Zondag 33. Vraag en antwoord 88 - 89 - 90 - 91

                                         ZONDAG 33

­                         Vraag en antwoord 88, 89, 90 en 91

 

        Psalm     135 :  1

        Psalm     135 :  2

        Psalm       86 :  6,8

        Psalm       19 :  7

        Psalm       19 :  5

        Romeinen   6 

 

Onze tekstwoorden, grondslag voor ons catechis­muson­derwijs voor vanavond, vindt u in Romeinen 6 : 12 en 13

 

Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeer­lijkheden deszelven li­chaams.

En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der onge­rech­tig­heid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende gewor­den zijnde, en stelt uw leden Gode tot wape­nen der gerechtig­heid.

 

Onze catechismus zondag 33, vraag en antwoord 88, 89, 90 en 91

 

88. Vr. In hoeveel stukken bestaat de waarach­tige beke­ring des mensen?

Antw. In twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de opstan­ding des nieuwen mensen.

89. Vr. Wat is de afsterving des ouden mensen?

Antw. Het is een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd heb­ben, en die hoe lan­ger hoe meer haten en vlieden.

90. Vr. Wat is de opstanding des nieuwen men­sen?

Antw. Het is een hartelijke vreugde in God door Chris­tus, en een ernstige lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven.

91. Vr. Maar wat zijn goede werken?

Antw. Alleen die uit waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter eer geschieden, en niet die op ons goeddunken of op mensen-inzettingen ge­grond zijn.

 

Het gaat deze keer over de bekering. Wat een geweldig onderwerp, geliefde gemeente, de bekering! Er wordt gesproken over het sterven van de oude mens en de op­standing van een nieuwe mens.

Het gaat er vanavond tegenaan, tegen de zonde. We zijn het in het voorgelezen Schriftgedeelte al twee keer tegengekomen: "Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?" (Rom.6:1-2). En in datzelfde Romeinen 6 wordt nog een keer ge­vraagd: "Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de gena­de? Dat zij verre" (Rom.6:15).

Het is opnieuw een belangrijke zondagsafdeling, zondag 33 over de bekering. Ook hier staat of valt alles mee. De bekering, de afkeer van de zonde en de terugkeer naar God toe. O, lezen we ook niet in Eze­chiël een kostelijke belofte? Heeft God aan het volk dat Hij wedergebracht heeft niet beloofd: "Daar zult gij dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmede gij u verontreinigd hebt, en gij zult van u zelven een walging hebben over al uw boosheden, die gij gedaan hebt" (Ezech.20:43).

Bekering! Men vraagt weleens: "Hoe komt het toch domi­nee, dat het niet lukt in mijn leven?" Is dat soms ook een kwestie van zonden die een scheiding maken tus­sen God en uw ziel? Hoe komt er verachtering in de genade? "Vroeger was het anders dominee, hoe komt dat?" Zouden het de zonden niet zijn, die een scheiding maken tussen God en tussen uw ziel? Zouden de zon­den ons niet in de weg staan in het begin en in de voort­gang der bekering? Chris­ten en niet-christen, gelovige en onge­lovige, zijn we alle­maal niet een beet­je van: geef ons een nieuwe stad, het nieuwe Jeruza­lem. Maar, waar is de begeerte naar een nieuw hart?

Bekering! Dat is eigenlijk zo'n heel nieuw woord in de catechismus. Ik zou haast zeggen: de catechismus heeft gesproken over alles wat een mens mee kan maken, alles wat een mens door genade kan ontvangen. Er is reeds gesproken over de weder­ge­boorte,  over de rech­t­vaardigmaking, over de heiligmaking en zelfs reeds over de heerlijkma­king.

Maar bekering, wat is bekering? Dat is de gehele zaak, ge­meente. De bekering begint met de wederge­boorte en komt pas ten einde in de heerlijkma­king. Het is dus eigenlijk een ander woord voor het geheel van we­derge­boorte, rechtvaardigma­king, heiligma­king en heerlijkma­king. Bekering, dat is het gehele leven des geloofs. Want immers het eerste wat een arme zondaar krijgt in de wederge­boorte, is het geloof. Het geloof, dat heeft een zon­daar no­dig. Hij wordt gerechtvaar­digd door het geloof. "Maar zonder geloof is het onmo­gelijk Gode te beha­gen" (Hebr.11:6). Dus ook de heilig­making staat of valt met het geloof.

