Zondag 31. Vraag en antwoord 83 - 84 - 85

                                         ZONDAG 31

                            Vraag en antwoord 83, 84 en 85

 

        Psalm       42 :  4,6

        Psalm     135 :  8

        Psalm       85 :  3,4

        Psalm       56 :  5

        Psalm     119 :  67

        Matthéüs  18 :  1-20

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in Matthéüs 18 : 18

 

Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde bin­den zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ont­bin­den zult, zal in den hemel ontbonden wezen.

 

Onze catechismus zondag 31, vraag en antwoord 83, 84 en 85

 

83. Vr. Wat zijn de sleutelen des hemelrijks?

Antw. De verkondiging des heiligen Evangelies en de Chris­te­lijke ban of uitslui­ting uit de Chri­stelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den gelovigen opengedaan en den ongelo­vigen toegesloten wordt.

84. Vr. Hoe wordt het hemelrijk door de predi­king des heili­gen Evange­lies ontsloten en toege­sloten?

Antw. Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelo­vi­gen, allen en een iegelijk, verkon­digd en openlijk betuigd wordt dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om der verdiensten van Chris­tus wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelo­vigen, en die zich niet van harte bekeren, ver­kon­digd en betuigd wordt dat de toorn Gods en de eeuwige verdoe­menis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oorde­len, beide in dit en in het toeko­mende leven.

85. Vr. Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door den Christelijken ban?

Antw. Alzo, als, volgens het bevel van Christus, dege­nen, die onder den Christelij­ken naam on­christe­lijke leer of leven voe­ren, nadat zij, ette­lijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of dengenen die van de gemeente daartoe veror­dineerd zijn, aangebracht worden; en, zo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden der Sacra­menten uit de Christe­lijke gemeente, en van God Zelven uit het Rijk van Christus geslo­ten worden; en wederom als lidmaten van Chris­tus en Zijn gemeente aange­nomen, zo wan­neer zij waar­achtige betering beloven en bewij­zen.

 

Geliefde gemeente, het gaat vanavond dus over de sleutelen des hemel­rijks. Het is heel merkwaardig dat dit hoofd­stuk toch nog bij de verlos­sing behoort, het is de laatste zondag over de verlossing. Het heeft alles te maken met zondag 23 dat handelde over de recht­vaardiging van een zondaar. Die rechtvaardiging heeft alles te maken met dit gedeelte over de sleutelen des hemelrijks. We kun­nen zondag 23 tot en met zondag 32 in zekere zin als één geheel zien, bin­nen het raam van de catechismus.

Ook deze zondag heeft een polemische achtergrond, dat wil zeggen dat ze strijdt tegen bepaalde dwalingen. Het is beslist niet zo dat we hier een stukje kerkorde aantreffen in de catechismus, maar de strijd tegen dwalin­gen. Tegen welke dwalingen? Dwalingen aan­gaan­de de vrijspraak van schuld en straf. Het wordt ook in zondag 31 weer benadrukt, dat die vrijspraak ervaren wordt door het ware geloof. Hetzelfde leerden we in zon­dag 23, daar werd gesproken: zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem. Dat zijn wij al vaker tegengekomen, maar dat wil beslist niet zeg­gen, dat vandaag mijn zonden verge­ven zijn en wanneer ik morgen geen geloof heb, dat mijn zonden dan weer niet verge­ven zouden zijn. Wat in zondag 23 verkon­digd werd, betekent met andere woorden dat de troost en de kracht en de moed uit het Evan­gelie, nooit groter is dan het geloof dat we mogen beoefenen door de Heilige Geest.

Zondag 31 strijdt tegen alles wat de vrije genade aantast. Ook zondag 31 houdt ons bij de drie zaken die Lu­ther verkondigd heeft: alleen de Schrift, alleen vrije genade, alleen geloof.

