Zondag 32. Vraag en antwoord 86 - 87

      VAN DE DANKBAARHEID, DIE MEN GODE VOOR DE VERLOS­SING SCHUL­­DIG IS

                                         ZONDAG 32

                               Vraag en antwoord 86 en 87

 

        Psalm    122 : 3

        Psalm    119 : 84

        Psalm        1 : 1,2,3

        Psalm    139 : 14

        Psalm      66 : 9,10

        Efeze     5, 6 : 1-9

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs, vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Efeze 5 : 5 - 7

 

Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onrei­ne, of gierig­aard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Konink­rijk van Christus en van God.

Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der onge­hoor­zaamheid.

Zo zijt dan hun medegenoten niet.

 

Onze catechismus zondag 32, vraag en antwoord 86 en 87

 

86. Vr. Aangezien wij uit onze ellendigheid, zon­der enige ver­dienste onzerzijds, alleen uit gena­de, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?

Antw. Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijge­maakt heeft, ons ook door Zijn Heiligen Geest tot Zijn even­beeld ver­nieuwt, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewij­zen, en Hij door ons geprezen worde. Daarna ook, dat elk bij zich­zelven van zijn geloof uit de vruch­ten verze­kerd zij, en dat door on­zen godzali­gen wandel onze naasten ook voor Chris­tus gewonnen wor­den.

87. Vr. Kunnen dan die niet zalig wor­den, die, in hun godde­loos on­dankbaar leven voortvarende, zich tot God niet beke­ren?

Antw. In generlei wijze; want de Schrift zegt dat geen onkui­se, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch derge­lijke, het Koninkrijk Gods beërven zal.

 

Na­dat eerst aan de orde geweest zijn de zondagen over de ellende en over de verlossing, zijn we vanavond toegeko­men aan de eerste zondag van de dank­baar­heid, gelief­de gemeente.

Toch is het alsof de catechismus nog een klein beetje aarzelt. Want in zondag 32 zit toch nog iets wat terug­kijkt naar zondag 31 en ook iets wat vast voor­uitkijkt naar het stuk van de dank­baarheid, waar­in de geboden behandeld zullen wor­den.

Vraag en antwoord 86 en 87 sluiten aan bij onze vorige zon­dag. Ik wil ze omgekeerd behandelen, eerst vraag en antwoord 87 en dan vraag en antwoord 86.

Hier worden vragen gesteld die een antinomiaan zou kunnen stellen. Als we dan zalig worden door Christus alleen en door vrije genade alleen, wat doet ons leven er dan nog toe? Antinomianen, mensen die zo duidelijk een twee­mens zijn en die zo precies weten: dit is mijn oude mens en dat is mijn nieuwe mens, zulke mensen plegen nog weleens te ontsporen. De nieuwe mens wordt dan mis­bruikt om de oude mens te excuseren.

Er zijn ook zulke harde dingen gezegd in zondag 31, toen het ging over de sleutelen van Gods Konink­rijk. Ik heb al die zaken niet tot in de puntjes willen be­handelen, maar uitein­delijk loopt het daar toch op uit, dat God via de ambten, mensen buitensluit uit het Koninkrijk der hemelen. Ik hoop dat u de formu­lieren gelezen hebt in uw Bijbel­tje: het formulier van de ban of afsnijding van de gemeente en het formulier van de wederopneming in de gemeente van Christus.

Wanneer je die formulieren leest, kan de vraag weleens bovenko­men: is dat echt zo? Werkt dat echt zo? Wie je ook bent, waar haal je de moed van­daan om te zeggen: deze of die wordt niet zalig? Kun je, mag je dat zeg­gen?

Dat is ook het betoog van vraag en antwoord 87: Kun­nen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortva­rende, zich tot God niet bekeren? In generlei wijze; want de Schrift zegt, en dat vindt u niet op één plaats maar dat vindt u op vele plaatsen, dat geen onkuise, afgo­den­dienaar, echt­breker, dief, gierig­aard, dronk­aard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het Ko­ninkrijk Gods beërven zal.