De heerlijkmaking is geen zaak van het geloof in die­zelfde zin. De heerlijkmaking zal zich voltrekken wan­neer het geloof overgaat in aanschouwen. Het is aan de Kerk beloofd door het aanschouwen van Christus: "En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heer­lijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).

Bekering en wedergeboorte. Het woord wedergeboorte kunnen we in twee opzichten gebruiken. In engere zin bedoelen we daarmee de levendmaking, maar in ruimere zin bedoelen we de doorgaande weder­geboorte. Die neemt een heel leven in beslag. En dan kunnen we voor de duidelijkheid net zo goed het woord bekering gaan ge­bruiken.

 

Deze keer vraagt dus de catechismus: In hoe­veel stuk­ken bestaat de waarachtige bekering des mensen? In twee stukken: in de af­sterving des ouden, en in de opstanding des nieu­wen mensen. Daarna wordt ons in twee vra­gen en ant­woorden uitge­legd wat het sterven is van de oude mens en de op­standing van de nieuwe mens. Het gaat daarin over onze houding ten op­zichte van de zonde. Hoe staat een kind van God te­genover de zonde? We zouden het ook zo kunnen vragen: hoe draagt het geloof metterdaad vrucht, in het leven des geloofs? Dan wijs ik terug naar antwoord 86, dat de gelovi­ge toch immers uit de vruchten verze­kerd mag zijn van zijn geloof.

Ik wijs terug naar vraag en antwoord 87 waar een hard oordeel is geveld. Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddelo­os ondankbaar leven voort­varen­de, zich tot God niet bekeren? Dan staat er: In generlei wijze; want de Schrift zegt dat geen onkuise, afgoden­dienaar, echtbreker, dief, gierig­aard, dronk­aard, laste­raar, noch rover, noch dergelij­ke, het Ko­ninkrijk Gods beërven zal.

Wie is daarmee aangesproken? Of laten we liever vra­gen: is Gods kind vrijgesproken in antwoord 87? Was het maar waar ge­meente, maar de aller­heiligste heeft nog maar een klein beginsel der gehoor­zaamheid en daarom is er bekering nodig. En met beke­ring wordt eigenlijk bedoeld dat wij ons leven weer gericht krijgen op God, dat wij weer in een juiste verhouding tot God worden ge­plaatst. Beke­ren wil zeggen dat er een weder­keer is in het leven, die openbaar komt in de vru­ch­ten en in de levensopenbaring. Dat er iets is van een we­der­keer tot God, van het sche­psel tot de Schep­per, van het leem tot de Pottenbak­ker.

In twee stukken, zegt de catechismus, bestaat de bekering; in de afsterving van de oude mens en in de op­standing van de nieuwe mens. Dan moeten we wel goed verstaan, gelief­de gemeente, dat dit geen twee stukken zijn, die in elkaars verlengde lig­gen. Er is niet eerst een afsterven van de oude mens totdat die oude mens com­pleet gestorven is, zodat er dan pas een nieu­we mens op zal staan. Nee, in de bekering gaat het niet over twee zaken die apart na elkaar plaats vinden, maar om twee zaken die tegenover elkaar staan. Afster­ven en op­standing staan in een bepaal­de ver­hou­ding welis­waar, maar tegelijk tegenover elkaar.

De afsterving van de oude mens is een proces van hoe langer hoe meer in dit leven. Onze catechis­mus spreekt over het afsterven van onze oude mens niet als een plot­selinge dood, maar als een dage­lijks sterven van de oude mens, de eerste Adam. Maar tege­lijkertijd ontluikt ook dat nieu­we leven, worden de eerste ver­schijnselen van het nieuwe leven zichtbaar in diegenen die door Woord en Geest getrok­ken wor­den. Waar die eerste tekenen gezien worden van dat afster­ven, zal daar tegen­over ook de opstan­ding van de tweede Adam, de nieuwe mens gescha­pen naar Jezus Chris­tus, zichtbaar worden.

