beweend. "Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten". Met zonda­ren, die in feite­lijkheid nog voor het kruis stonden! "Ik heb grote­lijks begeerd, dit pascha met u te eten". O, wat stra­alt daar een liefde uit, geliefde ge­meente.

Er is dus nòg een kant aan het Sacrament van het Heilig Avond­maal. Want als het goed is, dan wordt niet alleen de Kerk verkwikt door brood en wijn, maar dan wordt ook Jezus Christus, de hemelse Bruidegom ver­kwikt, zo dikwijls als dat gedaan zal worden tot Zijn gedachte­nis.

Het Heilig Avondmaal wordt Avondmaal genoemd en het wordt ook weleens de tafel des Heeren genoemd. Maar meest­al wordt het Avondmaal genoemd, want het is ook in een avondstond ingesteld. "In den nacht", zegt de Schrift, "in welken Hij verraden werd". Maar er zit niet alleen een tijdsaanduiding in het woordje Avond­maal. Het avondmaal in het Oosten was ge­meenschaps­maal­. Bij een goede maaltijd, zeker bij het Avondmaal, gaat het niet alleen om spijs en drank, maar gaat het om de kostelij­ke gemeen­schap die met elkaar geoe­fend wordt aan de tafel, bij brood en wijn.

Als de Heere Jezus Christus zegt: "Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten", dan staat de Heere Jezus Zelf nog voor Zijn lijden. Hoe heeft de Zoon van God begeerd om gemeenschap te hebben met zondi­ge mensen. O, hoe zou dan een zondig mens niet begeren, door het geloof, gemeen­schap te hebben met de Heere Jezus Christus. "Doet dat tot Mijn ge­dachtenis", "Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten".

Wanneer de Kerk heel vrijmoedig is, dan mag zij het zó uitspreken, dat het de wens geweest is van haar ster­vende Broeder, Die gezegd heeft: "Ik heb grote­lijks begeerd, dit pascha met u te eten".

Maar het is ook ten goede van de Kerk ingesteld, van de levende Kerk, van de wederge­boren Kerk zoals artikel 35 van de Nederland­se ge­loofsbelijdenis zegt. Dan tekent de Nederlandse geloofsbelij­denis het ook aan, dat de ware gelovige twee levens heeft: een na­tuurlijk leven van vlees en bloed, dat onderhouden wordt door dagelijks brood en door de wijn van het dagelijks leven. Maar de ware gelovige heeft ook nog een geestelijk leven.

Zo onderhoudt het Heilig Avondmaal het geestelijk leven door die twee teke­nen, die twee essentiële dingen die een mens broodnodig heeft: brood en wijn. Brood, het dagelijkse voedsel in het Oosten en wijn, de dage­lijkse versterkende drank in het Oosten. Zo heeft de gelovige het voor zijn geestelijk leven ook no­dig om gevoed te worden met geestelijk brood en geestelijke wijn.

O, het is zo'n mooi beeld wanneer artikel 35 zegt dat de gelovige twee levens heeft. Hoe is dat in het na­tuurlijk leven? Wanneer eten en drinken we eigen­lijk, gemeente? Wanneer er een leegheid is in het li­chaam, wanneer de honger ons gaat kwellen en wan­neer de dorst ons gaat kwellen. Waar zou dit gees­telijke voed­sel dan voor zijn? Zou het niet zijn om de leegheid van de gelovige te vervullen, de honger en kommer, de dorst van onze zielen?

De Heere Jezus heeft ons in het Sacrament brood en wijn geschon­ken. Twee zeer aangename tekenen. Het woord teken dat wil zeg­gen: er staat een betekenende zaak op de achter­grond. Zoals het water in de doop wijst op het bloed van Jezus Christus Gods' Zoon, dat rei­nigt van alle zonden. Zo wijzen de tekenen van het Heilig Avondmaal op het offer van Christus.

Het valt bijzonder op wanneer wij zondag 28, 29 en zondag 30 lezen, dat juist in dit gedeelte van de cate­chismus het woord offer veel­vuldig wordt ge­bruikt. Er wordt niet alleen gesproken over het offer, maar er wordt ook gesproken over de enige offerande van Jezus Christus aan het kruis volbracht: Zijn vlees en bloed tot verzoening van de zonden.

Offer, het wijst ons op de enige offerande. Dat wil dan zeggen gemeente, dat er ook nergens anders behoude­nis te vinden is, dat er nergens voedsel te vinden is voor onze zielen dan in het enige offer: Jezus Chris­tus. Dan staat op de achtergrond Zijn verbroken li­chaam en Zijn vergoten bloed. De wrekende ge­rech­tigheid in Jezus Chris­tus, is de toegerekende gerech­tig­heid geworden in Jezus Christus, naar zondag 23.

En dat wordt ons voorgesteld in een teken dat je kunt zien. De Doop is zelfs iets, dat je voelen kunt. Het Heilig Avondmaal is zelfs iets, dat je proeven en sma­ken kunt. Daarmee komt de Heere Jezus ook het kleine geloof, het zwakke geloof tegemoet om te kunnen proe­ven en smaken dat Jezus Christus goed is en dat Hij zoet is.