Het gaat er om gemeente, dat we Gods Woord eens heel serieus zullen nemen in die ver­schrik­kelijke dingen die er geschreven zijn over het kwaad, over de zonde en over de goddeloosheid. Er staat geschreven dat de Kerk door middel van het ambt, dus niet op eigen gezag, maar met Gods Woord in de hand, dezulken die in hun goddeloosheid voortvaren zonder zich te beke­ren, buiten het Ko­nink­rijk der hemelen zal sluiten. Het is naar Gods Woord en dat duldt geen tegenspraak.

Ach, ik zou ook eigenlijk willen vragen: wat moet een ongehoorza­me in de hemel doen, waar geen wanorde is? Wat moet een dief of gierigaard in de plaats waar geen geld is? Wat moet een overspeler in de plaats waar geen ontucht te bedrij­ven is?

Ik zou haast zeggen: deze zondag van de catechismus spitst hier op toe, ge­liefde gemeen­te. Dat, als wij de mond vol hebben over de rechtvaardig­ma­king, over een vertel-bekering, dat dit dan moet blijken uit de heilig­making. Het moet blijken dat wij voor eigen rekening leven of voor reke­ning van Chris­tus, Wiens eigendom wij geworden zijn.

In deze zondag van de catechis­mus komen wij voor de zoveelste maal tegen, dat er gesproken wordt over het vernieuwd worden naar het even­beeld van Christus en Zijn Geest gelijkvor­mig te zijn. We hebben gelezen in Efeze: "Maar wordt vervuld met den Geest" (Ef.5:18). De Heilige Geest, de Geest van Chris­tus, Die we ook mogen noemen: de Geest van heiligma­king.

Waar het bloed van Chris­tus aan het hart bediend werd, is dat een onzichtbare zaak in de gelovige. Dat kan een ander niet zien. Je zou het soms wel eens willen laten zien uit de liefde en uit de gunning van je hart. Om niet slechts je hart te laten zien, maar het bloed van Chris­tus.

Zo las ik het ook eens van een oude man die zei: ik zie er zo armoedig uit, ik zie er zo ellendig uit in deze wereld, maar o, nie­mand ziet die heerlijke liefde in mijn hart, dat bloed van Christus in mijn hart. Het zalige geloof is onzichtbaar naar de rechtvaardig­ma­king. Je kunt ze er in de samenleving niet uithalen, de mensen die door het bloed van Jezus Christus be­sprengd zijn.

Maar het gaat er over, dat waar het bloed is, dat daar ook de Geest is. Dat is wèl een zichtbare zaak, de Geest van Christus.

We hebben in Efeze 5 ook gelezen van de vruchten van de Geest. Het leven van een gelovige is vrucht­baar. Het brengt als vruchten goede werken voort­. Goede wer­ken! Heeft Jezus Christus Zelf niet gezegd: "Maakt den boom goed en zijn vrucht goed; want uit de vruc­ht wordt de boom gekend" (Matt.12:33). En als de vruch­ten niet goed zijn, dan is er maar één ver­standig woord en dat is: "Houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttiglijk de aarde?" (Luk.13:7).

 

Goede werken. Gaat het vanavond om de hoeveelheid goede wer­ken? Is zaligworden een optelsom van hoe méér, hoe zekerder het is? We moeten eerst eens tot de kern doordringen wat goede werken eigenlijk zijn. Als wij de Schrift kennen, dan weten wij dat de Heilige Schrift ons op meerdere plaatsen op de werken wijst.

Luther zegt: "Als de Heilige Schrift de mensen op de werken wijst, dat God ons daarnaar wil oordelen, het goede wil belonen en het kwade bestraffen, dan wijst zij ons niet op het uitwendige der werken, maar op het inwendige en de geest van deze, zonder welke er geen werk is noch zijn kan.

De grond toch van het hart, welke de ziel van de werken is, wordt beloond of gestraft. Daarnaar, en niet naar het uiterlijke wordt een mens geoordeeld.

De Schrift leert, dat niemand iets goeds kan doen, tenzij hij vooraf zelf goed is gewor­den. Zo wordt hij niet door de werken goed, maar de werken worden door hem goed". Tot zover Maarten Luther.

Dan moet er nog iets gezegd worden, dat eigenlijk geheel overbodig is. De goede werken spelen geen enkele rol ten aanzien van de rechtvaardigma­king. Niet de mens die vrucht draagt wordt gerecht­vaardigd. Niet de vrome mens, maar de goddeloze wordt gerecht­vaar­digd. Dus die goede werken brengen geen nagelschrap toe aan onze rechtvaardigmaking. Maar, waar het bloed van Jezus Christus is, daar is ook de Geest van Jezus Christus. Waar een ziel wederge­bo­ren is, daar is ook de vernieuwing des le­vens door de Heilige Geest.