En dat geloof staat tegenover de werken, tegenover de mens die vrede in het hart wenst te verkrijgen in een wetti­sche weg. Dat is onmogelijk! Het gaat over de rechtvaar­dig­ing tegen de achtergrond van de dwalin­gen waarvan de Reformatie ons verlost heeft. Alsof prie­sters ons vrij zouden kunnen spreken,­ ons absolu­tie zouden kunnen verlenen. Alsof het een zaak zou zijn van biechten en op de biecht volgt de boete, er wordt je een zeker werk opgedragen en daarop ont­vang je de vrij­spraak. Waarop? Op grond van de ver­dienste van Christus? Was het maar waar! Als dat zo was, geloof ik niet dat Luther de kerk uitgegaan was. Maar de priester verleent de vrijspraak op grond van de overvloedige genade die de kerk zèlf verwerft, in de weg van goede werken.

Waar de genade niet beleefd wordt, daar wordt ook de schuld niet beleefd en waar de schuld oppervlakkig be­leefd wordt, daar wordt ook de genade oppervlakkig beleefd. De boete die ge­vraagd werd, werd niet ge­vraagd van het hart, maar van de mond en daarop volgde de vrijspraak door de priester. Dat mense­lijke woord moest dan een absolu­te geldigheid heb­ben in positieve zin, maar ook in negatieve zin. Zoals de ban over Luther is uitgespro­ken door een mens, die zich noe­mt de stedehouder van Christus. Een mens, die zich laat aanbidden zoals we slechts op één plaats in de bijbel lezen, dat de Heere Jezus Zijn Vader aanbad met: "Heili­ge Vader" (Joh.­ 17:11).

Luther heeft de biecht niet afgeschaft, maar hij heeft de biecht ontdaan van dat dwin­gende karakter. Lu­ther heeft er het hart weer ingelegd, opdat de biecht waar­lijk biecht zou zijn en opdat de boet­vaardigheid waar­lijk geestelijke boetvaardigheid zou zijn. Ook bij Lu­ther was er de absolutie, de vrij­spraak, maar condi­tio­neel. Zoals zondag 23 het zegt: zoverre ik zulke wel­daad met een gelovig hart aanneem, in zoverre gij gelooft dat uw zonden vergeven zijn.

Kennen wij ook de biecht? Absoluut niet als dwang, maar wel als voorrecht. Ik wil er op wijzen dat er dan geen priester in het mid­delpunt staat, maar de Schrift zegt: "Belijdt elkander de misdaden" (Jak.5:16), niet als een plicht, maar als een voorrecht. Het is gewel­dig als we iemand hebben waar wij ons tegen uit kunnen spreken. Ik heb zo Iemand, het is geen mens, het is God Zelf. Hij is de Enige Die, en u begrijpt wel wat ik bedoel, Die 'dicht' is, Die kan zwijgen. De absolutie als zodanig, dat de ene mens de andere vrij­spreekt, ken­nen wij niet. Het is heerlijk dat de catechismus dat teruglegt in het geloof.

Dan is er nog iets geweldigs in de catechismus, het wordt ook teruggelegd in het Woord. Niet in de pries­ter, maar in het Woord. Daarmee is het niet gebonden aan een persoon, maar aan het ambt en dat is tegelijk de waarde van het ambt.

We lezen immers dat er in de Schrift staat: "Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen?" (1 Kor.6:2). Dan gaat het er niet meer om wat de pries­ter van u denkt of wat de pries­ter van uw zonde denkt. Maar als er gespro­ken wordt in zondag 30 en 31 en straks ook in zondag 32, hoe we ons naar Gods bevelen zullen gedra­gen, dan gaat het om dat Woord. Naar dat Woord zal ons leven geoor­deeld wor­den, ons leven zal geoordeeld worden naar de wet die God gegeven heeft. Daarom zal die wet straks als regel der dankbaar­heid in de cate­chis­mus behan­deld worden.

Wat de leer betreft, de leer die naar de godzalig­heid is moet zijn naar het Woord. Zo zal voor alles het Woord ons richtsnoer moeten zijn in de dingen van ons leven en in de dingen van de leer. David heeft het leren kennen:

 

      Hoe lief heb ik Uw wet!, Het is mijn doel,

      Den gansen dag haar ijv'rig te be­trachten (Ps.­119:49 ber.).

 

      Uit al den schat van 't grote we­reldrond

      Is nooit die vreug­d in mijn gemoed gere­zen,

      Die 'k steeds in Uw getui­genis­sen vond,

      Door mij be­tracht, en and'ren aan­gepre­zen (Ps.­119:7 ber.).