Wat een geweldig wonder, geliefde gemeente! Wij leven nu onge­veer tweeduizend jaar na de kruisiging van de Heere Jezus Christus. Als kind heb ik zo vaak gedacht: ik zou een aanschouwer willen zijn van het kruis. O, wat zou ik het graag gezien hebben. Dwaas hoor! Want er is geen andere gemeenschap aan de Heere Christus, dan door het geloof.

Nu geeft God in Zijn goedheid aan de Kerk van alle tijden, Zijn tekenen in han­den om te proeven en te smaken. Zodat we niet slechts aanschouwers zouden zijn, maar wanneer er een beetje geloof komt bij de tekenen, dan mogen we zelfs proe­ven en sma­ken hoe goed en hoe zoet Jezus Chris­tus is voor zonda­ren.

 

Onze catechismus spreekt over vermaand en verzekerd worden. Zoals die twee woorden ook gebruikt werden bij de leer van de Heilige Doop. Zo heeft de Heere Jezus het ingesteld om verzekerd te worden uit het lijden van de Heere Christus, "Gij zijt duur ge­kocht" (1 Kor.7:23). De Bruidegom, Die nog weer eens laat zien in de teke­nen en Die nog weer eens laat proeven en smaken: "Gij zijt duur gekocht", niet met goud of met zilver, maar door Mijn dierbaar bloed.

Dan gebeurt het telkens maar weer, dat het Evangelie niet alleen hoorbaar gepreekt wordt, maar ook zicht­baar. Het Evangelie van de goede Herder, Die Zijn leven stelt voor de scha­pen en gesproken heeft: "In­dien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heen­gaan" (Joh.­18:8). Een Bruidegom, de Man, Die Zijn leven geeft voor Zijn Bruid.

Ik wil deze avond ook de aandacht vestigen op het woord­je verma­nen. Er zit ook een vermaning in, Christus Zelf vermaant. Wie? Er wordt gesproken over alle gelo­vigen. Alle gelovigen worden ver­maand om op deze tekenen acht te slaan, geliefde gemeente. Want heeft de Heere Jezus Zelf tegen de schare, die een teken wilde hebben opdat zij geloven zouden, niet gezegd: "Het boos en over­spelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet" (Matt.12:39).

Wanneer ons hart een teken zoekt in ongeloof gemeen­te, dan zal ons ongeloof de levende Christus voorbij gaan. Maar wanneer wij een teken zoeken in het geloof, dan is hier het teken door de Heere Jezus Chris­tus Zelf ingesteld: brood en wijn. En het geloof, dat is als het ware de mond om het brood tot voeding te ontvan­gen en om de wijn te drin­ken tot verzadi­ging.

Wanneer er een beetje geloof is, dan betekent het Sacrament dat het geloof nieuwe kracht ontvangt uit deze hemelse spijs. Zoals een afge­mat lichaam, dat lange tijd geen eten gehad heeft weer span­kracht krijgt, weer moed krijgt, wanneer het verzadigd wordt door dagelijks brood. Zoals het uitge­droogde li­chaam dat lange tijd zijn dorst niet heeft kunnen lessen, hijgt naar levend water, zo geeft Christus Jezus wijn, opdat het geloof nieuwe kracht zou ontvan­gen, opdat het ge­sterkt zou worden door hemelse drank voor het gees­telijke leven. Zoals de Heere in de woestijn van het leven, in de woestijn voor Israël, het manna heeft laten regenen zodat ze dage­lijks werden begenadigd, met hemels manna rijk verzadigd.

Zo heeft God in Zijn goedheid ook de nieuwtestamen­tische Kerk haar Manna gegeven, haar Steenrots gege­ven, opdat zij door het geloof zou eten, opdat zij door het geloof zou drinken, opdat zij ver­sterkt zou worden door de liefde van Christus.

Ik heb het al meerdere keren gezegd, dat het Avond­maal niet aan een bepaalde stand van het geestelijke leven is gebonden, gemeente. Maar het is wèl gebon­den aan de wederge­boorte, het is gebonden aan het ge­loof.

Zoals het lichaam door brood weer groei ontvangt, weer spankracht ontvangt en zoals ook het dagelijks leven versterkt wordt door de wijn, zo is er ook in het Avondmaal iets dat gedijen mag ten eeuwi­gen leven.

Er is in dat Sacrament iets weggelegd, wanneer het geloof beoefend mag worden, van opwassen en toe­ne­men in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Chris­tus.

Door het Heilig Avondmaal worden wij vermaand om het ganse lijden en sterven van de Heere Christus, door het geloof, ons toe te eigenen, opdat wij meer en meer zullen groeien door dat hemelse man­na in het Heilig Avondmaal. Dat wij op zullen was­sen en toe zullen nemen in de kennis en in de genade van onze Heere Jezus Christus. Zo wordt de Kerk verze­kerd en ver­maand uit de kruisver­dienste van Jezus Christus, om op te wassen, om op te leven, uit de tekenen die Hij geeft, uit de zaak van Zijn kruis­ver­dienste.