Het gaat om het organisch verband zoals wij dat ook vinden in de Nederlandse geloofsbelijdenis. Het gaat om het ver­band tussen artikel 23 en 24 van de Nederland­se geloofsbelijdenis. In onze kerken wordt artikel 24 behan­deld zonder artikel 23. Misschien bent u er niet zo in thuis, maar er ligt een ver­band tussen. Want er moet een eerste we­dergeboor­te zijn, maar waar de eer­ste we­derge­boorte is, daar is ook een doorgaande we­derge­boorte, een vernieuwing, de heiligmaking. Dat is die nieu­we gehoor­zaam­heid waardoor het hart ge­neigd en ver­nieuwd wordt, om niet alleen naar sommi­ge, maar naar alle gebo­den Gods te leven.

Door de Heilige Geest naar het beeld van Chri­stus vernieuwd te wor­den. Dat is nogal wat! Daar hebben de gelovigen alleen maar over te klagen, hoe weinig zij Chri­stus gelijkvor­mig zijn. Daarvan zal toch iets in onze le­vens gevonden moeten worden, geliefde ge­meen­te. We kunnen ook hier de catechismusvraag bijha­len: Waar­om wordt gij een Christen genaamd? Hebben we ìets van Christus in ons?

Wij zijn immers naar Gods beeld geschapen in het paradijs. Vooral in het begin van de cate­chismus hebben we de bood­schap gelezen, dat wij Gods beeld verloren hebben. Nu is dit het geweldi­ge­, dat hier op aarde in de bekering van zondige mensen, die de vol­maakt­heid nog niet heb­ben, maar die met Paulus moeten zeggen: "Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht" (Fil.3:1­2), dat er toch iets is van het herstel van Gods beeld. Dat wij het beeld van Chris­tus ge­lijk­vormig worden, omdat het ook alleen uit Christus voort­komt. "Want indien wij met Hem één plant gewor­den zijn in de gelijk­making Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkma­king Zijner op­stan­ding" (Rom.6:5).

Vraag en antwoord 87 laat ons nog eens zien, wanneer er niets van het beeld van Christus in onze levens openbaar komt, dat het dan onmogelijk is om de zalig­heid te beërven. Dus wanneer wij die goede werken missen, of in tegendeel, wan­neer wij de werken des duivels doen, dan zullen wij ook een­maal met de duivel ver­enigd zijn in één plaats.

 

Vraag en antwoord 86 heb ik voor het laatst be­waard. Het is een positieve vraag, waarom die goede werken nog nood­zakelijk zijn. Dan geeft de cate­chismus drie ant­woorden. Laat ik de volgorde van de antwoor­den maar iets veranderen. Dan is dit wel het eerste: als wij verloste mensen zijn, waar is dan de dank­baar­heid? "Ben Ik dan een Vader", zegt de Heere, "waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vre­ze?" (Mal.­1:6).

Als God ons gaat opeisen, dan gaat Hij ons geheel en al opeisen. Over die tweemens, daar spreekt zondag 33 over. Maar dan wordt het echt zo gemakke­lijk niet hoor, om onszelf in te delen in een oude mens en in een nieuwe mens, een oude Adam en een nieuwe Adam.

Waar spreekt de catechismus eigenlijk over, welke uitdrukking gebruikt de catechismus hier? Dat ik Gode dankbaarheid zal bewij­zen met mijn ganse leven, met mijn gehele bestaan. "Niemand kan twee heren die­nen", zegt Jezus Zelf in de Schrift, "want of hij zal den enen haten en den anderen lief­hebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten" (Matt.6:24).

Wat houdt dat in, dat we God met ons ganse leven dankbaarheid bewij­zen voor Zijn weldaden aan ons bewezen? Dat is toch immers een heerlijke zaak om Gode dankbaar­heid te bewijzen voor de weldaden die Hij ons geschonken heeft en dat Hij ook door ons geprezen wor­de.