 

Dan zal God onze Biechtvader zijn, gemeente. Ik lees dat Luther iedere avond een half uur tijd nam om de dag te overdenken, in de stilte met God alleen, om zijn woorden en daden te brengen onder de tucht van het Woord.

Er wordt vanavond gevraagd: Wat zijn de sleutelen des hemelrijks? De verkondiging des heiligen Evangelies en de Christelijke ban of uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den gelovigen opengedaan en den ongelo­vigen toegesloten wordt.

Om dan heel praktisch te zijn, ik heb het u bij zondag 23 reeds gezegd, waar klinkt de vrijspraak? In het Woord en in het hart.

Zondag 31 laat ons iets zien van de rijkdom van de prediking. De prediking, dat is de verkondiging van Gods Woord. Het is niet slechts een beschrijving van het geeste­lijke leven, maar doorgeven wat God spreekt. De prediking is de openbare betuiging en verkon­diging van de verdienste van Christus. "Zegt den rechtvaar­dige, dat het hem wel gaan zal. Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan" (Jes.3:10-11).

Het is heel merkwaardig dat zondag 31 de goddelo­ze tekent, niet in verschillende zonden, maar in zijn onge­loof. Het is een lange zondag, u moet het zelf maar eens nale­zen. Ongeloof naar twee kanten: de goddeloze gelooft ten diepste niet in zijn schu­ld en de goddeloze gelooft ten diepste ook niet in het rant­soen voor die schuld.

Dan is dit het hante­ren van die sleutel, de sleutel van uw hart: "En al wat uit het geloof niet is, dat is zon­de" (Rom.14:23). "Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te beha­gen" (Hebr.11:6).

Dan wordt het hemelrijk voor ons toegesloten. Dat is niet de per­soonlijke mening van een predikant, maar dat is de functie van het Woord. Werken die sleutelen dan wel echt gemeente? Even zeker als het Woord werkt! De Schrift zal hebben te spre­ken. Is het werke­lijkheid dat de Schrift spreekt? Jazeker! We zijn toch immers begonnen met ons moed in te zingen: "Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft; Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft" (Ps.85:3 ber.). Straks gaan we toch ook zingen: "Ik roem in God; ik prijs 't onfeil­baar woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond ge­hoord" (Ps.56:5 ber.).

Dat is het machtige van het geloof! Wanneer God ons begenadigt met geloof, dan is de predi­king niet vrij­blijvend meer. Nee, dan is het nooit vrijblij­vend. Wan­neer God ons bedient met de Geest des geloofs, dan wordt er een vonnis geveld of we het ervaren of niet, er wordt dan een von­nis geveld over ons leven, wan­neer de Schrift spreekt.

U kent toch immers die tekst wel over dat koste­lijke Evangelie van de Heere Jezus Christus? Vanwege de vuigheid van het ongeloof wordt dat heerlijke Evange­lie, dat kostelijke Evangelie: "een reuk des doods ten dode" genoemd, voor het ongeloof, maar "een reuk des levens ten leven" (2 Kor.2:16), voor het geloof. O, wat is de prediking dan een zaak van gewicht!

Laat ik maar weer praktisch mogen blijven. Als wij voor een onnozel ding, bijvoorbeeld bij de kanton­rech­ter moeten komen, wat een spanning is er dan in ons hart. Zijn we zo ook wel eens met spanning in ons hart naar de kerk gegaan? Er wordt hier ge­sproken over de ontsluiting en de toesluiting van het hemel­rijk, door het heilig Evan­gelie, door het geloof.

Staat er 's zondags dan zoveel op het spel? Ik dacht het wel! Geloof of ongeloof, bekering of geen bekering!

Ik weet een prachtig verhaal om vraag en antwoord 84 te illus­treren: hoe je verloren kunt gaan in de kerk en hoe je behou­den kunt worden in de kerk. Ik heb het zelf gelezen en misschien kent u dat verhaal van die twee mensen ook wel. Zal ik het vertellen? "Twee men­sen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Farizeër, en de ander een tollenaar". Toen is er een groot wonder gebeurd. Welk won­der? Die ene man bad: "O God! wees mij zondaar genadig! en deze ging af ge­recht­vaardigd in zijn huis" (Luk.18:9-14).

