Zondag 30. Vraag en antwoord 80 - 81 - 82

                                         ZONDAG 30

                            Vraag en antwoord 80, 81 en 82

 

        Psalm     78 : 2

        Psalm     73 : 13

        Psalm     62 : 1,5

        Psalm     86 : 6

        Psalm     72 : 4

        1 Kor.      11 : 17-34

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, 1 Korinthe 11 : 28 - 30

 

Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.

Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zich­zel­ven een oordeel, niet onderschei­dende het lichaam des Heeren.

Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen sla­pen.

 

Onze catechismus zondag 30, vraag en antwoord 80, 81 en 82

 

80. Vr. Wat onderscheid is er tussen het Avond­maal des Hee­ren en de paapse Mis?

Antw. Het Avondmaal des Heeren betuigt ons dat wij volko­men verge­ving van al onze zonden hebben door de enige offerande van  Jezus Chri­­stus, die Hij Zelf een­maal aan het kruis vol­bracht heeft, en dat wij door den Heiligen Geest Chris­tus worden ingelijfd, Die nu naar Zijn men­selijke natuur niet op de aarde maar in den hemel is, ter rechter­hand Gods Zijns Va­ders, en daar van ons wil aangebeden zijn.

Maar de Mis leert dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broo­ds en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden wor­den. En alzo is de Mis in den grond anders niet, dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Chris­tus, en een vervloekte afgoderij.

81. Vr. Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?

Antw. Voor degenen, die zichzelven vanwege hun zonden mishagen, en nochtans vertrou­wen, dat deze hun om Chris­tus' wil vergeven zijn, en dat ook de over­blijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te bete­ren. Maar de hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God beke­ren, die eten en drinken zichzelven een oordeel.

82. Vr. Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal laten komen, die zich met hun belij­denis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aan­stellen?

Antw. Neen; want alzo wordt het verbond Gods onthei­ligd, en Zijn toorn over de ganse gemeente ver­wekt. Daarom is de Christelij­ke Kerk schuldig, naar de ordening van Christus en Zijn apos­telen, zulken, totdat zij betering huns levens bewij­zen, door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.

 

Er is een principieel verschil gemeente, tussen de dienst van de Roomse kerk in zijn geheel en de dienst van de kerken der Refor­matie.

Als zondag 30 vraagt: Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de paapse Mis? Dan gaat het slechts over een onder­deel van de roomskatholieke cere­monie en een onderdeel van de reformatorische kerkdienst, namelijk over de pauselijke Mis en het Heilig Avondmaal. Er is niet alleen een princi­pieel on­der­scheid in deze on­derde­len, maar ook in het ge­heel.

Het is zo, dat er in Israël de tempeldienst was met zijn offers, met zijn cere­moniën, zijn priesters en ga zo maar door. Maar we zien in de tijd van het Nieuwe Testament, dat er ook syna­gogen zijn in Israël, waar niet geofferd wordt, waar geen cere­moniën plaat­sheb­ben, maar waar het volk onder­wezen wordt. Dat is niet zo maar opgekomen in Israël.

We lezen al heel vroeg in de geschiedenis van Israël dat God dat Zelf had ingezet. Er moest onderwijs gege­ven worden op vele plaatsen in Israël, want het volk moest onderwezen worden in Gods Woord. Het volk moest onderwezen worden in vrije genade en dat volk moest onderwezen worden in het geloof. Die lijnen vinden we in de Schrift. Het is helemaal niets nieuws geweest dat Luther gezegd heeft: sola fide, sola gratia en sola scriptura. Dat is een lijn, die door de Schrift getekend is als een rode draad in het Oude Testament.

We zien dan ook dat God daar een bedoeling mee had. Want die tempel en die ceremoniën, ­hoe schoon die plechtigheden ook waren, het was geen 'blijvertje'. Om het maar heel dui­delijk te zeggen: het was vergan­kelijk. Er is een tijd gekomen dat die bediening opge­houden is. Het is niet onduidelijk, maar het is open­baar dat God verder gegaan is met Zijn bediening in de lijn van de synagoge.