Afsterving van de oude mens, is dat nodig? Is de rechtvaardiging dan niet volmaakt? Zeker, maar dat afsterven is een stuk van de heiligmaking, waarvan de Schrift heel beslist zegt: "Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal" (Hebr.12:14).

Bekering, afsterving van de oude mens. Wat is dat eigenlijk, wat sterft dan af, wat is dan die oude mens? Dat is het goddeloze bestaan, ook van het kind van God. Het goddeloze bestaan dat hij in zichzelf gewaar wordt bij het licht van het Woord en bij het licht van de Heilige Geest. Het godde­loze bestaan naar de heilig­making.

Want we moeten heel goed onderscheiden dat de Kerk naar de rechtvaardigmaking  met Paulus mag zeggen: "Wie zal beschuldi­ging inbrengen tegen de uitverkore­nen Gods?" (Rom.8:33). Maar naar de hei­ligma­king moet de gehele Kerk klagen: "Het goede dat ik wil, doe ik niet, en het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik" (Rom.­7:19).

De afsterving van de oude mens is dus een af­ster­ving van ons goddeloze bestaan, dat pas beëindigd zal wor­den als werkelijk die mens de laatste snik zal geven. Ik heb eens een beproefde Christen horen zeggen: er zijn ook voordelen, ook heilsweldaden aan de be­graaf­plaats verbonden, want daar zal ik verlost zijn van de zonden en daar zal zelfs mijn lichaam gelouterd wor­den, totdat het weer onschuldig stof zal zijn. Af­ster­ving van een goddeloos bestaan!

O, ik lees dat Paulus op een andere plaats zegt: "Ik sterf alle dagen" (1 Kor.15:31). Op een andere plaats zelfs: "Doch ik ben gestorven" (Rom.7:9). Zeker, ook met het oog op de bekering kan Gods kind zeggen: ik ben gestor­ven, maar ik ben nog niet aan het eind van mijzelf. En daarom is het ook zo nodig om te kunnen zeg­gen: ik sterf alle dag.

Bekering, afsterven van de oude mens. Wat is dat ten diepste? Dat is dat mijn 'ik' er aan gaat. Ik ben ge­stor­ven en ik sterf alle dag, zegt Paulus, ik ben ge­krui­sigd. Daaruit kunnen we ook nog leren van Paulus, wat voor soort dood het is. Dat afsterven is de kruis­dood, dat wil zeggen dat je in je goddeloze be­staan, eerst je handen vastge­spijkerd krijgt en dan je voe­ten, die snel zijn om bloed te vergieten.

"Ik ben met Christus gekruist", zegt Paulus "en ik leef, doch niet meer ik, maar Chri­stus leeft in mij" (Gal.2:20).

O, het is een heerlijke zaak, gemeente. Maar ik hoop dat u ook proeft dat het tegelijk een smartelijke zaak is om tot die kruis­gang te geraken. De afsterving van de oude mens, ik ben gekruisigd.

Laat ons eens mogen zien wat de catechismus zegt van die afster­ving van de oude mens. Het is een hartelijk leed­wezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.

Nu moet u er heel goed erg in hebben, geliefde ge­meente, dat dit sterven een hartelijk sterven is en die opstanding is een hartelijke opstanding. Eigen­aardig hè, wie sterft er nou hartelijk? Dat het nieuwe leven iets hartelijks is, dat kan ik me begrijpen, maar dat sterven? Ja, dat is niet hartelijk wat het sterven op zichzelf genomen be­treft, maar er wordt gesproken over een harte­lijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Natuurlijk, er wordt wat afgeredeneerd over schuld en over zonden en dat we God vertoornd hebben. Maar hier wordt gespro­ken over een hartelijk leedwezen.

Wat is leedwezen eigenlijk? Dat leed komt voort uit het woordje lijden, het is mij tot lijden geworden. En daarom is het een hartelijk leedwezen, alles wat ik van die oude mens in mijzelf gewaar word.