Goede werken doen, opdat God door ons geprezen wor­de. Christus is het enige zoenoffer voor de zonde. Maar Paulus spreekt er van dat hij zijn leven er voor over heeft, om een levend dankoffer voor God te zijn. En dat is waar hoor! Als we enigszins in de liefde mogen staan, dan zouden wij daar wel in willen ster­ven. Dan kunnen we heel goed begrijpen dat de cate­chismus zegt: ons ganse leven. De dankbaarheid is: "Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam" (Ps.103:1).

 

Het tweede dat ik noem, is het laatste wat de catechis­mus opnoemt, dat door onzen godzaligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden. Dat is heel belangrijk. Wanneer wij door Chris­tus Jezus zijn aan­gezien, dat wij dan ook vruchtbaar zouden zijn in deze wereld. Dat wij onze naaste door onze godzali­ge wandel voor Christus zouden gewinnen. Er staat dus niet: door onze ellende, maar vanuit de dankbaar­heid, vanuit onze godzalige wandel moet onze naas­te voor Christus ge­wonnen worden.

Dat is een praktisch punt gemeente, dat luis­tert nauw. Kinderen van God zijn geen opscheppers. Maar het is niet best, als wij de jaloers­makende gena­de geheel missen in ons leven.

Onze naaste voor Chri­stus gewin­nen. Ik vraag het weleens aan de catechisanten: heb jij iemand, waar je jaloers op bent? Van wie je zegt: zo'n leven zou ik ook willen hebben? Dàt wordt hier be­doeld! Dat we zo uit Chris­tus zouden leven, dat er iets van ons af­straalt. Dat wij kinde­ren des lichts zouden zijn, zodat al wat duister­nis is ons links laat liggen aan de ene kant. Maar licht zoekt licht, dat is de andere kant.

Dat door onzen godzaligen wandel onze naasten ook voor Chri­stus gewonnen worden. Wat die godzalige wandel inhoudt, dat komt later aan de orde. Maar om enigszins vooruit te lopen, dan gaat het niet om dingen die we zelf bedenken, die op menselijke inzettin­gen of eigen goeddunken gegrond zijn. Maar het gaat er om dat er iets open­baar komt van de vruchten van de Geest, van liefde, van blijmoedigheid en van zachtmoe­dig­heid. Leest u het zelf maar eens na. Dàt zijn de dingen, waardoor onze naaste voor Christus gewon­nen wordt. Wanneer er iets in ons openbaar komt, wat ook in Christus open­baar kwam: lankmoedigheid, ontfer­ming, liefde en barmhar­tigheid.

 

Er wordt nog een derde reden genoemd waarom goede werken nodig zijn. Daarna ook, dat elk bij zichzelven van zijn geloof uit de vruch­ten verzekerd zij. Dat is dus het middelste uit de catechismus en dat heb ik voor het laatst bewaard. Dat is iets zeer bijzonders, want het gaat hier over de ver­zekering van het geloof. Ik hoor nog weleens vra­gen: hoe kom ik aan die zeker­heid?

Antwoord 86 zegt dat ik uit de vrucht van mijn geloof verzekerd zij. Dat is een heel prak­tisch gege­ven, waar wij nooit zoveel reke­ning mee houden. Wat staat juist een Christen dikwijls naar extra-ordinaire kente­kenen in zijn leven bij de vraag: hoe kom ik aan de zeker­heid? Dat is iets bijzonders. Er worden nogal wat vra­gen gesteld op dit punt: dominee, ik heb weleens hoop, maar ik wil zekerheid. Ik zou zo graag iets bij­zonders meema­ken.

Hoe kom ik aan die zekerheid? De catechismus ant­woordt dat wij uit de vruch­ten, uit onze goede werken, van ons geloof verze­kerd zouden zijn. Dat is een zeer belangrijke zaak, geliefde gemeente. Dat zijn we niet alleen verleerd en vergeten, maar wist u dat wij in deze zaak vaak heel verkeerd bezig zijn? Dat er juist in het ortho­doxe deel van de kerk heel veel dwa­ling is op dit punt, zodat deze zaak niet meer goed functio­neert?

Dit stuk is in de praktijk van het geestelijke leven wel bijzonder belangrijk en bijzonder actueel. Dat we uit de vruchten, uit de ken­merken dus, van ons geloof verzekerd zijn.