We lezen immers dat ook Jezus in de synagoge van Kapér­naüm optrad. We lezen dat de eerste aposte­len gebruik gemaakt hebben van de synagogen. En de lijn is niet onduidelijk, dat daarna eerst huisgemeen­ten ont­staan zijn en later de chr­istelijke gemeenten, waar de chris­tenen tezamen kwa­men in de eredienst.

Twee lijnen: de roomskatholieke lijn houdt vast aan de tempeldienst en de lijn van de Reformatie ligt in het verlengde van de synagoge­dienst. Een syna­gogedienst, een Joodse eredienst, verschilt niet eens zoveel met onze eredienst. De Schrift staat daar in het middelpunt, zij het dan wel het onderwijs uit het Oude Testa­ment. In de Roomse kerk worden alle ceremoniën uit het Oude Testa­ment nog ge­hand­haafd, tot en met de pries­terge­waden, het wijwa­ter en de hysop­kwast, die mensen moet ontzondigen.

Ik ga daar niet te ver op in vanavond, ik wil er u alleen maar op wijzen dat er twee lijnen aan te wijzen zijn. De Roomse kerk volgt de lijn van de tempel­dienst en de kerken van de Reformatie volgen de lijn van de synago­gedienst.

Wat moeten we nu kiezen, zult u misschien vragen? Nu, dat is nogal duidelijk, geliefde gemeente. God heeft het werk van de tempel­dienst afgebroken, God Zelf heeft het beëindigd en het zijn de mensen die het op eigen initiatief voortzetten.

Want wat is er gebeurd op Goede Vrijdag? Is toen niet het grootste mysterie onthuld en openbaar gewor­den, toen het voorhang­sel gescheurd is van boven naar beneden? Heeft God toen Zelf niet de zaak geo­pend en aan het licht ge­bracht? Toen de verzoe­ning vol­bracht was op Golgotha, toen de schaduw­achtige bediening niet meer nodig was in het heilig­dom. Toen was de verzoe­ning niet langer een mysterie, maar een geopen­baar­de zaak, opdat een iegelijk daar zijn hart aan op zou halen, "Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verder­ve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh.3:15). Heerlijke zaak!

Er is nog een tweede punt geweest, waarin het zeer duidelijk is dat de tempeldienst is opgehouden. Niet alleen in de weg van de ver­werving toen het voor­hang­sel gescheurd is, toen Jezus Christus geroepen heeft: "Het is volbracht".

Maar God heeft nòg een streep door de tempeldienst gehaald en wel op de Pinkster­dag. Toen de Heilige Geest uitgestort is, niet over de ceremoniën, niet over het offer dat op het aardse altaar gebracht werd, maar de Heilige Geest is uitge­stort over de prediking van Petrus. Wij lezen daar misschien gemak­kelijk overheen, maar het is een zaak van zeer veel gewicht, dat op die dag veel pries­teren het geloof gehoorzaam zijn gewor­den. Zij hebben het gezien, zij hebben het erva­ren dat de verzoening een volbrachte zaak geworden was in de Heere Jezus Chri­stus.

Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de paapse Mis? Laten we het zo maar zeggen: als ergens de zaak ernstig ligt, dan is dat wel op het ver­schil tussen Avondmaal en paapse Mis.

Er worden twee dingen van de paapse Mis gezegd. Het is een verloochening, dan moet je helemaal aan het einde van dat lange antwoord kijken. Het is een ver­loochening van de enige offerande en het lijden van Jezus Christus en een vervloekte afgoderij.