Hebt u het ook weleens geprobeerd, om dat gebed te bidden in het portaal van de kerk? Ik verdenk u er van, dat u het allemaal weleens geprobeerd hebt, om zo de kerk binnen te lopen: "O God! wees mij zondaar genadig". Ik was nog een kind en toen dacht ik: nu zal het gebeuren, want ik weet dat ik niet moet bidden als de Farizeër, maar als de tolle­naar. Maar er gebeur­de niets!

Héél veel jaren later heb ik pas be­gre­pen, dat wij wel de woor­den van elkaar kunnen lenen, maar niet het hart. Be­grijpt u gemeen­te? Het heeft alles met bekering te maken: "O God! wees mij zon­daar gena­dig". Dat we onszelf leren kennen in de grond van ons bestaan.

De Farizeër somt zijn goede daden op, het was gewel­dig in één woord. Maar het gaat om wat wij gedaan hebben in ons leven en om wat wij in werkelijkheid zijn. De tollenaar wist zich zon­daar te zijn. O, wat een ge­weldi­ge zaak, de predi­king, naar het bevel van Chris­tus. Die sleutelmacht functioneert onder de rechte prediking van Gods Woord. Dàn doen Wet en Evangelie hun werk. De on­boet­vaardige wordt het oordeel aange­zegd, maar vergeving der zonden een iegelijk die gelooft!

We hebben onze tekstwoorden gelezen en ik wil het nog eens herlezen: "Voorwaar", dat betekent "Amen, zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen". Dan lees ik toch immers in Johannes: "Zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt", zegt de Heere Jezus, "die ontvangt Hem, Die Mij gezon­den heeft" (Joh.­ 13:20).

Er staat nogal wat op het spel. "Wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ont­bon­den wezen". Maar dat gebeurt dan niet met onze tou­wen, geliefde gemeente. Dat binden en dat ontbinden geschiedt door het Woord! Dat is ons een reuke des doods ten dode of een reuke des levens ten leven. Iedere zondag wordt er metter­daad over geloof en onge­loof, over beke­ring en geen bekering, het vonnis geveld.

"Al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen". Daar zit de zeer ernstige notie in, dat bekering hier op aarde plaats zal hebben. Dat, als we ons op aarde niet beke­ren, we ook in de hemel niet zullen komen. Als dat Woord het niet doet, zal niets het doen. Dat is de ernst van de verkondiging van Gods Woord. "Mijn Woord zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, het­geen Mij behaagt" (Jes.55:11). Zelfs de slapers zullen zich in het gericht de preek nog herinneren.

We lezen in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lázarus over de rijkdom van het Woord. Dan zegt de rijke man: "Ik bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis; Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging" (Luk.16:27-28).

Zou u nu echt den­ken ge­meen­te dat, wanneer hier van­avond een dode tot leven gekomen was, om voor u te preken, dat dit ons tot geloof zou brengen? Mis­schien wel tot geloof, maar dan tot wonder­geloof. Dan zegt God Zelf door Zijn Woord: "Zij heb­ben Mozes en de profe­ten, dat zij die horen" (Luk.16:29).

Laat ik maar een praktische vraag mogen stellen: Hebt u wel­eens gehoord waar u bij hoort? Hebt u uw vonnis weleens verno­men? De meeste mensen lopen over van onduidelijkheid, zij zeggen: ik weet het niet domi­nee, ik weet het echt niet!

Hoe zou dat komen? Ik wil praktisch zijn van­avond. Ik denk dat, waar onze schuldbele­ving ondui­delijk is, dat daar ook de vrijspre­kende kracht van het Woord zo onduidelijk is. Daar is die vrijspre­kende kracht, die verkondigende kracht in positieve zin, zo onduide­lijk. Ik denk, dat dìt het is wat er in ons leven aan schort, dat we zo bijzonder oppervlak­kig aan het worden zijn.

Zullen we eens heel praktisch zijn in enkele dingen? Is het echt zo moeilijk gemeente, om onze staat op te maken? Of zou het een religieus geculti­veerde uitvlucht zijn?