Ik weet dat u graag naar kenmerken vraagt. Nu heeft Comrie daar veel over geschreven. Ik breng dat dus niet in mijn eigen naam, maar ik haal er een man bij die boven alle twijfel verheven is. Dat doe ik niet uit zwakte, want ik heb het hele Woord achter me staan, maar het is nuttig om dit uit te leggen. Nu heeft Com­rie in zijn dagen al gesigna­leerd dat er iets fout ging in de kerken, ten aanzien van de ken­merken. Ja, laat ik u dat maar meege­ven. In de tijd van Comrie is er een predi­king ontstaan van kenmer­ken en kenmer­ken van ken­merken.

Was Comrie daar dan op tegen? Nee, daar gaat het niet om. Maar, waar Comrie op tegen was en wat hij zéér scherp heeft gezien, dat was dit: dat de prediking kenmerken ging stellen van kind van God te zijn. Dat er dus kenmer­ken zouden zijn, dat wij een kind van God zijn. En, zegt Comrie, straks worden het ken­mer­ken van kenmerken dat wij een kind van God zijn.

Wat is daar fout aan? Dit gemeente, dat die kenmerken ons niet verzekeren van het kindschap Gods, maar van ons geloof! Uit de vruchten kunnen wij ver­ze­kerd zijn van ons geloof!

Is dat een wezenlijk verschil? Nou en of gemeente, of dat een wezenlijk verschil is. Als we dit niet zuiver onderscheiden, staat zondag 23 opnieuw op het spel. Ik vind het moeilijk om het u duidelijk te maken, maar ik ga toch verder. Als we dit niet duidelijk onderschei­den, dan kunnen we rechtzin­nig zijn ten aanzien van zon­dag 23, de eerste vraag en antwoord over de recht­vaar­digmaking. Maar dan gaat er iets mis met de twee­de vraag van zondag 23, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt. Ik zal het nog een keer zeggen. In vraag en antwoord 60 wordt gesproken over de ver­dien­ste van Jezus Christus die geschonken en toege­rekend wordt. Daar kun­nen wij dan heel zuiver in zijn. Maar dan gaat het mis in vraag en antwoord 61 waar gesproken wordt over het aanne­men en toeëi­genen van wat God sche­nkt en toepast, door het geloof.

Het is buitengewoon belangrijk om niet alleen Comries brief over de rechtvaardigmaking te lezen. Ik hou er niet van om boeken aan te ­prijzen, maar om Comrie te verstaan in het stuk van de rechtvaar­digmaking, doet u er goed aan om ook zijn preek over 'de ontblote bidder' van Psalm 102 : 18 en 19 te lezen: "De doodige herstelt door Godts genaderijke toenaderinge".

Daar spreekt Comrie over deze stof, zoals ik het niet kan. Maar het gaat me om de zaak, hoe we kunnen weten dat wij een kind van God zijn. Dat kan maar op één manier, en dat is door het getuigenis van de Heilige Geest. Daar gaat het ook over in de preek van Psalm 102. Het getui­genis van de Heilige Geest: "Dezel­ve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn" (Rom.­8:16).

Dat kan ook zijn door het geloof, wanneer we in de beoefe­ning van het geloof gezet worden. Dan is het ten diepste dezelfde zaak, de verzekering door de Geest, "in Welken gij ook, nadat gij ge­loofd heb­t, zijt verze­geld geworden met den Heiligen Geest der belofte" (Ef.1:13)

Ik zou zeggen gemeente: hou dit vast, dat we uit de vruchten verzekerd worden van ons geloof. En als het anders gepreekt wordt, dan kan dat kostelijk zijn. Koste­lijk, zo'n kenmerkenprediking, maar het voert ons altijd in ons eigen hart.

Maar waar het geloof werkzaam mag zijn, voert het ons terug in het hart van Christus. Daarom lezen we ook in Lukas 7 dat Jezus Christus tot die zondige vrouw, niet alleen zegt: "Uw zonden zijn u vergeven", maar Hij zegt ook: "Uw geloof heeft u behouden" (Luk.7:48,50). Dat vindt u op veel plaat­sen in de Schrift. Als wij de rechtvaar­digma­king zuiver willen houden, dan moe­ten wij die zui­ver houden, niet alleen van Gods kant, maar ook zoals deze in het hart toegeëigend wordt. Namelijk: door het geloof!