Om met dat laatste maar eerst te beginnen, waarom is de paapse Mis een vervloekte afgoderij? Dat houdt ten nauwste verband met de leer van de transsub­stan­tiatie, alsof het brood waarlijk lichaam van Christus wordt en alsof de kelk met wijn waarlijk bloed van Christus wordt. Alsof daar waarlijk iets van Christus' lichaam staat of ligt, waar god­delijke eer aan bewezen wordt. Ook de Roomse kerk begint vrijzinnig te worden, het raakt een beet­je in onbruik, maar het verandert de zaak niet.

Het is dus zo, dat men inderdaad goddelijke eer be­wijst aan de hostie. Iedere Roomskatholiek, die zichzelf res­pec­teert, neemt de hoed af als hij voorbij de kerk gaat. Waarom? Om eerbied aan die kerk te bewijzen? Nee, omdat er in die kerk een altaar is, in die kerk wordt de ouwel bewaard, daar wordt de heilige wijn bewaard, daar is lichaam en bloed van Christus. Mag dat, is dat dan niet eerbiedig om je hoed daar voor af te nemen? Het is een ver­vloekte afgoderij, zegt de catechis­mus.

Is dat niet overdreven? Nee gemeente, want dan heb­ben we de zaak van de twee naturen van Christus niet begre­pen. Het gaat over de goddelijke eer die ook de Christelijke Kerk toebrengt aan Christus, maar nooit aan Zijn menselijke natuur gemeente, vergeet dat niet. De men­selijke natuur van Christus wordt niet aangebe­den en zal ook niet aangebeden worden. God zal aange­be­den worden en de godde­lijke natuur in Christus zal aangebe­den wor­den. Dat is een zaak van gewicht.

Het wordt hier een vervloekte afgoderij genoemd, wanneer we de menselijke natuur van Jezus Chris­tus en nog veel erger, de wijn en de ouwel goddelijke eer gaan bewijzen, als we dat gaan aanbidden. O, gemeente, dat wordt ge­noemd: een ver­vloekte afgoderij.

Dat is niet Chris­tus vereren, maar dat is de le­vende Christus te schande maken, Die naar Zijn mense­lijke natuur niet op de aarde is, Die naar Zijn menselijke natuur niet be­waard wordt in het roomse heiligdom, maar naar Zijn menselij­ke natuur opgevaren is in de hemel. Dat zijn din­gen van zeer veel gewicht, ge­meen­te. Daar­mee is in het geding dat Jezus Christus echt mens geworden is, de broede­ren in alles gelijk gewor­den is, uitge­nomen de zonde. Jezus Chris­tus is mens geworden, ont­vangen weliswaar van de Heilige Geest, maar zo con­creet mens geworden, dat Hij is geboren uit de scho­ot van Maria en opgeva­ren naar de hemel.

Vervloekte afgoderij! Wanneer er immers een produkt van de bakker, ik zeg het in alle eerbied, aangebeden wordt alsof dat de Christus zou zijn, alsof dat God of god­delijk zou zijn: een vervloek­te afgoderij!

Christus is in de hemel. Daar zal onze troost liggen gemeente, zoals we dat geleerd hebben uit de catechis­mus over de hemelvaart van onze Heiland en Zaligmaker Jezus Christus. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Maar naar Zijn menselijke na­tuur is Hij werkelijk opgeva­ren naar de hemel.

Het wordt ook genoemd: een verloochening van de enige offerande van het lijden van Christus. Wat mij aangaat, hadden ze daar het woordje vervloekt ook wel voor mogen zetten, een vervloekte verloochening van de enige offerande en het lijden van Jezus Chris­tus.

Want waar gaat het om, geliefde gemeente? Het gaat om niet minder in het doen, in het handelen en in het sterven van Jezus Christus, dan om een vol­brachte zaak. "Opdat een iegelijk, die in Hem ge­looft", die in Zijn volbrachte werk gelooft, "niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".