Ik heb in mijn eigen leven gemerkt, dat op het Woord, op die belofte Gods een adres geschreven staat. Als er iets be­zorgd wordt aan ons hui­s, waar onze naam niet op staat, dan accepteer je dat toch ook niet? Als er per on­ge­luk iets in de brievenbus komt wat niet voor u bestemd is, dan zet je er op: adres onbekend en je brengt het toch weer terug naar de brievenbus?

Zou het soms ook zo kunnen zijn met die zalige belof­ten Gods, die zalige onderwijzingen in Jezus Christus? Ik denk het wel! Al die heerlijke dingen, die Goddelijke belof­ten, bezorgt God met eerbied gesproken maar niet in het wildeweg. Er staat een adres op, ge­meente. God zendt ze af, met eerbied ge­sproken, aan schuldige mensen, aan doemwaardige mensen, aan helwaardige mensen.

Zou juist daarom zo veel aan onze deur voorbijgaan? Het is toch werkelijk zo dat, waar God waarachtige honger werkt, Hij dan niet nalaat te spijzigen! Lezen we niet in Gods Woord: "Gij bezoekt het land, en heb­bende het begerig ge­maakt, verrijkt Gij het gro­telijks; de rivier Gods is vol waters" (Ps.65:10). O, staat er niet in de Schrift, in zeer tedere be­woordin­gen: "Zou Ik de baar­moeder open­breken, en niet genereren?" (Jes.66:9). Wanneer er honger is in de ban­ken, is er weleens ge­zegd, dan is er spijze op de preek­stoel. Waar God honger werkt, daar spijzigt Hij ook.

Om heel duidelijk te zijn: God voedt Zijn kinde­ren niet op met geestelijk snoepgoed. God geeft meestal medicijn geliefden, de medicijnen van het Woord daar moeten we in geoefend worden. Medicij­nen neem je niet voor het lekker in, ze zijn meestal bitter. Zo wil God ons ook spijzigen. Het geloof bewerkt dat wij ver­waar­digd worden, ook in te nemen wat bitter smaa­kt.

Ik vraag het u eerlijk, gemeente, bent u echt wel eens honge­rig geweest, geestelijk hongerig? En was er toen geen brood? O, waar een schuldige ziel is, ik weet het zeker, waar een hongerige ziel is, daar wordt vast iets erva­ren: "Ik ben het Brood, Dat uit den hemel ne­der­ge­daald is" (Joh.6:41). Eén heilbegerige ziel in de kerk is soms voel­baar op de kansel.

Het gaat in zondag 31 over onze geestelijke gezond­heid. God voedt ons desnoods, geliefde gemeente, met honger. Als God ons gaat voeden uit Zijn Woord, dan komt er een honger naar méér. We moeten niet te gauw God de schuld geven.

Ik stel een paar ernstige vragen: is het echt waar dat u hongerig was en dat Hij u niet heeft gevoed? Is het echt waar, dat u dorstig was en dat Hij u niet te drinken gegeven heeft? Is er iemand die durft te zeggen: Ik was naakt en Hij heeft mij niet gekleed?

U kent die gelijkenis uit Matthéüs 25, als u dat durft te zeggen van God, dan is dit mijn weerwoord voor vanavond: laat het mij weten, want dan is mijn prediking ijdel. Het gaat om een ernstige zaak in zondag 31, waar God Zelf Zijn Woord aan verbonden heeft, zoals we ge­zongen hebben: "Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft".

Maar dan is het ook wel nodig, gemeente, om die eerste zin te leren: "Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft".

 

Ik wil nog iets zeggen over vraag en antwoord 85. Daarin wordt ten slotte de andere kant aangeduid van de onbekeerde, de onboetvaar­dige en van hem die ver­ach­terd is in de genade. Hij die afglijdt in het geloofs­leven, die zich in de leer of in zijn persoon­lijk leven te buiten gaat, komt onder de beoefening van de tucht. Dat is ook sleutelmacht.

Daarbij gaat het om zekere regels, die de Heere Jezus Zelf in Matthéüs 18 geschonken heeft aan de discipelen, ten dienste ook voor de gehele kerk van het Nieuwe Testament.

Ik ga de hele kerkorde hier niet uitgebreid oplepe­len. Wanneer er zonden bekend worden in de gemeente, dan gaat het er om dat we ons zouden hoeden voor laster. Gij zult geen vals getuigenis spre­ken tegen uw naaste, daar valt alles onder wat wij op de dijk brengen.