Wat zegt Jakobus? Hij zegt toch eigenlijk het­zelfde? Het is dikwijls zo weinig begrepen wat Jakobus bedoelt met de tekst: "Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen" (Jak.2:18). Daar­mee bedoelt Jakobus ook dat die vruchten, die goede werken ons verzekeren van het geloof en dat is Gode verheer­lij­kend. Want als mijn geloof weer eens geloven mag, dan wordt God verheerlijkt. Dan gebruik ik God weer eens, dan maak ik weer eens gebruik van mijn Midde­laar. Dan gaat het geloof weer eens bloeien en gloeien in mijn leven.

Buiten het geloof en de verzekering van het geloof, staat ten diepste de be­keerde mens in het middelpunt. De verzekering dat wij een kind van God zijn, kan alleen door de Heilige Geest. "Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn".

Datzelfde vindt u ook in dat unieke artikel 5 van de Nederlandse geloofsbelijdenis: het getui­genis van de Heilige Geest ten aanzien van de autoriteit van de Heilige Schrift, wat toch de grond is van het geloof. Dat­zelfde geldt ook van het geloof dat wij een kind van God zijn, dat is ook alleen uit het getuigenis van de Heilige Geest. In de ge­loofs­galerij van Hebreën 11 staat van ieder­een iets bijzon­ders ge­schreven, maar wat staat er van allen hetzelfde geschre­ven? "Deze allen hebben door het geloof getui­genis gehad" (Hebr.­11:39). Daar gaat het dus om, ge­lief­de gemeente.

Als God terugkomt op Zijn werk, dan worden wij als zondaar weer eens gezet in het geloof om God te om­helzen, om Jezus Christus te omhelzen, om de Heilige Geest lief te hebben.

Het is zo nodig, gemeente, het is zo nodig dat we hierin zuiver blijven, opdat God aan Zijn eer komt. Zondag 32 heeft alles te maken met zondag 23, de toepassing van het geloof. Het is zo belangrijk om zuiver te zijn in het stuk van de recht­vaardigmaking, maar ook om zuiver te zijn in de toe­passing, in dat geloof en door het geloof.

Moge de Heere ons bij de zuiverheid bewaren! Ga eens wat meer lezen, gemeente! Als Comrie dan ont­kent dat het kind­schap Gods kenmerken heeft, dan kent hij het geloof ei­genschappen toe. Dat kunt u lezen in het ABC van Comrie, en in zijn boek over de eigen­schappen des geloofs.

Is dat dan allemaal zo be­langrijk? Ik weet het wel zeker. We moeten zuiver zijn in de leer, om ook zuiver te zijn in de troost, want onkunde doet dwalen. Wat is dat dan zalig, dat God mij niet recht­streeks verze­kert uit buiten­ge­wone dingen, maar dat God mij het geloof te beoefenen geeft. Dat is ook zo aangenaam voor een kleintje in de gena­de, voor een beginneling.

Men denkt weleens dat een kenmerkenpredi­king barm­hartig is, maar dat is het helemaal niet. Het heeft ten diepste iets van een werk­verbond: meer, meer, en nog meer heb­ben, krij­gen en zien te houden. Maar Gods Woord spreekt zo troostrijk dat het geloof uit de vruch­ten verzekerd wordt. Dat geldt niet alleen het grote geloof gemeente, dat geldt het kleine geloof net zo goed.

Tegen de bloedvloeiende vrouw en de zonda­res uit Lukas 7 spreekt Jezus: "Uw geloof heeft u behouden". Nog niet eens: uw grote geloof heeft u behouden. Dat geloof werd verze­kerd uit de wer­ken. Om bij Lukas 7 te blijven, vraagt de Heere Jezus niet Zelf aan Simon de Farizeër: "Ziet gij deze vrouw? Haar zonden zijn haar verge­ven, die vele waren: want zij heeft veel liefgehad".

Zijn dat toch kenmerken dat ze een kind van God was? Nee! "Uw geloof heeft u behouden". Jezus Christus gaf Zijn verzekering over het geloof van die vrouw: "Uw geloof heeft u behouden". Daar ligt de werkelijke vrede, daar ligt de werkelijke vertroosting, zodat Jezus het dan ook zegt: "ga heen in vrede". AMEN.