In de Schrift wordt dat zo mooi beschre­ven door de apostel Jo­hannes, die zelf met Jezus ge­wandeld had en die het lijden zo nabij meegemaakt had: "En ik zag, en ziet, een Lam, staan­de als geslacht" (Openb.5:6). Jezus Christus, Die in één offe­rande verzoe­ning heeft aange­bracht. Dan is het toch immers een dwaling, een grote dwa­ling, een ver­vloekte verloo­che­ning van dat lijden van Jezus Chris­tus, als wij zouden denken dat het nog moest gebeuren of nog herhaald zou moeten worden.

Het gaat om iets geweldigs, gemeen­te. Er is een Kerk aan het zalig worden, een schare die niemand tellen kan, uit alle natie, en ge­slachten, en volke­n. Die Kerk is op weg naar het eeuwige Konink­rijk, op grond van het eenmalige offer van Jezus Chris­tus, Die uitge­roepen heeft aan het kruis: "Het is volbracht". Dat is eigenlijk maar een ge­brek­kig neder­lands woor­d: "Het is vol­bracht", want dat betekent dan ook, dat het totaal en finaal volbracht is, dat ieder er zich op verla­ten kan. Dat is de rijkdom!

Zo maar even tussendoor: als het werkelijk nodig was dat Christus nog steeds geofferd moest worden en er waren geen priesters meer en er was geen ouwel meer. O, hoe moesten we dan zalig worden? Laten we God danken dat het niet zo is, dat de zaligheid verankerd ligt, niet in wat nog gebeuren moet, maar in dat wat gebeurd ìs. Waar­aan de Vader Zijn welbehagen betoond heeft in het opwekken van Zijn Zoon.

Het gaat ook nu weer om het alles of niets gemeente. Om het alles of niets van de volmaakte gehoorzaamheid van Christus. De vol­maakte lijdelijke gehoorzaamheid en de volmaakte dadelijke gehoor­zaamheid van Jezus Christus.

Wanneer er dan mensen zijn die méér begeren, die nog een offertje, een misoffertje mis­schien, bege­ren, dan geldt daar dit woord van Jezus Christus Zelf van: "Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet", waarmee Chris­tus Zelf Zijn werk aanduidt, "Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde" (Matt.12:39-40).

Het gaat om de volmaaktheid van het offer van Jezus Christus. Laten we daar niet op afdingen, gemeente. Naar de waardij van de verwerving is dat ene offer zo groot geweest, dat arme zondaars de toevlucht mogen nemen tot deze Jezus. Neem de toe­vlucht tot dat offer, neem toch de toevlucht tot Chris­tus' bloed! Dat is van zo'n waardij geweest, al zou er maar één mens zalig worden in deze hele wereld, dan had er niets van het lijden af gekund. Maar al zouden er nog duizend werel­den zalig moe­ten worden, dan is dat lijden van Jezus Chris­tus ook genoegzaam.

Het gaat om het zalige alles of niets van het lijden van de Heere Jezus Chris­tus, om de uitwerking van Zijn bloed op een zon­daars­hart. Al waren alle zonden van Adams na­kroost saâmgeb­onden, dat bloed van Jezus Chris­tus Gods Zoon, wast alle zon­den uit­! Wat ligt daar een ruim­te in, gelief­de gemeente.

God ver­hoede het, dat u eenmaal verloren zult gaan, o God verhoe­de het, dat er iemand verloren zal gaan. Maar er zal nooit iemand verloren gaan, omdat er geen gena­de genoeg was in dat ene offer. Het offer van Jezus Christus is niet te klein geweest, dat het her­haald zou moeten wor­den. O, al zouden er nog duizend werelden zalig moeten worden, dan zou dat offer niet herhaald behoe­ven te worden, het was volmaakt.

Het gaat om dat offer waarvan Kohlbrugge gezegd heeft op de vraag: waar ben je bekeerd? Op Golgot­ha. Dat is het geweldige, dat Jezus Christus Zich een Kerk gekocht heeft, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dier­baar bloed. Niet op afbe­taling zodat er nog dagelijks op vele plaatsen iets aan dat offer zou moeten worden toege­voegd.