Is het zo ook met u, ten opzichte van uw zonde? Want er is zoveel schuldbesef wat niet uit God voortkomt ge­meente. Er is veel leed­wezen, natuurlijk, want welke Chris­ten weet er niet dat je verloren gaat om de zon­de? Dat je voor eeuwig verdoemd wordt om de zonde? Maar dat is nog wat anders, dan waarachtige bekering. Leedwezen is een har­telijk lijden, dat wij God door onze zonden ver­toornd hebben. Dat wil zeggen: geen toneelspel, geen namaaktra­nen, maar èchte tranen waarvan Psalm 56 zegt: "Leg mijn tranen in Uw fles; zijn zij niet in Uw register?" (Ps.56:9).

Het zijn de tranen waarvan wij lezen in Lukas 7, waarmee die zondares de voeten van de gelief­de Hei­land heeft nat gemaakt en ze heeft die afge­droogd met haar haren. Dàt is een hartelijk leedwezen en dàt zijn de hartelijke tranen! Niet de tranen die Petrus ge­woonlijk ween­de, waren tranen van hartelijk leedwezen. "En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan. En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk" (Luk.­22:61-62). Dàt waren de tranen van hartelijk leedwe­zen bij Petrus. Dat is een stukje ster­ven van de oude mens.

Er is ook nog zoveel verkeerd leedwezen over de zonde, gemeente. Er kan zelfs enigs­zins een haten en vlieden van de zonde zijn, wat niet voortkomt uit dat hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Zulk verkeerd leedwezen is ten diepste een droefheid, omdat we onszelf zo tegen­ge­vallen zijn.

Ie­der mens heeft zo zijn idealen, maar de werkelijkheid van ieder mens blijft ver beneden het gestelde ide­aal. Daar kunnen ook heel wat tranen over vergo­ten wor­den, omdat we dan ten diepste bescha­digd zijn in onze zelfwaar­de. Maar de catechismus spreekt over een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Daarin komt de relatie openbaar, dat God mijn Schepper is, en ìk Zijn schepsel, dat Hij mijn Pottenbakker is en dat ìk Zijn leem ben.

We vinden dat zo weergaloos schoon beschreven bij één van de profeten: "Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen ken­nis, Mijn volk verstaat niet" (Jes.1:3). Als ik dat zou verta­len met beelden in onze eigen taal, dan moet je zeggen: een hond kent zijn baas en een kat weet haar huis, maar een zondaar vergeet zijn God.

Daar iets van te leren gemeente, dat is ster­ven, sterven aan onszelf. Dat is gekruisigd worden aan onszelf, dat is een hartelijk leedwezen over de zonde. En ook een hartelijk, want dat hartelijk hoort hier ook bij, ook een hartelijk haten en vlieden van de zonden. Dat sterven, dat is hoe langer hoe méér te sterven. O, dat doe je niet om de zalig­heid te verdienen, maar dat is ellen­dig te worden, dat is god­deloos te worden in jezelf, vanwege de eer van God.

Als het dan werkelijk waar is, als het dan ernst is in ons leven, dat wij er hartelijk onder lijden dat we God door onze zonden zo ver­toornd hebben, dan zal er ook zeker hoe langer hoe meer een haten en vlieden van de zonden zijn.

Wat is er dan toch veel tegenspraak in veel levens, waar wel ge­sproken wordt van een hartelijk leedwezen, maar waar eigenlijk niets gemerkt wordt van dat haten en vlieden van de zonden. Maar dat zonde tot zonde wordt, geliefde gemeente, dat is pas te verstaan als wij genade hebben leren kennen. Als zonde tot zonde wordt, dan gaat het om de eer van God!

Dan komt er ook een haten van de zonde, een haten van onszelf, maar ook een vlieden van de zonde. Want de Schrift zegt: "Zal iemand vuur in zijn boezem ne­men, dat zijn klederen niet verbrand worden?" (Spr.­6:27). David, die het in de praktijk van het leven met veel schade en schande heeft moeten leren, bidt: "Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdel­heid zien; maak mij levend door Uw wegen" (Ps.119:37).

Onder­zoek uw hart gemeente, naar dat harte­lijke leedwe­zen. Onder­zoek ook uw dagelijks leven of er werkelijk iets gevon­den wordt van dat haten en vlieden van de zonden. Want wanneer er werkelijk leedwe­zen is, is er ook werkelijk haat tegen de zonden. Wan­neer we iets werke­lijk haten, dan komt er ook een vlieden. In zoverre is Gods kind een twee­mens, die zichzelf haat in dat opzicht, en van zichzelf zou willen vlieden. Genoeg hierover!