Laat ik het dan maar heel categorisch mogen uitleggen. Bij het u bekend worden van zonden van gemeente­leden, moet er ten eerste meerdere keren broederlijk vermaand worden. Ten tweede: wanneer dat niet helpt en iemand voortvaart in zijn zonden, in leer of in leven, dan moet er in plaats van een broe­derlijke ver­maning, een ambtelijke verma­ning gege­ven worden door de kerkeraad. Ten derde: wan­neer er dan nog onboet­vaar­dig­heid is, zal er een ontra­ding zijn om aan het Sa­crament deel te nemen. Ten slotte zal er een af­hou­ding van het Sacra­ment zijn. Tot zover gaat het alle­maal over zonden die niet openbaar zijn.

Over openbare zonden zijn er vaste regels vanuit Mat­théüs 18 in de kerkorde terechtgeko­men. Open­bare zonden vragen om openbare schuld­­­belijdenis, tot stichting van de gemeente, tot stichting van de samenleving en tot eer van God.

Wij worden vanavond gemaand tot barmhartig­heid. Want het is veelzeggend, dat in dit Bijbelgedeelte de gelij­kenis ingevloch­ten is van dat ene verloren schaap. We worden gemaand tot barmhar­tigheid, broederlijke barm­hartig­heid onder­ling ten opzichte van de zonde en ook amb­telijke barmhar­tig­heid.

Tegelijk laat ons de catechismus zien, naar het bevel van God uit Matthéüs 18, wat tenslotte de sleu­telmacht is van het uit-te-sluiten. Wanneer de zondaar voort­vaart in zijn zonde, in zijn ongeloof, zal de kerkeraad de ban toepassen op zulk een zondaar.

Ik ga dat nu allemaal niet in bijzonderheden vertel­len. Maar er komt een punt, wanneer er onboet­vaardig­heid is, wanneer werkelijke onbe­keerlijk­heid in het leven openbaar komt, dat wij naar Christus bevel, ver­plicht zijn zodanig iemand af te snijden uit de Christelij­ke gemeenschap. De Heere beware ons daarvoor!

Er kunnen ook in de kerk vreselijke onaan­gename en zeer goddeloze dingen gebeuren. "Wee der wereld van de erger­nissen". Er kunnen goddeloze dingen in de kerk ge­schieden. "Want het is nood­zakelijk, dat de ergernis­sen ko­men; doch wee dien mens, door welken de erger­nis komt!" (Matt.18:7).

Dat is dus de praktische kant, en laten we nu maar toe gaan passen gemeente. Hebt u al iets begre­pen van de ernst van de prediking en van de ernst van onze kerk­gang?

Maar nu de positieve kant. De Heere heeft beloofd: "Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft" (Jes.66:2). Laat ik u mogen vragen, is uw kerkgang wel­eens gewe­est: "Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil"? (Ps.35:3).

­Wan­neer dan een week van worstelen eens afge­wis­seld mag worden door de ver­vulling van dat heer­lijke woord: "En uw Vader, Die in het verbor­gen ziet, zal het u in het open­baar vergel­den" (Matt.6:6).

­Dan mag er soms iets ervaren worden van keihard onder­wijs, ja hoor, maar soms ook van heerlijke ver­troosting. Wanneer het bloed van Jezus Chris­tus uit het Woord druipt in mijn hart. Dan valt al het mense­lijke weg en dan blijft alleen het Goddelijke over door die heerlijke werking van de Heilige Geest.

Wanneer het bloed van Jezus Christus druipt uit het Woord in mijn hart in zijn reini­gende kracht, dan zingt mijn ziel wat we ook tezamen willen gaan zingen: "Ik roem in God; en ik prijs 't onfeil­baar woord". Dat hoeft niet altijd een Godswoord te zijn midden in de nacht, o nee, God werkt ook openbaar. Dat kan ook een woord zijn in de prediking:

 

      Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord;

      Ik heb het zelf uit Zijnen mond ge­hoord;

      'k Ver­trouw op God, door gene vrees gestoord;

      Wat sterv'­ling zou mij schenden?

 

AMEN.