Maar laat ik het met eerbied mogen zeggen, dat offer, die betaling van Jezus Christus was zo'n zalige beta­ling, het was een vooruitbe­taling. Daar­van ge­tuigt ook Paulus. Daar zit toch immers het won­der in voor zijn ziel, niet alleen voor Paulus, maar ook voor iede­re ziel die verstaat wat het is: gekocht te zijn door het bloed en door de wonden van Jezus Chris­tus. Daar zit toch immers het wonder in, dat "Christus, als wij nog krac­h­teloos waren, te Zijner tijd voor de goddelozen ge­storven is". "Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zon­daars waren" (Rom.5:6,8).

Gemeente, laten wij oppassen, dat wij ook niet gaan werken met een protestantse versie van de paapse Mis. In de bekering komt er toch immers niets van de mens bij, ook van ons niet. Laten we maar afstappen van die paapse Mis. Laat het ons maar toepassen op ons eigen leven.

Ik weet heel goed wat u bedoelt, als ik u hoor zuch­ten: mocht de Heere Jezus nog maar eens in mijn hart geboren worden. Of: mocht dat sterven van Jezus Chris­tus maar eens in mijn hart plaats heb­ben. Ik weet heel goed wat u dan bedoelt hoor, gemeen­te. Maar hoe goed het ook bedoeld wordt, het is onjuist. De heils­welda­den vloeien voort uit de heilsfeiten van Jezus Christus. Uit die eenmalige ge­beurtenis dat Jezus Christus het wel­beha­gen des Va­ders heeft volbracht. Dat Hij in een dadelijke ge­hoorzaamheid en in een lijdelij­ke ge­hoorzaamheid het vredeverbond ten uitvoer heeft ge­bracht in deze we­reld, op drie plaatsen met een G: Golgotha, Gábbatha, Gethséma­né.

Het gaat er om dat het des Va­ders welbehagen is, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft, "opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verder­ve, maar het eeuwige leven hebbe". Zo is dit het welbehagen des Vaders om zondaren zalig te maken, dat Hij Jezus Christus in deze wereld gezonden heeft en dat deze aarde Zijn bloed en Zijn tranen opge­vangen heeft. Dat Hij een volkomen verzoening teweeg heeft gebracht. Dat Hij drievoudig gebeden, gestreden en geleden heeft in de hof: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan! Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voor­bij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil ge­schiede!" (Matt.­26:39,42). Daar is de Kerk zalig geweend, niet door een misdienaar maar door Jezus Chris­tus Zelf. "En in zwa­ren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En Zijn zweet werd gelijk grote droppe­len bloeds, die op de aarde afliepen" (Luk.22:44).

Wanneer wij bekeerd willen worden, geliefde ge­meente, dan zal het voor ons en voor ons geloof een volbrachte zaak van de Vader moeten zijn, wat reeds geschied is in de tijd. En het ongeloof waarin we ver­oor­deeld liggen, dat is dat wij God tot een leugenaar gemaakt hebben in de heilsfeiten.

Johannes schrijft in zijn kostelijke Evangelie: "En die het gezien heeft, die heeft het getuigd". Die een­malige zaak: Gethsémané, Gábbatha en Golgotha. "En die het gezien heeft, die heeft het ge­tuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij geloven moogt" (Joh.19:35).

Er zijn twee zaken in het welbehagen van de Vader. De eerste zaak is, dat Hij Zijn Zoon Jezus Christus in deze wereld gezon­den heeft, opdat Jezus Christus een vol­komen zoenoffer zou zijn voor de zonden. De andere zaak is de uitstorting van de Heilige Geest in deze wereld, opdat zonda­ren begiftigd zouden wor­den met de Geest des geloofs om de zaak van Jezus Chris­tus aan het hart te klemmen, in geloof, in hoop en in liefde. Een andere weg van zalig worden is er niet.