Wat is de opstanding van de nieuwe me

ns? Och, de catechismus zegt weer: Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en een ernstige lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven. Dan gaat het weer om dat hartelijke, geliefde gemeente. Het gaat om dat vrijwillige offer, want dat dank­offer onder het Oude Testa­ment moest uit liefde gebracht worden. Ook het dankoffer van ons leven kan alleen gebracht worden uit liefde, anders heeft het niets te beteke­nen. Het gaat om de liefde die God er Zelf inge­legd heeft. "Al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik ver­brand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven" (1 Kor.13:3). Maar daar­over gaat het een volgen­de keer, wanneer er ge­vraagd zal worden: wat zijn goede wer­ken? Van­avond wordt trou­wens de kern wel aangewe­zen. Harte­lijk, dat wil zeg­gen, het komt niet uit mijn mond maar uit mijn hart! Een hartelijke vreugde in God.

Dat heeft niets te maken met blij doen. Nee, dat is werkelijkheid, dat is verheugd te zijn met die waar­achtige vreugde waarmee God ons verheugt. Zoals de Psalmen dat vertolken:

 

      Gij hebt m' in 't hart meer vreugd gegeven,

      Dan and'ren smaken in een tijd,

      Als zij, door aards geluk verheven,

      Bij koorn en most wellustig leven,

      In hunnen overvloed verblijd (Ps.4:4 ber.).

 

Wat is de opstanding van de nieuwe mens? Dat is het schepsel dat veranderd wordt, dat reeds in dìt leven op Christus gericht wordt en op het nieuwe leven. Het is een hartelijke vreugde in God door Chris­tus. O ja, de verdienste van Christus staat op de achtergrond geschreven in letters van bloed. Daarom staat er ook bij: een ernsti­ge lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven.

U moet eens in uw Bijbeltje kijken bij Psalm 40. In de meeste Bijbels staat daar boven: Davids Psalm. In die Psalm wordt Christus verklaard: "Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands" (Ps.40:9). In die Psalm ligt Davids hart ver­klaard, maar toch ook het hart van ieder die God vreest: "Ik heb lust, o mijn God! om Uw wel­be­hagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns inge­wands".

Heeft de Heere dan Zèlf niet beloofd dat Hij er aan te pas zal komen, omdat u het zelf niet kunt? "En Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzet­tingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewa­ren en doen" (Ezech.36:26-27). God gaat die belofte vervullen, geliefde ge­meen­te, zodat er niet alleen een harte­lijke vreugde in het hart is tot Christus, maar ook een lust en een liefde om in alle goede wer­ken te leven.

 

We gaan het maar toepassen, gemeente! Is het nodig dat er bekering komt in onze levens? Is zondag 33 wel reëel? Zullen we het eens een keer omgedraaid lezen? Er zijn weleens mensen die proberen ons wijs te ma­ken, dat het zonder bekering ook wel kan. Maar zou dat echt waar zijn? Kan het echt waar zijn, dat wij met een hartelij­ke vreugde God blijven vertoor­nen in ons leven? Zou dàt bekering zijn, wanneer wij hoe langer hoe meer de zonde liefheb­ben en binnenhalen? U hoort het ongerijmde wel, zodra we die antwoor­den om gaan draaien.

Maar ook dat andere: zou dat nou werkelijk een nieuwe mens zijn, die de hartelijke vreugde in God door Chri­stus nooit eens kent? Wanneer er geen lust en geen liefde is om naar de wil van God in alle goede wer­ken te leven, dan zal het toch immers niet gaan, gemeente.

Och, laten we het toe gaan passen. Wat is het, dat ons tot een nieuw schepsel maakt, dat ons doet sterven aan onszelf naar de oude mens? Wat is het, wat die nieuwe mens in ons doet opstaan en doet groeien? Het is de bearbeiding van God door Zijn Woord en door Zijn Heilige Geest. Want beke­ring staat zo­maar niet apart hoor, het is een gewrocht van Gods Woord en een ge­wrocht van Zijn Heilige Geest.