 

In vraag en antwoord 75 vinden we de zaak, de in­houd van het Heilig Avondmaal en in vraag en ant­woord 76 vinden we de welda­den van het Heilig Avond­maal iets meer o­mschreven. De wel­da­den, dat wij door de Heilige Geest met Zijn heilig lichaam, hoe langer en hoe meer verenigd worden. Dan wordt ook de geeste­lij­ke krac­ht, de geestelijke wasdom be­schreven in het antwoord op vraag 76: de verge­ving van zonden te ontvan­gen en het eeuwige leven te verkrij­gen.

U weet gemeente, dat er in de hof niet alleen een boom stond waaraan Adam zich bezondigd heeft, de boom der ken­nis des goeds en des kwaads, maar daar stond ook de boom des levens. De boom, die het eeu­wige leven voortge­bracht zou hebben. Hier in het Sacra­ment zien wij Jezus Christus als de Boom des levens in het nieu­we para­dijs, Die ons het eeuwige leven schenkt.

Op welk een wijze? Door meer en meer verenigd te worden met de eeuwig levende opgestane Heere Jezus Christus. Zodat de catechis­mus niet schroomt om het zelfs zo uit te drukken, dat wij vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zouden worden.

O, we hebben het u al vaker gezegd, één plant te wor­den met Jezus Christus, Zijn dood gelijkvormig wor­dende. Maar dat is het einddoel niet waarvoor de Heere Jezus Christus in deze wereld gekomen is. Hij was het Leven en Hij is gekomen om het eeuwige leven te verwerven en om het eeuwige leven mede te delen.

Vraag en antwoord 76 van onze catechismus wijst er op dat er door het Sacrament, door de oefening van het geloof, een groeien is. Door het geloof meer en meer, één plant te worden, niet alleen ten dode, niet alleen Jezus Christus in Zijn dood gelijkvormig te wor­den, maar door de dood heen naar het eeuwige leven. Dat is het doel dat God gesteld heeft, dat Jezus Christus zou zijn een reuke des levens ten leven. Hij, Die Zelf de ware Levensboom is, dat we één plant zouden worden met die Levensboom ten eeuwigen leven.

Dan schroomt de catechismus niet om te spreken over het vlees van Christus en over het gebeente van Jezus Christus. Om de nauwe vereniging aan te duiden van Bruid en Bruidegom. Maar er wordt ook gespro­ken over de Geest van de Heere Christus, dat wij hoe langer hoe meer geestelijk met Hem verenigd zouden wor­den.

Op een andere plaats wordt dat uitgebreider behan­deld, gelief­de gemeente. Maar het mag hier al gezegd worden, dat méér omgang met Jezus Christus ons méér gelijk­vormig aan Hem zal maken. Dan wordt er dit mee be­doeld, om het maar in de sfeer te houden van bruid en bruidegom, dat als je erg lang en erg veel van elkaar houdt, je op den duur ook op elkaar gaat lijken. Dan ga je elkaars geest indrinken, in het na­tuurlijk leven al, dan word je elkaars geest gelijkvor­mig.

Zo wordt hier geschreven over Jezus Christus. Wanneer we Zijn Geest maar gelijkvormig worden, dan wordt ook die Bruids­kerk verheerlijkt, die Ko­nings­dochter wordt geheel verheerlijkt inwendig en uitwen­dig, vlees en gebeente, ook door de Geest ten eeuwigen leven, zegt de catechismus.

Waar is dat alles nu op gericht, gemeente? Dat Jezus Christus Bruidegom is en dat de Kerk Bruid is, dat kan nooit het einddoel zijn. Het einddoel is dat de Kerk eenmaal met Christus verenigd zal zijn, op de­zelfde plaats als Christus zal zijn, in het huis des Vaders met de vele woningen.

Dan lezen we ook aan het einde van antwoord 76 over het gere­geerd worden. Christus zal de Kerk rege­ren, dan zal de Godsrege­ring ingaan, om nooit meer te eindigen tot in der eeuwigheid. Een regering, niet in tirannie gemeente, maar in hartelijke trouw en in hartelijke liefde. Ik hoop dat u dat begrepen hebt.

Een onderpand! Wanneer wordt een onderpand het meest gewaar­deerd? Wanneer de liefde elkaar het meest moet missen, dan wordt het zegel en pand het meest gewaardeerd.

Het houdt ook in, dat het pand en teken, een­maal in die zin, niet meer nodig zal zijn, want het geloof zal overgaan in aanschouwen. Er ligt nog een vaste belof­te: "En Ik zeg u", dat wordt gezegd tot de ge­meente die hier leeft bij de tekenen: "En Ik zeg U, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks".

Dat is een heerlijke verborgen afspraak van de Brui­degom met Zijn Bruid, "tot op dien dag", op die heer­lijke dag, de dag dat de verhou­ding Bruid en Bruide­gom bekroond zal worden met eeuwige aanwe­zig­heid, "tot op dien dag, wan­neer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Ko­ninkrijk Mijns Vaders". AMEN.