Het gaat niet om dingen die veel weg hebben van tovenarij van, met eerbied gesproken, omgetoverd brood te eten en omgesproken wijn te drinken. Maar het gaat hierom, dat Jezus Christus gezegd heeft: "Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel neder­ge­daald is" (Joh.6:51). Dat het geloof ge­meen­te, niet de tekenen zou omhelzen, maar de zaak: Jezus Christus en Dien gekruisigd.

Twee zaken in het welbehagen Gods. Dat Hij Jezus Christus in deze wereld gezonden heeft om van het vredeverbond een volbrachte zaak te maken, naar de verwerving van de zaligheid. En de Heilige Geest, Die van de Vader en de Zoon is uitge­gaan, om de zaak die geschied is, toe te passen aan onze harten.

Dan is dit het geloof, gemeente, dit is het geloof dat er geen nieuwe tekenen van de hemel geschieden. Zoals de Farizeërs het gevraagd hebben: "Wat teken doet Gij dan?" (Joh.6:30). Maar dit is de zaak en dàt troost mijn geweten: 't is al voor mij geschied!

 

Als het er dan vanavond ook om gaat, wie er ten Avondmaal zullen gaan, o, dan is eigenlijk die zaak al opgelost, geliefde gemeente. Moede kom ik, arm en naakt, tot mijn God, Die zalig maakt! Mochten wij ver­waar­digd worden om te komen tot Christus, Die God in de wereld gezonden heeft. Tot het werk dat Jezus Christus in deze wereld volbracht heeft.

Het gaat om drie dingen die nodig zijn om tot het Sacrament te kunnen komen: ster­vende in onszelf, maar ook hopende gemaakt te zijn op Jezus Christus. En ten derde dat wij er iets van doorvoelen en van doorleven, dat God het waard is om voor eeuwig, voor eeuwig lief te heb­ben. Dit trooste mijn geweten: 't is al voor mij ge­schied!

Wat waren de tekenen ook al weer in het Avondmaal? Brood, ja, gebroken brood. Wat was het andere teken? Wijn, ja, vergoten wijn. Dat tekent ook de zondaar, gemeente. Dat Jezus Christus vlees heeft aangeno­men, bloed heeft aangenomen. "Het Woord is vlees gewor­den, en heeft onder ons gewoond" (Joh.­1:14).

We weten het allemaal wel, dat Jezus Chris­tus vlees en bloed heeft aangenomen. Maar waar het nu om gaat, dat is dat het geloof er weet van heeft dat Jezus Chris­tus mijn vlees en mijn bloed heeft aangenomen. En daarin, gemeente, wordt Hij mijn Borg, mijn Midde­laar, mijn Zaligmaker, mijn Alles. Dat is het geloof, dat Jezus Christus mijn vlees en mijn bloed heeft aange­no­men. Dat Hij mijn zonden gedragen heeft op het hout. Dat Hij mijn vloek geworden is. Dàt troost mijn gewe­ten!

O, dat zalige woordje mijn, zegt Luther. Daar gaat het om in het persoonlijke geloof. Dat wij de noodzakelijk­heid van de verbreking van het lichaam van Christus in onszelf zien liggen. Dat we de oorzaak van het uitstorten van Zijn ziel in de dood, in onszelf zien liggen.

O gemeente, groot geloof, klein geloof of een bepaalde stand. Och, al is het slechts met een toevluchtnemend geloof. Moede kom ik, arm en naakt, tot mijn God, Die zalig maakt.

Zo gaat het de eerste keer, zo moet het de tweede keer en zo alleen kan het iedere keer weer. Eigenlijk kun­nen we nooit anders komen. Hij heeft mijn vlees, mijn bloed aangenomen. "De straf, die ons den vrede aan­brengt". O, dat maakt de ziel dan soms nog per­soonlij­ker: "De straf, die mij den vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn strie­men is mij genezing geworden" (Jes.53:5).