Straks gaan we Psalm 19 zingen, een Psalm van David. David was ook zo'n mens die stierf aan zichzelf, stierf aan zijn eigen ik. Dàt is waarachtige bekering, wanneer dat 'ik' sterft, dat hoog­moedige 'ik', dat 'ik' van de gevallen mens, dat brutale 'ik' tegen God. O, wan­neer de Heere daar iets van gaat leren in het leven, dan gaan we het woordje 'ik' met kleine letter­tjes schrij­ven, terwijl 'Hij' met hoofd­letters ge­schre­ven wordt. Wan­neer ik verlost wordt van de wortel­oor­zaak van mijn zonde, wanneer ik verlost wordt van mijn hoog­moed. Daarom hoor ik David bidden en het is een ge­bruiksaanwijzing voor ons:

     

      Weerhoud, o HEER, Uw knecht,

      Dat hij zijn hart niet hecht'

      Aan dwaze ho­vaardij.

      Heerst die in mij niet meer,

      Dan leef ik tot Uw eer,

      Van grote zonden vrij (Ps.19:7 ber.).

 

Zondag 33 stelt ons voor de vraag of wij iets kennen van zondedo­den­de genade in ons leven. Van dat ster­ven aan onszelf, maar ook van die opstanding van de nieu­we mens, die naar Gods wil wenst te leven.

O gemeente, heiligmaking! We moeten heel goed ver­staan dat er geen heiligmaking is, wanneer Christus' bloed in ons leven geen plaats heeft. Eerst dat bloed, maar dan zal ook zeker de Geest van Jezus Christus er zijn. Maar hoe nu die heiligmaking, dat nieuwe leven, gemeente? Ik wil u waar­schu­wen voor een groot gevaar, alsof de rechtvaar­dig­making geheel uit Christus ontvangen wordt en alsof de heiligmaking een zaak is die wij zelf moeten doen. Dat bedoelt zondag 33 niet, nee! Chris­tus is gegeven tot onze recht­vaardigma­king, Christus is ook gegeven tot onze heiligma­king en tot onze volkomen verlos­sing.

Daar gaat het straks naar toe, als er gevraagd zal worden: Wat zijn goede werken? Goede werken moeten zijn naar Gods wil, naar Gods wet en gedaan worden uit het ge­loof. Moeten gedaan worden uit een rechte bezieling, uit Jezus Christus, want anders maakt het ons tot vrome mensen. Dan is het maar een vernisje, dan is het slechts water­verf.

Heiligmaking, dat is ook dat we bekeerd worden uit de wonden van de Heere Jezus Christus en door de Geest van Christus begiftigd worden met een beetje zondedodende genade! Daar hebben we God bij nodig, daar hebben we Chris­tus bij nodig, opdat Hij ons veel van Zijn Geest mocht schen­ken. O, in dat op­zicht ligt ook de heiligma­king in Hem, opdat niemand roeme. Het luistert zo nauw, gelief­de gemeente.

Ik hoorde laatst nog iemand zeggen: God zal er wel begrip voor hebben, dat ik een zondaar ben! Dat is andere taal dan zon­dag 33.

Laat ik maar eindigen met een vraag: waar is de zon­dedodende genade, geliefde gemeente? Want wanneer we de bekering slechts bespre­k­en en het ìs er in werkelijkheid niet, wat doen we de Kerk dan toch een schade aan. Want waarlijk zonde­do­dende genade, daar zit ook jaloersmakende genade in en dat hebben we zo hard nodig met elkaar.

Die twee zaken werden in antwoord 86 ook al bij elkaar gehouden, opdat ik van de vrucht verzekerd zou mogen zijn van mijn geloof, maar ook opdat mijn naas­te, door mijn godzalige wandel voor Christus ge­wonnen zou worden.

Bekering, heiligmaking, waar is dat voor nodig? Kunnen wij anders niet zalig worden? De ware Bruid geliefden, de ware Bruid van Jezus Christus heeft er niet genoeg aan om gevraagd te zijn, om geroepen te zijn, om genodigd te zijn. De ware Bruid wenst ook versierd te zijn, zij wenst vernieuwd te zijn in heiligmaking tot heer­lijkmaking. AMEN.