O gemeente, moet ik nog verklaren voor wie het A­vondmaal des Heeren niet is ingesteld? In de eerste plaats niet voor hen die dwalen in de leer, zij zullen ge­weerd worden. Zij die dwalen in het leven, waarin de liefde dus geen vruchten draagt, is het niet vanzelf­sprekend dat ook zij geweerd zullen worden? Omdat er anders een smet en een vloek op de gemeente zal vallen.

In de derde plaats wordt er gesproken over de hypo­criet, moet die ook geweerd worden? Die kan niet geweerd worden. Dat is de man, die niet herkenbaar is en dat is de vrouw, die niet her­kenbaar is. Een Anani­as­ en Saffira, die in de apostolische tijd nog dood vielen, die blijven onder ons in leven. Maar wat de gemeen­te weet aan dwaling in leer of dwaling in leven, dat moet ook wettig behandeld wor­den. Daar spreekt de cate­chismus straks over. Maar de on­grijp­bare zal God oordelen, die eet en drinkt zichzelf een oordeel.

O dat kostelijke Sacrament: brood en wijn voor het geloof. Jezus Christus mìjn vlees en mìjn bloed aange­nomen, dat is het grote wonder. Zondag 23 krijgt dan gestalte in het Sacrament. Voor God te staan, niet in eigen gerechtigheid, maar in de gerechtigheid van Jezus Christus. Evenals had ik zelf alle gerechtigheid volbracht. Wat een zalige zaak!

De paapse Mis, ik zeg er niks meer van, het mishaagt me. Want het geloof, geliefde gemeente, heeft pijlers, die liggen niet in deze wereld, maar die liggen in die wereld, waarin Jezus Christus heeft geleefd. Zijn bloed en Zijn tranen worden dierbaar in onze ogen. Zijn bloed, dat werkelijk gevloeid heeft, niet sacramen­teel, Zijn tranen die werkelijk gevloeid heb­ben. In Gethsé­ma­né daar breken onze harten, in Gáb­batha daar bre­ken onze zielen en op Golgotha daar bree­kt mijn eigen ik.

Dan schiet er maar één zaak over: Jezus Christus, en Dien gekrui­sigd. "Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u", zegt Paulus, "dan Jezus Christus, en Dien gekrui­sigd" (1 Kor.2:2). Dat is de zalige zaak, dat is de vol­brachte zaak. Als we daar geloof voor hebben, dan is dat genoeg ook. Dan fluistert ons hart: het is zo wel goed Heere, het is zo wel ge­noeg Heere. U bent het waard om eeuwig lief te hebben, om eeuwig te danken, om eeuwig te loven, om wat Gij hebt gedaan.

Wat een zalig voor­recht: toen ik nog niet van Hem wist, ik hoop dat u mij begrijpt, toen wist Hij reeds van mij. Toen Hij de zaak vol­bracht heeft, toen heeft Hij uitge­roepen, ook reeds over mijn leven: "Het is vol­bracht". En de Vader heeft in de hof van Arima­théa uitge­roe­pen: "Het is vol­bracht". Dat is dan zo vol­maakt, dat is dan zo volkomen, dan wen­sen ook wij niets meer te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruisigd.

Dan spreekt Paulus dik­wijls zo dierbaar over de Ge­kruisig­de, de Man van smarten, Die alles gedaan heeft. De Kerk wordt zalig door een god­delijk voldongen feit. God de Vader verkiest en doet nade­ren om te wonen in de voorho­ven, waar wij getrok­ken wor­den naar de vol­brach­te zaak op Golgotha, naar Jezus Christus.

Zo is er een vol­maaktheid in de zaak van Jezus Chris­tus. En het heilig Sacrament is ons gegeven om ons geloof, dat nog met zoveel zwakheid te kam­pen heeft, te versterken in Chris­tus Jezus. Opdat ook ons geloof volmaakt zou worden voor het aangezicht Gods. AMEN.